Rechtbank Gelderland 11-06-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5023

Essentie (gemaakt door AI)

Verzoeken wijziging hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie. Wijziging hoofdverblijf van zoon wordt afgewezen: geen wijziging zorgverdeling en zuiver financieel motief onvoldoende. Verzoek zorgregeling dochter is ingetrokken. Geen grove miskenning bij eerdere afspraken; wel gewijzigde omstandigheden. Behoefte blijft €490 p.p.; geen herberekening op basis van gestegen NBI man. Geen onderhoudsplicht voor kinderen nieuwe partner ondanks notariële afspraak. Man betaalt €391 p.m. voor dochter en €98 p.m. voor zoon.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Notarieel vastgelegde onderhoudsverplichting voor kinderen creëert geen wettelijke onderhoudsplicht
De in de notariële samenlevingsovereenkomst met de nieuwe partner vastgelegde onderhoudsplicht voor elkaars kinderen creëert geen wettelijke onderhoudsplicht van de man voor de kinderen van zijn partner. Rb houdt daar geen rekening mee.

Datum publicatie25-06-2026
ZaaknummerC/05/462360/FA RK 26-302
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie; Samengestelde gezinnen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek wijziging hoofdverblijf en kinderalimentatie. Rechtbank wijst verzoek wijziging hoofdverblijf af omdat geen sprake is van een wijziging in de zorgregeling. Zuiver financieel motief onvoldoende voor wijziging. Huidige inkomen niet maatgevend voor beoordeling of ten tijde van het maken van de afspraken over de kinderalimentatie sprake is geweest van grove miskenning wettelijke maatstaven. Rechtbank neemt wel wijziging van omstandigheden aan. Geen aanleiding om behoefte opnieuw te berekenen op basis van gestegen NBI van de man. De in de notariële samenlevingsovereenkomst met de nieuwe partner vastgelegde onderhoudsplicht voor elkaars kinderen maakt niet dat sprake is van een wettelijke onderhoudsplicht van de man voor de kinderen van zijn partner. De rechtbank houdt geen rekening met de kinderen van de nieuwe partner bij de beoordeling van de kinderalimentatie, ook omdat niet is gebleken dat de juridische ouders onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van die kinderen te voorzien.

Volledige uitspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/462360 / FA RK 26-302

Datum uitspraak: 11 juni 2026

beschikking wijziging hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie

in de zaak van

[naam vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonend in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,

advocaat mr. C.M. Steenhoff uit Wageningen,

en

[naam man] ,

hierna te noemen de man,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. R.S. Eijgenraam uit Ede.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 26 januari 2026;

  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 19 februari 2026;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, ontvangen op 4 maart 2026;

  • het F9-formulier met bijlage(n) van de vrouw van 4 mei 2026;

  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man van 12 mei 2026.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 21 mei 2026 zijn beide partijen, in het bijzijn van hun advocaten, gehoord. Ook was er een zittingvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) aanwezig.

1.3.

De minderjarige [de dochter] en [de zoon] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [de zoon] heeft per e-mail zijn mening gegeven. [de dochter] heeft geen gebruik gemaakt van de uitnodiging om haar standpunt schriftelijk en/of mondeling aan de kinderrechter kenbaar te maken.

2De feiten

2.1.

Partijen hebben met elkaar een geregistreerd partnerschap gehad. Het partnerschap is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 21 november 2017.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

  • [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen zijn in het ouderschapsplan, door hen ondertekend op 30 oktober 2017, onder meer overeengekomen dat:

  • [de dochter] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw en op haar adres ingeschreven zal staan;

  • [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en op zijn adres ingeschreven zal staan;

  • de kinderen iedere week van zondagavond 19.00 uur tot en met woensdagochtend bij de vrouw verblijven en van woensdagmiddag tot en met vrijdagmiddag bij de man. De kinderen verblijven van vrijdagavond 19.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw;

  • voor de kinderalimentatie wordt uitgegaan van een behoefte van de kinderen van

€ 719 per maand voor de kinderen gezamenlijk. Partijen dragen ieder de kosten in de eigen huishouding van de kinderen. Ouders gaan gebruik maken van een kinderrekening. De man dient maandelijks € 223 bij te dragen en de vrouw € 155.

2.4.

Partijen zijn medio 2023 onderling overeengekomen om beiden elke maand € 250 op de kinderrekening te storten.

2.5.

De man is op 7 juli 2025 een notariële samenlevingsovereenkomst aangegaan met mevrouw [betrokkene] . Mevrouw [betrokkene] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie.

3De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de hoofverblijfplaats van de minderjarige zoon van partijen te bepalen bij de vrouw en te bepalen dat de zoon voortaan zal worden ingeschreven in de BRP op het adres van de vrouw;

II. te wijzigen de zorgregeling m.b.t. de dochter van partijen, onder de bepaling dat zij, zolang haar trauma therapie niet is afgerond en de relatie met haar vader niet is hersteld, volledig bij haar moeder zal blijven;

III. te wijzigen de financiële afspraken m.b.t. de kinderen, onder de bepaling:

 dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 toekomt de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor de minderjarige zoon van partijen;

 dat de man met ingang van 26 januari 2026 een bijdrage dient te voldoen aan de vrouw:

 in de kosten van de zoon met een bedrag ad € 350,00 per maand, alsmede

 in de kosten van de dochter met een bedrag van € 450,00 per maand,

bij vooruitbetaling telkens per de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen;

 dat de man, zodra de dochter van partijen de 18 jarige leeftijd heeft bereikt, dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de zoon van partijen met een bedrag ad € 450,00 per maand, ervan uitgaande dat de man vanaf dat moment rechtstreeks aan zijn dochter zal voldoen een bedrag ad € 450,00 per maand;

 dat het per heden opgebouwde spaartegoed voor de kinderen op de Groei Groterrekeningen (per heden € 6.730,69 voor [de dochter] en € 6.663,92 voor [de zoon] ) ongewijzigd ten behoeve van de kinderen zal worden gereserveerd tot zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, waarna het de kinderen zal toekomen.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de verzoeken van de vrouw af te wijzen;

  2. bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat tot wijziging van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap van 21 november 2017 met kenmerk C/08/210342/ES RK 17-5572 wordt overgegaan, in die zin dat wordt bepaald dat zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] met ingang van 4 maart 2026 wordt gesteld op een bedrag van € 216 per maand alsmede dat de bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 4 maart 2026 wordt gesteld op een bedrag van € 76 per maand, danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.

De hoofdverblijfplaats van [de zoon]

4.2.

Ter onderbouwing van haar verzoek voert de vrouw aan dat op [de dochter] op korte termijn meerderjarig wordt. Hierdoor zal het inkomen van de vrouw dalen, omdat zij dan niet langer kinderbijslag en kindgebonden budget voor [de dochter] ontvangt. Verder is de man gaan samenwonen met een nieuwe (fiscale) partner, waardoor het kindgebonden budget dat de man voor [de zoon] ontvangt zal dalen. Het is daarom in het belang van [de zoon] als hij voortaan op haar adres staat ingeschreven, omdat dit meer financieel voordeel oplevert, aldus de vrouw.

4.3.

De man acht een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de zoon] niet in zijn belang. Volgens de man leveren de door de vrouw aangevoerde economische overwegingen onvoldoende feiten en omstandigheden op om een wijziging van de hoofdverblijfplaats in het belang van [de zoon] te rechtvaardigen. Verder stelt de man dat hij sinds de ontbinding van het geregistreerd partnerschap alle verblijfsoverstijgende kosten van [de zoon] op zich heeft genomen. Tegen die achtergrond acht hij het onwenselijk de hoofdverblijfplaats van [de zoon] te wijzigen, temeer nu niet kan worden uitgesloten dat bij een verslechtering van de gezondheid van de vrouw op korte termijn opnieuw een wijziging noodzakelijk zou zijn, aldus de man.

4.4.

De Raad heeft het ter zitting aangegeven dat de Raad niet adviseert over financiële kwesties. De Raad heeft in pedagogisch opzicht geen zwaarwegende bezwaren danwel voordelen gehoord die een wijziging van het hoofdverblijf en het inschrijfadres van [de zoon] rechtvaardigen. Wel heeft de Raad partijen de ogen willen laten openen welk effect hun (gebrek aan) onderlinge communicatie op hun kinderen heeft. De Raad acht het zorgelijk dat het partijen kennelijk niet is gelukt om in onderling overleg afspraken te maken over het hoofdverblijf en het inschrijfadres van [de zoon] , waardoor onderhavige procedure noodzakelijk is geworden. Indien partijen openstaan voor hulpverlening om aan hun onderlinge communicatie te werken, dan kunnen partijen zich hiervoor melden bij het wijkteam.

4.5.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen en licht dit als volgt toe. Tussen partijen is niet in geschil dat er al enkele jaren een co-ouderschapsregeling loopt, waarbij [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats en inschrijfadres in de BRP bij de man heeft. Er is geen sprake van een wijziging in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die maakt dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats geboden is, of die maakt dat [de zoon] bij de vrouw ingeschreven dient te staan. Verder is de rechtbank het met de man eens dat een zuiver financieel motief onvoldoende is om alleen op die grond tot wijziging van de hoofdverblijfplaats over te gaan. Hier komt bij dat door de vrouw onvoldoende is gesteld dat het belang van [de zoon] wordt geschaad door het wegvallen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [de dochter] aan de zijde van de vrouw. Zoals hierna bij de kinderalimentatie nader wordt besproken, hebben partijen samen voldoende financiële middelen om in de behoefte van [de zoon] te voorzien.

De zorgregeling

4.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek over de zorgregeling voor [de dochter] ingetrokken, omdat [de dochter] bijna 18 jaar wordt. De rechtbank hoeft daarom het verzoek van de vrouw op dit punt niet meer te beoordelen.

De kinderalimentatie

Conclusie

4.7.

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf 26 januari 2026 een kinderalimentatie van € 391 per maand voor [de dochter] en € 98 per maand voor [de zoon] aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De rechtbank neemt de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het Tremarapport) tot uitgangspunt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Ontvankelijkheid

4.8.

De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als partijen deze eerder hebben afgesproken ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’. 1 Dat wil zeggen dat partijen een heel ander bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken dan het bedrag dat de rechter zou hebben vastgesteld als die van dezelfde gegevens was uitgegaan. Hoewel de vrouw stelt dat hiervan sprake is, heeft zij dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft geen inzage gegeven hoe de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen destijds is berekend, op welke punten deze afwijken van de wettelijke maatstaven en dat sprake is van een grove wanverhouding tussen hetgeen partijen hebben afgesproken en hetgeen de rechter zou hebben vastgesteld. De stelling dat de man thans een hoger inkomen en een hogere draagkracht heeft is hiervoor onvoldoende, te meer omdat de vrouw niet betwist dat de man thans meer uren werkt dan hij deed ten tijde van het uiteengaan van partijen. Het huidige inkomen is dan ook niet maatgevend voor de beoordeling of sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

4.9.

De rechtbank kan de alimentatie ook opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. 2 Partijen zijn het eens dat hiervan sprake is. De man heeft op dit moment geen omgang meer met [de dochter] en er zijn wijzigingen in de beide inkomenssituaties van partijen. Zoals hierna uit de te bespreken berekening blijkt, zijn deze wijzigingen ook rechtens relevant.

Onderhoudsplichtigen

4.10.

Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor [de dochter] en [de zoon] . De man stelt dat hij daarnaast ook onderhoudsplichtig is voor [kind 1] en [kind 2] , de kinderen van zijn nieuwe partner, omdat zij mede door hun hoofdverblijfplaats deel uitmaken van zijn gezin. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2014 3 voert de man aan dat uit de omstandigheden dat (a) [kind 1] en [kind 2] evenredig door hem en zijn partner worden verzorgd, (b) hij en zijn partner samen een woning hebben aangeschaft en derhalve sprake is van een duurzame relatie en (c) zij bij notariële samenlevingsovereenkomst van 7 juli 2025 hebben vastgelegd gezamenlijk de kosten van verzorging en opvoeding van de aanwezige kinderen voor hun rekening te nemen, volgt dat er sprake is van family life als in artikel 8 EVRM. Volgens de man brengen deze omstandigheden mee dat sprake is van een wettelijke uitzondering op de voorwaarde van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap voor het aannemen van een onderhoudsverplichting.

4.11.

De rechtbank volgt dit betoog van de man niet. De Hoge Raad heeft op 8 april 1994 beslist dat als stiefouder van een kind dat tot zijn gezin behoort en een kind van de moeder is in de zin van artikel 1:395 BW slechts kan worden aangemerkt degene die met de moeder is gehuwd (dan wel een geregistreerd partnerschap is aangegaan). Dat is niet anders indien sprake is van een familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen de nieuwe partner en het kind. 4 De rechtbank ziet in de door de man aangedragen omstandigheden geen aanleiding om in deze zaak anders te beslissen. Hierbij weegt voor de rechtbank mee dat onvoldoende is gesteld noch anderszins is gebleken dat de partner van de man en de vader van [kind 1] en [kind 2] samen onvoldoende draagkracht zouden hebben om in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] te voorzien. Bovendien staat het de man vrij om vanuit de zogeheten vrije ruimte in de rekenmethodiek voor de kinderalimentatie, alsnog bij te dragen in de behoefte van [kind 2] en [kind 1] .

Verblijfsoverstijgende kosten en zorgkosten

4.12.

Uit de aard van de verzoeken en de processtukken volgt dat partijen kennelijk niet langer gebruik willen maken van een kindrekening, maar dat zij de kosten van de kinderen willen verdelen door een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen.

4.13.

Doorgaans wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt. [de zoon] heeft zijn hoofdverblijf bij de man en staat bij hem ingeschreven. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van [de zoon] zal betalen. Omdat de man alle verblijfsoverstijgende kosten dient te dragen, gaat de rechtbank in haar berekeningssystematiek ervan uit dat de man de volledige kinderbijslag en het kindgebonden budget zal ontvangen. Omdat [de dochter] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten van [de dochter] zal betalen en dat de vrouw (tot de 18e verjaardag van [de dochter] ) de volledige kinderbijslag en het kindgebonden budget zal ontvangen.

4.14.

Daarnaast geldt als uitgangspunt dat partijen hun eigen kosten betalen die samenhangen met het verblijf van [de zoon] en [de dochter] bij de desbetreffende ouder. Deze zogeheten zorgkosten worden bij de berekening van kinderalimentatie afgeleid van de behoefte van het kind, welke behoefte weer is afgeleid van de welstand waarin partijen eerder als gezin leefden. Het is niet uitgesloten dat de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten en de eigen zorgkosten betaalt, ook nog een bijdrage in de zorgkosten aan de andere ouder moet betalen. 5

Ingangsdatum

4.15.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

4.16.

De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op de datum waarop het inleidende verzoekschrift van de vrouw is binnengekomen, te weten 26 januari 2026. De man wist immers dat hij geen zorgkosten meer had voor [de dochter] , omdat het contact tussen [de dochter] en de man (tijdelijk) is verbroken. Ook wist de man dat de vrouw extra zorgkosten voor [de dochter] had, omdat [de dochter] nu volledig bij de vrouw verblijft. De man kon er daarom rekening mee houden dat de kinderalimentatie zou wijzigen.

Behoefte

4.17.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de kinderen. Uit het ouderschapsplan blijkt dat partijen in 2017 zijn uitgegaan van een behoefte van € 719 voor de kinderen samen. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) bedraagt de behoefte in 2026 € 980 per maand, dus € 490 per kind per maand. De man stelt dat van deze behoefte moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat de behoefte opnieuw moet worden berekend op basis van de huidige inkomensgegevens van partijen, omdat het huidige netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) in 2017. De vrouw berekent de huidige behoefte van de kinderen op € 681 per kind per maand.

4.18.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling dat op basis van de in 2017 vastgestelde behoefte het NBGI € 3.227 moet hebben bedragen. Verder is de rechtbank het met de vrouw eens dat op basis van de aanbevelingen in het Tremarapport er aanleiding kan bestaan om de behoefte van een kind opnieuw te berekenen als het inkomen van een ouder na de scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven.

4.19.

Ter onderbouwing van haar stelling dat een dergelijke situatie zich bij partijen voordoet, heeft de vrouw een draagkrachtberekening overgelegd op basis van de huidige inkomensgegevens van de man. Op basis hiervan kan de rechtbank echter niet beoordelen of sprake is van een hoger NBI van de man dan het NBGI, omdat de berekening van het NBI voor de draagkracht in de systematiek van het Tremarapport op een andere wijze wordt berekend dan het NBI voor de behoefte. Om de juistheid van de stellingen van de vrouw te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank daarom het NBI van de man voor de behoefte opnieuw berekend. Hierbij is de rechtbank uitgegaan van de door de man overgelegde salarisspecificaties van 2026. De rechtbank gaat uit van een brutosalaris van € 3.683 per maand met een vakantietoeslag van 8% en een dertiende maand van eveneens € 3.683 bruto. Verder houdt de rechtbank rekening met een pensioenpremie van € 148 per maand en een premie WW/WGA van € 4 per maand. Dit komt neer op een NBI van € 3.243 per maand. 6

Dit NBI is nagenoeg gelijk aan het NBGI van 2017. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de behoefte van [de dochter] en [de zoon] opnieuw vast te stellen. Als de rechtbank wel aanleiding zou zien om de behoefte opnieuw te berekenen, dan zou op basis van het Tremarapport in dat geval (enkel) het gestegen NBI van de man meetellen bij de berekening van de behoefte en niet (ook) het NBI van de vrouw. In zoverre volgt de rechtbank de door de vrouw overgelegde berekening niet.

4.20.

Op grond van voorgaande gaat de rechtbank uit van een behoefte van [de zoon] en [de dochter] van € 490 per kind per maand in 2026.

Draagkracht partijen

4.21.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 7

4.22.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het NBI van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365).

Draagkracht man

4.23.

Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard en de door hen overgelegde berekeningen blijkt dat beide partijen voor de draagkracht van de man uitgaan van de inkomensgegevens 2026 van de man. De rechtbank neemt daarom de door partijen overgelegde berekeningen tot uitgangspunt. Het enige verschil in de berekeningen van partijen van het NBI van de man is de hoogte van het bedrag aan kindgebonden budget. Dit is verklaarbaar omdat de man in zijn berekening is uitgegaan van drie kinderen (namelijk naast [de zoon] ook [kind 2] en [kind 1] ) en de vrouw van één kind (alleen [de zoon] ). Omdat de rechtbank geen rekening houdt met een onderhoudsplicht voor [kind 1] en [kind 2] , acht de rechtbank het redelijk om het kindgebonden budget voor één kind in aanmerking te nemen. De rechtbank volgt daarom de door de vrouw als productie 21 overgelegde draagkrachtberekening van het NBI van de man. Hieruit volgt een NBI van € 3.679 per maand. Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 847 per maand, dus per kind € 424 per maand.

4.24.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat sprake is van een tekort in draagkracht en dat er daarom aanleiding bestaat om de werkelijke woonlasten van de man te beoordelen. Uit de hierna te bespreken draagkrachtvergelijking blijkt dat partijen samen genoeg draagkracht hebben om in de behoefte van hun kinderen te voorzien.

Draagkracht vrouw

4.25.

Partijen zijn het ook eens om voor de vrouw eveneens uit te gaan van de inkomensgegevens over 2026. De rechtbank volgt hierin de door de vrouw als productie 21 overgelegde draagkrachtberekening van het NBI van de vrouw. Hieruit volgt een NBI van

€ 2.261 per maand. Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 153 per maand, dus per kind € 76 per maand.

Verdeling kosten

4.26.

Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.27.

Partijen hebben samen een draagkracht van (€ 847 + € 153 =) € 1.000 per maand, dus € 500 per kind. Dit is genoeg om alle kosten van [de zoon] en [de dochter] te betalen, want die zijn € 490 per kind per maand. Dit betekent dat de man per kind een deel van (€ 424/€ 500 x € 490 =) € 416 per maand moet dragen en de vrouw per kind een deel van (€ 76/€ 500 x

€ 490 =) € 74 per maand.

Zorgkorting [de dochter]

4.28.

Tussen partijen is niet in geschil dat er momenteel geen omgang is tussen [de dochter] en de man. De rechtbank houdt daarom rekening met een minimale zorgkorting van 5% van de behoefte. Dit komt neer op een bedrag van € 25. Dat betekent dat de man een bedrag van (€ 416 – € 25 =) € 391 per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van [de dochter] .

Bijdrage zorgkosten [de zoon]

4.29.

De rechtbank moeten beoordelen of de vrouw voldoende in staat is om de zorgkosten van [de zoon] te dragen op de momenten dat hij in het kader van de zorgregeling bij haar is.

4.30.

Omdat de bijdrage van de man in de zorgkosten van de vrouw zich beperkt tot de hoogte van de zorgkorting, dient de rechtbank deze zorgkorting vast te stellen. Omdat partijen de zorg voor [de zoon] bij helfte delen, is het redelijk om te rekenen met een zorgkorting van 35 %. Dit komt neer op een zorgkorting van € 172 (35% van € 490). De zorgkosten voor de vrouw zijn gelijk aan dit bedrag. Deze zorgkosten zijn hoger dan het aandeel dat de vrouw in de kosten van [de zoon] moet dragen. Zonder correctie zou de vrouw dan ook met een hoger bedrag bijdragen dan waartoe zij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is, namelijk € 172 in plaats van € 74. Ook zou zonder correctie de man met een lager bedrag bijdragen dan waartoe hij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is. De zorgkosten die de vrouw maakt, leveren voor de man een besparing in de zorgkosten op die hij voor [de zoon] moet maken. Zonder correctie zou de man ‘slechts’ (€ 490 - € 172 =) € 318 bijdragen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een bijdrage ten laste van de man vast te stellen van (€ 172 - € 74 =) € 98 per maand, zodat partijen beiden conform de draagkrachtvergelijking bijdragen in de kosten van [de zoon] .

Alimentatie vooruitbetalen

4.31.

De man moet de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

De kinderalimentatie na 20 juni 2026

4.32.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw op dit punt af. De rechtbank is het met de man eens dat de vrouw dit verzoek onvoldoende met stellingen heeft onderbouwd.

Kindgebonden budget en kinderbijslag voor [de zoon]

4.33.

De rechtbank kan geen beslissing nemen over het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij met ingang van 1 januari 2026 toekomt de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [de zoon] . De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beslist over de kinderbijslag en de Belastingdienst over het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw op dit punt af.

Het saldo op de Groei Groterrekeningen

4.34.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek ingetrokken. De rechtbank hoeft dit verzoek daarom niet meer te beoordelen.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.35.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

Proceskosten

4.36.

Partijen moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt het door partijen overeengekomen ouderschapsplan van 30 oktober 2017 ten aanzien van de kosten van de kinderen en bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

  • [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

  • [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

met ingang van 26 januari 2026 € 391 per maand voor [de dochter] en € 98 per maand voor [de zoon] moet betalen aan de vrouw, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.2.

verklaart de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. Peters, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K.K.H. Wagemaker, griffier op 11 juni 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Bijlage 1

[ Bijlage verwijderd ter anonimisatie.]

3

ECLI:NL:RBNNE:2014:3729.

4

NJ 1994, 439.

6

Bijlage 1: Berekening NBI man voor behoefte.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733