Essentie (gemaakt door AI)
Vrouw verzoekt wijziging zorgregeling, opheffing kinderrekening, verdeling kinderbijslag en annulering BSO-inschrijving. Man verweert zich en verzoekt beëindiging partneralimentatie op grond van art. 1:160 BW. Vrouw is niet-ontvankelijk in wijziging zorgregeling en BSO-kwestie; BSO valt onder dagelijkse zorg. Rechtbank verstaat overeenstemming over opheffing kinderrekening, verdeling saldo en kinderbijslag naar rato (feitelijk ieder de helft). Ten aanzien van art. 1:160 BW voorshands bewezen samenwoning sinds 1-10-2025; vrouw mag tegenbewijs leveren; nadelNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 26-06-2026 |
| Zaaknummer | zaak_C08340942__FA_RK_25-2893_beschikking_12022026 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Almelo |
| Formele relaties | Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2026:3532 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De man verzoekt beëindiging van de partneralimentatieverplichting voor de vrouw op grond van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek. Bij tussenbeschikking heeft de rechtbank voorshands bewezen verklaard dat de vrouw en haar nieuwe partner samenwonen als waren zij gehuwd. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.Volledige uitspraak
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/340942 / FA RK 25-2893
beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw of de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. K. Eliyo,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man of de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 13 november 2025;
-
aanvullende stukken van mr. Eliyo van 14 en 19 november 2025;
-
het verweerschrift met bijlagen met een zelfstandig verzoek, binnengekomen op
6 januari 2026;
- aanvullende stukken van mr. Eliyo van 9 en 13 januari 2026.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten
deuren op 15 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
2De feiten
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
Zij hebben samen de navolgende kinderen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2018,
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2021.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betekent dat zij samen de
belangrijke beslissingen over hen nemen.
De ouders hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verblijven. Het wisselmoment is op woensdagmiddag 17.30 uur. De rechtbank heeft het ouderschapsplan, deel uitmakend van het echtscheidingsconvenant, in haar beschikking van 18 juli 2023 opgenomen.
3Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van
18 juli 2023 te wijzigen en:
a. a) te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wijzigt naar negen dagen bij de vrouw en vijf dagen bij de man, met wisselmomenten op schooldagen;
b) te bepalen dat de kinderrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] dient te worden opgeheven, dat het saldo op het moment van het wijzen van de beschikking wordt gesplitst en de tegoeden over te boeken naar afzonderlijke spaarrekeningen op de naam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
c) te bepalen dat de vrouw binnen veertien dagen na ontvangst van de kinderbijslag 5/14e deel van het ontvangen geldbedrag aan de man betaalt;
d) te bepalen dat de inschrijving bij de buitenschoolse opvang (BSO) KOSMO, locatie [locatie] wordt geannuleerd, en te gelasten dat de betreffende overeenkomst met ingang van heden wordt beëindigd;
e) althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank rechtens juist acht.
Kosten rechtens.
4Het verweer met een zelfstandig verzoek
De man verzoekt de rechtbank om het verzoek onder 3.1. af te wijzen. Hij verzoekt de rechtbank ook om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
1) te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man op grond van artikel 1:160 BW wordt beëindigd met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2025, dan wel vanaf een datum die uw rechtbank juist acht;
2) te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man terug te betalen de door hem onverschuldigd betaalde partneralimentatie vanaf de datum waarop de alimentatieverplichting van rechtswege is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot de dag der algehele voldoening.
5De beoordeling
Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw stelt dat het geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan de rechtbank voorgelegd kan worden omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De man werkte eerder op de maandag en dinsdag vanuit huis, nu moet de man die dagen op locatie werken. De feitelijke situatie is daarmee gewijzigd. Hij is die dagen minder flexibel en minder beschikbaar voor de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij moeten die dagen naar de BSO terwijl de vrouw hen bij haar thuis kan verzorgen.
De man betwist dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hij heeft enkel een nieuwe opdracht waardoor hij op maandag en dinsdag in Arnhem werkt. Hij verwijst naar artikel 3.4 van het ouderschapsplan waarin de ouders hebben bepaald dat de vader verantwoordelijk is voor de dagelijkse zorg gedurende de tijd dat de kinderen bij hem verblijven. De man vindt dat het aan hem is te bepalen hoe hij de opvang voor de kinderen organiseert als ze bij hem verblijven. Omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden verzoekt de man de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de huidige regeling niet te wijzigen. Als de vader buitenschoolse opvang voor de kinderen inzet voor de dagen dat hij moet werken, dan heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen. De raad vindt dat een goede oplossing voor de kinderen.
De rechtbank kan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan
1. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd moet worden. Er is sprake van een feitelijke wijziging van de locatie waar de man werkt, op basis waarvan hij de keuze heeft gemaakt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen op te laten vangen door de BSO. Die keuze valt onder zijn verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorg voor de kinderen, zoals de ouders in artikel 3.4 van het ouderschapsplan samen zijn overeengekomen. Uit het ouderschapsplan vloeit geen verplichting voort voor de man om, als hij niet zelf de verzorging van de kinderen op zich kan nemen, een beroep op de vrouw te doen. De rechtbank verklaart de vrouw daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen.
Ten aanzien van de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de BSO
De vrouw stelt dat de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de BSO onrechtmatig is omdat zij daar geen toestemming voor heeft gegeven. Volgens de vrouw gaat het om een gezagsbeslissing en is haar toestemming daarom vereist. De vrouw verzoekt de rechtbank de inschrijving te annuleren en de overeenkomst met de BSO te beëindigen.
De man stelt dat de overeenkomst met de BSO een overeenkomst tussen hemzelf en de BSO is. Deze past binnen zijn bevoegdheid de dagelijkse zorg te regelen voor de kinderen voor de tijd dat ze bij hem verblijven. Hij verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 19 januari 2023
2 waarin is bepaald dat verzoeken ten aanzien van een huiswerk- en opvangregeling niet wordt aangemerkt als geschil over de gezamenlijke uitoefening van het gezag. De man vindt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek de inschrijving te annuleren en de overeenkomst met de BSO te beëindigen.
De rechtbank kan in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt
3. De rechtbank is van oordeel dat de inschrijving van kinderen bij een BSO en het aangaan van een overeenkomst met die BSO niet valt onder de gezamenlijke uitoefening van het gezag. De gezamenlijke uitoefening van het gezag ziet onder andere op de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, een verhuizing, medische aangelegenheden of de inschrijving op een school. Zoals ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is geoordeeld in de door de man aangehaalde uitspraak, heeft een inschrijving bij de BSO een zo alledaags karakter. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de ouder om hierover te beslissen. Zo’n zaak leent zich niet voor een oordeel van de rechtbank. De rechtbank verklaart de vrouw daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek om de inschrijving bij de BSO te annuleren en de overeenkomst met de BSO te beëindigen.
Ten aanzien van het opheffen van de kinderrekening en de kinderbijslag
De vrouw verzoekt de rechtbank om de kinderrekening op te heffen en het saldo op het moment van wijzen van de beschikking te splitsen en over te maken naar twee spaarrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw verzoekt daarbij te bepalen dat zij binnen veertien dagen na ontvangst van de kinderbijslag 5/14e deel van het ontvangen geldbedrag aan de man betaalt. Reden voor deze verzoeken is dat uitgaven vanuit de kinderrekening regelmatig aanleiding zijn voor discussie tussen de ouders.
De man stelt in te kunnen stemmen met de opheffing van de kinderrekening. De man zal de kinderalimentatie en de in het echtscheidingsconvenant onder punt 7.1 opgenomen bijdrage van € 137,- per maand overmaken naar de rekening van de vrouw. De man vindt dat de kinderbijslag naar rato van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verdeeld moet worden.
De ouders zijn het eens over de opheffing van de kinderrekening en de gelijke verdeling van het saldo daarvan op de datum van deze beschikking over de spaarrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook zijn de ouders het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden dat de kinderbijslag naar rato van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken verdeeld zal worden. De rechtbank zal, gelet op de overeenstemming tussen partijen, hieromtrent een verstaansbeslissing geven.
Nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk is in haar verzoek om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, blijft de huidige verdeling in stand. Beide ouders dragen evenredig bij aan de zorg en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Omdat de ouders het eens zijn geworden dat de kinderbijslag naar rato van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verdeeld zal worden, heeft elk van hen dan ook recht op de helft van de kinderbijslag.
Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat de kinderrekening op zichzelf niet de oorzaak is van discussie tussen de ouders, maar de wijze waarop zij samen uitvoering geven aan het ouderschap. Ook als er geen kinderrekening is, zullen de ouders afspraken moeten maken over de aanschaf van bijvoorbeeld een nieuwe fiets voor de kinderen. De ouders vinden allebei dat overleg zeer moeizaam gaat, terwijl constructief overleg hard nodig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders afgesproken om een hulpverleningstraject te gaan starten om de wijze waarop zij samenwerken als ouders te verbeteren. De ouders zullen zich daarvoor melden bij de wijkcoach van de gemeente Rijssen-Holten. De rechtbank wijst de ouders op de mogelijkheid zich via de wijkcoach aan te melden voor BRAM
4.
Ten aanzien van de beëindiging van de onderhoudsverplichting op basis van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.
Volgens vaste jurisprudentie moet voor een geslaagd beroep op de omstandigheid dat de wederpartij is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en haar nieuwe partner, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast.
5 De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest. De stelplicht en bewijslast ter zake deze bepaling ligt bij degene die zich beroept op de omstandigheid dat de wederpartij is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd.
6
De man stelt dat de situatie van artikel 1:160 BW zich voordoet en dat aan alle vereisten van de jurisprudentie is voldaan. De vrouw heeft een duurzame affectieve relatie met de [naam 2] . Volgens de man hebben de vrouw en de [naam 2] een relatie sinds medio januari 2025. De vrouw heeft de [naam 2] in het voorjaar van 2025 voorgesteld aan de kinderen en is mogelijk een weekend met hem samen naar Parijs geweest. De vrouw is met de [naam 2] en de kinderen in de zomervakantie op vakantie geweest. De man stelt dat de vrouw en de [naam 2] elkaar verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De man heeft bij de woning van de vrouw geobserveerd hoe vaak de [naam 2] aanwezig was. Daaruit heeft hij afgeleid dat de [naam 2] sinds september 2025 tot en met december 2025, toen de man op last van de politie moest stoppen met de observaties, bijna dagelijks bij de vrouw verbleef. De auto of motor van de [naam 2] is op verschillende tijdstippen op de dag waargenomen. De man heeft een overzicht van de observaties, deels onderbouwd met fotomateriaal, overgelegd. De [naam 2] gaat met de kinderen naar de speeltuin, koopt patat voor de vrouw en de kinderen, brengt de caravan van de vrouw weg en klust bij de vrouw thuis of in de caravan. De [naam 2] rijdt in de auto van de vrouw, is aanwezig bij het sinterklaasfeest van de kinderen en is aanwezig bij activiteiten van de school van de kinderen.
De vrouw stelt dat de relatie niet in januari 2025 is gestart, maar pas in april of mei 2025. Ze weet niet wanneer de relatie precies is gestart, omdat deze vanuit een vriendschap is ontstaan. Ze is met de [naam 2] naar Parijs geweest, maar ze weet niet meer wanneer dit was. In de zomervakantie was ze zelf met de kinderen op vakantie, de [naam 2] heeft ongeveer de helft van de vakantie bij hen op het vakantieadres verbleven. De vrouw stelt dat ze niet samenwoont met de [naam 2] , hij staat elders ingeschreven en beschikt over een eigen woning waar hij zijn persoonlijk leven en vaste lasten heeft. De lijst met observaties van de man klopt volgens de vrouw niet op alle punten. Ze weet niet op welke punten het niet klopt want ze heeft de lijst niet exact nagekeken. Als de auto of motor van de [naam 2] bij haar staat, dan zijn ze wel samen. De vrouw geeft aan dat er geen sprake van wederzijdse verzorging. Er is geen financiële verwevenheid tussen de vrouw en de [naam 2] , er zijn geen gezamenlijke rekeningen, geen structurele bijdragen in elkaars kosten en gedeelde verzekeringen of vaste lasten. De kosten voor uitjes die ze maken worden bij helfte gedeeld, de ene keer betaalt de vrouw, de andere keer de [naam 2] . Soms betaalt zij de toegang en hij de lunch. Er wordt niet onderling verrekend. De vrouw houdt geen administratie bij. De boodschappen betaalt de vrouw als de kinderen bij haar zijn, het gros van de boodschappen doet de vrouw zelf, zij kookt voor de [naam 2] . De vrouw heeft een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de [naam 2] , de polis van haar zorgverzekering en bankafschriften van haar betaalrekening overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.
Affectieve relatie van duurzame aard
Niet in geschil is dat er tussen de vrouw en de [naam 2] een affectieve relatie bestaat, de vrouw heeft het bestaan van de relatie bevestigd. De vrouw kan geen duidelijkheid geven over het ontstaan van de relatie en de tijdlijn sinds de start hiervan. Wat wel is vast komen te staan, is dat de vrouw de [naam 2] al langer vanuit een vriendschap kent en een relatie met hem heeft gekregen, hem aan de kinderen heeft voorgesteld, met hem een weekend in Parijs heeft doorgebracht, met de kinderen en de [naam 2] een deel van de zomervakantie samen heeft doorgebracht en hem heeft betrokken bij schoolactiviteiten en het sinterklaasfeest bij haar ouders. Daarmee is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de relatie een bestendig karakter heeft, wat maakt dat van duurzaamheid uitgegaan kan worden.
Samenwoning
De rechtbank overweegt dat het feit dat de vrouw en de [naam 2] beiden nog een eigen woning aanhouden, op zichzelf niet hoeft uit te sluiten dat sprake is van samenleven als gehuwden. Uit de door de man overgelegde lijst met observaties en foto’s leidt de rechtbank af dat de [naam 2] in de maand oktober 2025 gedurende 23 dagen en nachten bij de vrouw heeft verbleven, in de maand november 2025 op 21 dagen en nachten en in de periode van 1 tot en met 17 december 2025 tijdens 12 dagen en nachten. Uit de lijst met observaties wordt ook duidelijk dat de [naam 2] langere periodes aaneengesloten bij de vrouw verblijft, tot een periode van 9 dagen achtereen. De vrouw heeft niet duidelijk gemaakt welke observaties niet kloppen en heeft bevestigd dat als de auto of motor van de [naam 2] bij haar staat, ze ook samen zijn. Daarmee wordt duidelijk dat het zwaartepunt van het verblijf van de [naam 2] vanaf oktober 2025 in de woning van de vrouw ligt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw en de [naam 2] in ieder geval vanaf 1 oktober 2025 feitelijk samenwonen.
Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging
Voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW moet sprake zijn van een daaruit voortvloeiende gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Dit impliceert een zekere verstrengeling, in die zin dat betrokkenen bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, vast dat:
- de [naam 2] veelvuldig bij de vrouw verblijft;
- de vrouw dan de boodschappen doet en betaalt;
- de vrouw voor de [naam 2] kookt;
- de [naam 2] klussen doet in en om de woning van de vrouw;
- de vrouw en de [naam 2] over en weer elkaars auto gebruiken;
- de vrouw en de [naam 2] samen en samen met de kinderen uitjes en vakanties beleven en daarbij de kosten delen;
- er geen administratie is waaruit volgt dat de vrouw en de [naam 2] een gescheiden administratie hebben.
Onder deze omstandigheden en vanuit de affectieve relatie van duurzame aard oordeelt de rechtbank dat voorshands aannemelijk is dat de vrouw en de [naam 2] sinds
1 oktober 2025 samenleven als waren zij gehuwd. Vanuit dit voorshands oordeel is het vervolgens aan de vrouw om tegenbewijs te leveren. Zij zal daarom worden toegelaten tot het tegenbewijs van het voorshands geleverde bewijs van de stelling van de man dat de vrouw en de [naam 2] met elkaar samenleven als waren zij gehuwd, waarbij er sprake is van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
6De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek de inschrijving bij de BSO te annuleren en de overeenkomst met de BSO te beëindigen;
verstaat dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de opheffing van de kinderrekening, de gelijke verdeling van het saldo daarvan op de datum van de beschikking over de spaarrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het naar rato van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verdelen van de kinderbijslag;
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man wordt aangehouden en verwijst de zaak naar de pro forma datum van 12 maart 2026;
laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van de man dat tussen de vrouw en de [naam 2] vanaf 1 oktober 2025 sprake is van een situatie als is bedoeld in artikel 1:160 BW;
bepaalt dat de vrouw uiterlijk 12 maart 2026 schriftelijk de rechtbank en de wederpartij op de hoogte dient te stellen of, en zo ja, op welke wijze zij het tegenbewijs wil leveren;
bepaalt, als de vrouw getuigen wil laten horen, dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op een nog nader te bepalen datum en tijdstip, na opgave door partijen van hun verhinderdata over de maanden april en mei 2026 aan de griffie van de rechtbank;
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier. |
||
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
-
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e Burgerlijk Wetboek
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 19 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:127
BRAM is een samenwerking van Avedan, Wijkteams Enschede en Wijkracht en helpt ouders na een scheiding met in gesprek gaan, overleggen en afstemmen.
Hoge Raad 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603
Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
