Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4705

Essentie (gemaakt door AI)

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing met aanvullingen: moeder verzoekt vervallenverklaring; GI verzoekt bekrachtiging met dwangsom. Kinderrechter oordeelt dat aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en in belang van kinderen is, gelet op positieve begeleide omgang en ontbreken recente incidenten. Aanvulling: tragere opbouw (ieder fase drie momenten), start met één uur onbegeleid gevolgd door begeleiding, voor- en nabespreking, psycho-educatie en uitgebreide verslaglegging aan moeder. Verzoek dwangsom wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Aanwijzing GI blijft in stand maar opbouw omgang moet rustiger met betere verslagen voor moeder
Schriftelijke aanwijzing bekrachtigd maar opbouw in omgang vader/kind moet rustiger en GI moet moeder beter en tijdig informeren met duidelijke verslagen over de omgang, zodat zij daar voldoende zicht op houdt en vertrouwen krijgt.

Datum publicatie25-06-2026
ZaaknummerC/02/445853 / JE RK 26-400
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsMiddelburg
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

bekrachtiging schriftelijke aanwijzing met aanvullingen

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/445853 / JE RK 26-400

Datum uitspraak: 30 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026;

  • het bericht van de moeder met bijlage van 31 maart 2026;

  • het verweerschrift van de GI d.d. 10 april 2026 met bijlagen;

  • de ter zitting overgelegde gespreksaantekeningen van de moeder.

Na afloop van de zitting heeft de kinderrechter kennis genomen van het bericht van de vader, die kort voor de zitting door de rechtbank is ontvangen.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is met voorafgaande kennisgeving niet naar de zitting gekomen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

2.3.

Bij beschikking van 25 juni 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 juni 2024 en tot 25 maart 2025.

2.4.

Bij beschikking van 1 oktober 2025 heeft de kinderrechter, onder wijziging van de beschikking van 27 juli 2016 (en het door partijen op 1 juli 2016 getekende ouderschapsplan), de volgende zorgregeling vastgesteld:

  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben (minimaal) in de even weken twee uur omgang met de vader;

  • Deze omgang wordt uitgebreid aan de hand van het faseplan van de GI, onder regie van de GI.

2.5.

Bij beschikking van 16 maart 2026 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 25 maart 2027.

2.6.

De GI heeft de moeder op 3 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende besluit opgenomen:

U werkt mee met het laten doorgaan van de omgang tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en hun vader conform het faseplan dat door JBw is opgesteld (en reeds door de rechtbank op 1 oktober 2025 is vastgesteld), ook in de fasen van gedeeltelijk en eventueel later geheel onbegeleid contact.”

3De verzoeken

3.1.

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI d.d. 3 maart 2026 vervallen te verklaren.

3.2.

De GI verzoekt het verzoek van moeder af te wijzen en bij wege van beslissing op het zelfstandig verzoek op grond van artikel 1:263 lid 3 BW de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en op grond van artikel 1:263 lid 3 BW een dwangmiddel op te leggen, te weten een dwangsom conform artikel 611a Rv ter hoogte van € 200,- voor iedere keer dat de moeder met gezag de aanwijzing niet naleeft. Tot slot verzoekt de GI de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4De standpunten

4.1.

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing, die de GI haar heeft gegeven en waarin zij verplicht wordt haar medewerking te verlenen aan het faseplan en in het verlengde daarvan aan de onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , vervallen te verklaren. De moeder stelt - kort samengevat - dat Veilig Thuis drie jaar geleden heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van kindermishandeling gepleegd door de vader. Bij de vader is al jarenlang sprake van een patroon van geweld, niet enkel met betrekking tot de kinderen maar ook tot derden. Dit vormt de basis van de zorgen van moeder en is ook de reden dat de kinderen onder toezicht staan. De vader bagatelliseert zijn gedrag, het ontbreekt hem aan inzicht hierin en hij legt zijn probleem bij anderen. Tot op heden zijn er geen aantoonbare interventies ingezet om de vader te leren zijn emoties beter te reguleren. Zelfs de rechtbank heeft eerder de noodzaak hiervan bevestigd. De moeder begrijpt niet op basis waarvan geconcludeerd wordt dat de uitbreiding naar onbegeleide omgang nu verantwoord is. Het klopt dat de moeder eerder heeft ingestemd met het door de GI opgestelde faseplan en het daarin opgenomen onbegeleide contact, maar dit heeft zij gedaan in de veronderstelling dat er duidelijke (veiligheids)afspraken gemaakt zouden worden. De moeder voelt zich in haar zorgen niet serieus genomen door de GI. De moeder is niet tegen de omgang van de kinderen met hun vader, maar het moet wel veilig zijn. Gedragspatronen en -problemen, zoals de emotieregulatie problemen van de vader, veranderen niet plots, aldus de moeder. Zij begrijpt dat de kinderen aangeven zich veilig te voelen bij hun vader en meer contact te wensen. Omdat de begeleide omgang goed verloopt, denkt de moeder dat de kinderen de veiligheid niet goed kunnen inschatten. Zij vreest dat als afgeschaald wordt naar onbegeleide omgang er wederom fysieke of verbale mishandeling zal plaatsvinden en dat de kinderen nog meer trauma zullen oplopen. Met name het gedrag van [minderjarige 1] was in het verleden een lastig punt voor de vader en kan mogelijk voor hem een trigger zijn. Er is nog altijd geen psycho-educatie hierop ingezet. De voorvallen tijdens de omgang bevestigen de moeder dat er nog steeds sprake is van onveiligheid dan wel onvoldoende stabiliteit. Als voorbeeld benoemt de moeder de belastende appberichten die de vader aan [minderjarige 2] heeft gestuurd en het uitnodigen van de grootouders tijdens een omgangsmoment zonder dit eerst voor te leggen aan de kinderen. Daarnaast heeft [minderjarige 2] bij de hulpverlening uitgesproken dat zij onbegeleide contacten met de vader niet aandurft. De moeder is bang dat de kinderen zich uit angst voor de reactie van de vader niet durven uit te spreken zodra zij zich bij de vader onveilig voelen. Omdat een veiligheidsplan of signaleringsplan nog altijd ontbreekt, kan de moeder niet anders dan haar toestemming voor onbegeleide omgang weigeren. De moeder vindt het belangrijk dat er veiligheidsafspraken komen, waar ook de kinderen in worden meegenomen zodat zij weten wat zij kunnen doen op het moment dat zij zich bij de vader niet veilig voelen. Dit moet al opgepakt worden in de huidige (begeleide) fase, zodat de kinderen weten wat zij moeten doen als de overstap wordt gemaakt naar onbegeleide omgang in fase 2. De moeder vreest dat als nu de stap wordt gezet naar 1 uur onbegeleid gevolgd door 2 uur begeleid al snel de stap naar een volledige dag onbegeleid zal volgen. De GI heeft tot op heden de angst van moeder niet kunnen wegnemen door onderbouwd aan te tonen dat de gedragsproblemen van de vader tot het verleden behoren en dat de veiligheid van de kinderen bij hem voldoende gewaarborgd is. In de recente risicoanalyse zijn op onverklaarbare wijze de eerdere zorgpunten verdwenen en wordt het risico op onveiligheid op laag ingeschat, terwijl dit een jaar geleden nog als hoog werd gekwalificeerd en er geen interventies hierop zijn ingezet. Daarnaast ontvangt zij geen omgangsverslagen, waardoor het voor haar niet mogelijk is om een eigen beeld te vormen omtrent het verloop van de omgang en om de conclusies die door de GI hieruit getrokken worden inzichtelijk te krijgen. Ten aanzien van de dwangsom stelt de moeder dat het gaat om de veiligheid van de kinderen. Het is niet passend om daar een prijs aan te hangen.

4.2.

De GI is van mening dat de volgende stap van het faseplan ingezet kan worden. De vader heeft inmiddels al bijna twee jaar begeleid contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op dit moment hebben de kinderen structureel om de week gedurende drie uur begeleide omgang met hun vader. In het faseplan zijn evaluatiemomenten gepland. Nu de moeder geen toestemming geeft voor onbegeleide omgang, kan de volgende stap in het faseplan niet worden gemaakt en stagneert het in fase 1. In oktober 2025 heeft de rechtbank een duidelijke opdracht aan de GI gegeven, in die zin dat zij de regie moet voeren over de uitvoering van het faseplan. De zorgen van de moeder zijn destijds hierin meegewogen. De GI heeft geprobeerd te concretiseren waar de risico’s op onveiligheid liggen, maar kan de zorgen van de moeder niet hard maken met concreet gedrag van de vader en/of feiten. Al twee jaar lang vinden er geen veiligheidsincidenten plaats waaruit verbale/fysieke agressie vanuit de vader blijkt. Er is een positieve samenwerking tussen de GI en de vader. Het klopt dat de vader trauma’s heeft vanuit zijn jeugd en hij heeft daar eerder hulp voor gezocht. Inmiddels geeft hij aan een stabiel leven te hebben en meer rust te ervaren. Hij heeft geen hulpvraag meer. De GI ziet geen meerwaarde in het afdwingen van therapie, maar ziet wel mogelijkheden om psycho-educatie en opvoedondersteuning in te zetten. Dit kan echter pas als de omgang verder wordt uitgebreid en de vader meer te maken krijgt met opvoedsituaties/-vragen. Voor nu wordt het verloop van de omgang door de begeleiding met de vader voor- en nabesproken en krijgt hij handvaten aangereikt om optimaal te kunnen aansluiten bij de kinderen. De GI herkent dan ook niet dat er niks gebeurt, zoals de moeder stelt. De GI is het ermee eens dat de vader het eerder niet goed heeft ingeschat door onverwachts opa en oma uit te nodigen om te komen eten tijdens een omgangsmoment met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] was hierdoor overvallen. Daarnaast heeft de vader belastende appjes naar [minderjarige 2] gestuurd. De vader is hierop aangesproken. Hoewel hij niet daadwerkelijk zijn excuses heeft aangeboden, heeft hij wel uitgesproken dat hij dit niet had moeten doen. [minderjarige 2] vond dit prima. Het is duidelijk dat de kinderen geen onveiligheid ervaren bij de vader en spreken uit dat zij graag ‘normaal’ contact met hun vader willen. Hierover zijn meermaals gesprekken gevoerd met de moeder. Ondanks de wens van de kinderen en het vastgestelde faseplan blijft de moeder dit afhouden. De moeder heeft eerder voorgesteld om videotoezicht in te zetten. Volgens de GI is dit een te zwaar middel en niet passend in de huidige situatie. Videotoezicht vindt plaats op een neutrale locatie en kan worden ingezet voor het waarborgen van de veiligheid van de betrokkenen en de omgangsbegeleiding. De omgang vindt nu bij vader thuis plaats en dit zou dus een stap achteruit betekenen. In de huidige omstandigheden kan de GI niet anders dan concluderen dat er geen signalen worden gezien die pleiten voor begeleide omgang. De GI blijft bij haar standpunt dat de volgende stap in het faseplan gezet kan worden, in die zin dat het eerste uur onbegeleid zal plaatsvinden. De daarop volgende twee uur zal de begeleider aanwezig zijn en de reacties van de kinderen goed monitoren. Als de kinderrechter de visie van de GI deelt en oordeelt dat het faseplan zijn vervolg moet krijgen, is de GI bezorgd dat dit niet van de grond komt als er geen consequenties aan verbonden worden. De GI verzoekt daarom de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en ter nakoming hiervan de moeder een dwangsom op te leggen. Tot slot benoemt de GI te begrijpen dat verslaglegging van de omgangsmomenten de moeder zicht kan geven op het verloop ervan. De moeder ontvangt nu na elk omgangsmoment een korte mondelinge terugkoppeling over het verloop hiervan. Wanneer de GI de omgangsbegeleider vraagt te observeren op specifieke punten, dan wordt dit schriftelijk vastgelegd, anders niet. De GI zal de omgangsbegeleider verzoeken om dit voortaan ten aanzien van elk omgangsmoment op te pakken in de hoop dat dit de moeder kan helpen om haar zorgen over de veiligheid van de kinderen in het contact met de vader weg te nemen dan wel te doen verminderen.

4.3.

De vader heeft in zijn bericht aan de kinderrechter laten weten dat hij niet naar de zitting zal komen. Al jaren vecht hij voor zijn kinderen, die heel graag bij hem willen zijn, en moet hij zich verdedigen tegen de leugens van de moeder. De moeder trekt alles uit de kast om de kinderen bij hem weg te houden, terwijl de vader ook ernstige zorgen heeft over de opvoeding van de kinderen bij de moeder. De vader hoopt dat de kinderrechter het advies van de GI volgt en goed naar de kinderen luistert.

4.4.

[minderjarige 1] heeft verteld dat hij zijn vader om de week drie uur ziet. [minderjarige 1] begrijpt niet zo goed waarom dit nu zo is en waarom het niet zo is zoals vroeger waarbij hij een heel weekend bij zijn vader was. Dit houdt hem bezig en zorgt ervoor dat hij zich soms op school niet goed kan concentreren. [minderjarige 1] denkt dat dit komt door de keer dat papa bij school de deur van de auto van mama, waarin hij zelf ook zat, probeerde open te doen. [minderjarige 1] vindt het leuk om naar zijn vader te gaan. Hij voelt zich veilig bij hem en zou het nog leuker vinden als hij een weekend naar papa kan gaan. [minderjarige 1] weet dat mama hier anders over denkt. Hij vindt het belangrijk dat zijn ouders met elkaar gaan leren praten. Volgens [minderjarige 1] kan hij goed met [persoon] praten over wat hem zoal bezig houdt.

4.5.

[minderjarige 2] heeft de kinderrechter verteld dat zij een goed contact heeft met papa. Ze bellen en appen en papa komt kijken bij de hockey. Dit vindt zij fijn. [minderjarige 2] vindt de huidige regeling prima, eventueel met een opbouw naar twee keer in de week, zolang het maar niet op aaneensluitende dagen is. Een weekend vindt zij echt teveel. Ook vindt [minderjarige 2] één uur omgang zonder de aanwezigheid van de begeleiding prima. Het contact moet in kleine stapjes opgebouwd worden. Wel moet het dan zo zijn dat haar ouders beter met elkaar omgaan.

5De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge artikel 1:263 lid 1 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt.

5.2.

Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb). In dat kader dient de kinderrechter te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Wat de inhoudelijke toets betreft, dient de kinderrechter te beoordelen of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige is.

5.3.

Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat een dergelijk verzoek binnen twee weken, met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt, moet worden ingediend.

Ontvankelijkheid van het verzoek

5.4.

De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Vast is komen te staan dat aan de moeder, als gezaghebbende ouder, een schriftelijke aanwijzing is gegeven op 3 maart 2026, welke kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb. Het betreft immers een schriftelijk bericht dat afkomstig is van een bestuursorgaan. In dat bericht wordt een beslissing meegedeeld die een rechtsgevolg voor de moeder teweegbrengt, namelijk dat zij haar medewerking dient te verlenen aan het faseplan en de (on)begeleide omgang tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader.

5.5.

De schriftelijke aanwijzing dateert van 3 maart 2026 en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is op 4 maart 2026 door de rechtbank ontvangen. Dit betekent dat het verzoek tijdig is ingediend. De kinderrechter zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.

Zorgvuldige totstandkoming en deugdelijke motivering

5.6.

Niet in geschil is dat de GI aan de moeder een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing heeft verstuurd, door de moeder ontvangen op 18 februari 2025. Op 3 maart 2026 heeft de GI de schriftelijke aanwijzing naar de moeder verstuurd. De kinderrechter is, op grond van de stukken en hetgeen naar voren is gekomen tijdens de zitting, van oordeel dat de GI zich in voldoende mate heeft ingespannen om met de moeder te overleggen over de contactregeling van de kinderen met de vader zoals opgenomen in het faseplan, alvorens de schriftelijke aanwijzing te geven. Naar aanleiding van de bezwaren van de moeder tegen het faseplan heeft de GI nog een (kort) aanvullend onderzoek gedaan en de GI heeft het faseplan naar aanleiding van de overleggen en de bezwaren van de moeder enigszins aangepast. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en tot stand is gekomen. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende is gemotiveerd nu daarin uitgebreid staat beschreven wat de GI heeft genoodzaakt tot het geven van die aanwijzing.

Inhoudelijke beoordeling

5.7.

De kinderrechter verwijst als eerste naar de beschikking van 1 oktober 2025. In deze beschikking is het verzoek van de GI om de zorgregeling te wijzigen als onweersproken toegewezen. De hierin opgenomen zorgregeling betreft een voorlopige regeling, waarbij het de bedoeling was dat deze zou worden uitgebreid aan de hand van het door de GI opgestelde faseplan en de afspraken die de ouders zouden gaan maken ten behoeve van het ouderschapsplan. De moeder heeft destijds hiermee ingestemd. Nu blijkt dat zij dit heeft gedaan in de veronderstelling dat er nadere afspraken gemaakt zouden worden met betrekking tot de veiligheid van de kinderen in het contact met de vader. De behoefte van de moeder hiertoe is ingegeven door haar angst naar aanleiding van de onveiligheid die zij en de kinderen in het verleden hebben ervaren rondom de emotieregulatieproblemen van de vader. Zij is er niet gerustgesteld op dat de veiligheid van de kinderen in het contact met de vader is geborgd wanneer dit onbegeleid zal plaatsvinden, nu er tot op heden geen (afgeronde) interventies zijn ingezet ten aanzien van de emotieregulatie en coping van vader. Dit heeft tot gevolg dat zij haar toestemming weigert voor de volgende stap in het faseplan, te weten onbegeleide contactmomenten, beginnend met één uur. De GI heeft naar aanleiding van de zorgen van de moeder getracht de risico’s op onveiligheid te onderzoeken en te concretiseren, maar komt tot de conclusie dat er geen signalen worden gezien die de zorgen van de moeder bevestigen. De vader ziet inmiddels al ruim anderhalf jaar zijn kinderen onder begeleiding. Deze bezoeken verlopen positief. De kinderen zien hun vader graag en hebben de wens uitgesproken het contact te normaliseren en onbegeleid te willen aangaan. Vanuit de kinderen komen geen signalen van onveiligheid. Daarnaast zijn er in de afgelopen twee jaar geen incidenten geweest rondom de vader en zijn gezin.

5.8.

De kinderrechter moet net als de GI concluderen dat er in de afgelopen twee jaar geen voorvallen hebben plaatsgevonden waarbij de veiligheid van de kinderen in het contact met de vader in het geding is geweest. De kinderrechter vindt de appberichten die vader aan [minderjarige 2] heeft gestuurd wel zeer kwalijk en zij hoopt dat dit niet meer zal voorkomen, maar deze berichten hebben geen blijvend onveilig gevoel gecreëerd bij [minderjarige 2] . Beide kinderen hebben tijdens het kindgesprek naar de kinderrechter uitgesproken een fijn contact te hebben met hun vader en ook dat zij open staan voor een uitbreiding hiervan met de nuance vanuit [minderjarige 2] dat zij liever niet een heel weekend naar vader en een opbouw in kleine stapjes wil. [minderjarige 1] uit ook bij [persoon] , zijn hulpverlener van [hulpverlening] , geen signalen over onveiligheid in het contact met de vader. De vader heeft, zo heeft de GI ter zitting naar voren gebracht, behandeling gehad hij [afdeling] vanwege trauma ontstaan in zijn jeugd. Vaders stress vanwege de ondertoezichtstelling en het uitblijven van onbelast contact met de kinderen stond deze therapie echter in de weg. De GI heeft niet in het dossier van [afdeling] gelezen dat de therapeut heeft vastgesteld dat er sprake is van agressieproblematiek bij de vader. De GI constateert dat de vader zijn leven op de rit heeft en dat hij inmiddels geen hulpvraag meer heeft, bijvoorbeeld ten aanzien van zijn emoties. Naar het oordeel van de kinderrechter ontbreken gedegen argumenten om fase 1 te handhaven en om niet over te gaan tot de volgende stap in fase 2, onbegeleid contact. De schriftelijke aanwijzing ter nakoming van het faseplan is dan ook naar het oordeel van de kinderrechter op goede gronden en in het belang van de kinderen gegeven. Het is belangrijk dat het faseplan zijn vervolg krijgt. De kinderrechter heeft daarbij wel oog voor het wantrouwen en de angstgevoelens van de moeder en hoopt dat dit weggenomen kan worden door een rustigere opbouw van het contact en met gedegen verslaglegging van de contacten met de vader. De kinderrechter begrijpt niet waarom die verslaglegging nog niet consequent heeft plaatsgevonden, gelet op de gevoelens van de moeder met betrekking tot de contacten van de kinderen met de vader. Het is van belang dat die verslaglegging gaat volgen zodat de moeder kan teruglezen hoe de contacten zijn verlopen en of er al dan niet door de omgangsbegeleider interventies zijn gedaan. Naar verwachting zal een meer rustige opbouw met verslaglegging van de contacten meer kans van slagen geven om het uiteindelijke doel van het faseplan te realiseren dan het op dit moment af te dwingen bij de moeder. De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing dan ook bekrachtigen, met daarbij de aanvulling dat de fases in een minder snelle opbouw zullen plaatsvinden. Dit houdt in dat in elke fase drie contactmomenten zullen plaatsvinden in plaats van twee en dat vervolgens het verloop ervan steeds geëvalueerd wordt alvorens overgegaan wordt naar de volgende fase. De kinderrechter oordeelt dat thans de stap gezet kan worden naar onbegeleid contact in fase 2, wel met dien verstande dat het contactmoment goed voor- en nabesproken wordt met de vader door de omgangsbegeleider (IAG) waarbij ook aandacht wordt besteed aan psycho-educatie, daar de vader lange tijd niet zelfstandig voor de kinderen heeft gezorgd en hij goed voorbereid wordt op de opvoedsituaties/-vragen die ongetwijfeld komen gaan. Daarbij dient ook de kindeigen-problematiek van [minderjarige 1] meegenomen te worden. Tevens dient de omgangsbegeleider oog te hebben voor de reactie van de kinderen na afloop van het eerste uur dat onbegeleid zal plaatsvinden, verwacht de kinderrechter van de GI dat er meer verslaglegging zal plaatsvinden en dat de reactie die de kinderen gedurende het contactmoment laten zien hierin duidelijk wordt beschreven. De moeder dient deze omgangsverslagen te ontvangen, zodat zij meer zicht kan krijgen op het verloop van de bezoeken. Met de voornoemde waarborgen verwacht de kinderrechter dat er voldoende tegemoet gekomen wordt aan de behoefte van de moeder. Hopelijk kan dit haar vertrouwen in het contact van de kinderen met hun vader doen toenemen.

5.9.

Tot slot oordeelt de kinderrechter dat zij geen aanleiding ziet om de nakoming van het faseplan af te dwingen door het opleggen van een dwangsom aan de moeder. De moeder heeft ter zitting nogmaals duidelijk bevestigd dat zij achter het contact van de kinderen met hun vader staat, maar dat haar angst voor onveiligheid van haar kinderen haar belemmert om toestemming te geven voor de inzet van onbegeleid contact. De kinderrechter hoopt dat de stappen die van de GI en de omgangsbegeleiding worden verwacht haar meer zicht geven op het verloop van de contactmomenten en haar meer gerust stelt ten aanzien van de veiligheid van de kinderen wanneer zij bij de vader verblijven. Door de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen verwacht de kinderrechter van de moeder dat zij hier gevolg aan zal geven. Het opleggen van een dwangsom vindt de kinderrechter voor nu een te vergaand middel. Het hiertoe strekkende verzoek van de GI zal daarom worden afgewezen.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 3 maart 2026 ten aanzien van het opbouwen van het contact tussen de kinderen en de vader conform het faseplan, met de aanvullingen zoals opgenomen in r.o. 5.8;

6.2.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het verzoek van de moeder ten aanzien van het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing af;

6.4.

wijst het verzoek van de GI tot het opleggen van een dwangsom af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. 1



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733