Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2963

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep over contactregeling na draagmoederschap, waarin het hof het verzoek van moeder tot benoeming bijzondere curator afwijst en haar verzoek tot ruimere omgang afwijst. Met verwijzing naar art. 1:377a lid 1 en lid 2 BW stelt het hof, gelet op de draagmoederschapsovereenkomst, de zeer verstoorde verhoudingen en het raadadvies, een minimale omgang vast: twee keer per jaar vier uur op de derde zaterdag van maart en september, bij moeder, halen/brengen door vaders. Overige verzoeken worden afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Draagmoeder wil alsnog moederrol vervullen: kan dat?
Hof wijst verzoek moeder tot benoeming BC en ruimere omgangsregeling met kind af. Gelet op de draagmoederschapsovereenkomst, de zeer verstoorde verhoudingen en het raadadvies is minimale omgang geïndiceerd.

Datum publicatie25-06-2026
Zaaknummer200.364.955
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenKinderen; Donorschap / draagmoederschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artikel 1:377a lid 1 en lid 2 BW, het hof stelt een minimale omgangsregeling vast tussen de draagmoeder en het kind. Onderlinge verhouding tussen partijen ernstig verstoord. Een beperkte regeling van twee keer per jaar vier uur contact doet naar het oordeel van het hof voldoende recht aan het doel van identificerend contact en is in het belang van het kind gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen en de invloed daarvan op het kind.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.955

(zaaknummer rechtbank Gelderland 444041)

beschikking van 12 mei 2026

inzake

[appellante] (de moeder)

die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A. Zonnenberg

en

[geintimeerde1] (vader [geintimeerde1] )

en

[geintimeerde2] (vader [geintimeerde2] )

samen ook te noemen: de vaders

die wonen in [woonplaats2]

advocaat: mr. V.W.J.M. Kuit

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 februari 2025 en 19 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 444041. De beschikking van 19 november 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 februari 2026;

- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep, met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, met producties.

2.2

De zitting was op 7 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- vaders [geintimeerde1] en vader [geintimeerde2] met hun advocaat;

- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

Aan [naam + achternaam] , de echtgenoot van de moeder, is met instemming van de vaders bijzondere toestemming verleend voor het bijwonen van de zitting.

3De feiten

3.1

De vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] hebben sinds 14 augustus 2017 een geregistreerd partnerschap.

3.2

De vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] hadden een kinderwens die zij zelf niet konden verwezenlijken. Zij hebben [appellante] bereid gevonden om als draagmoeder hun kind te dragen.

3.3

[appellante] is [in] 2019 gehuwd met [naam + achternaam] . Zij hebben samen vier kinderen.

3.4

[appellante] is zwanger geworden door middel van een laagtechnologisch draagmoederschapstraject via ICSI 1. Er is een embryo tot stand gekomen met behulp van een eicel van [appellante] en zaadcelmateriaal van [geintimeerde1] . Dit is bevestigd door een DNA-onderzoek.

3.5

[in] 2023 is [appellante] bevallen van een jongen, [minderjarige] (verder: [minderjarige] ). Omdat [appellante] gehuwd is met [naam + achternaam] , was [naam + achternaam] aanvankelijk de juridische vader van [minderjarige] .

3.6

[minderjarige] woont sinds zijn geboorte bij de vaders [geintimeerde2] en [geintimeerde1] .

3.7

Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de ontkenning van het vaderschap van [echtgenote moeder] gegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank – onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [minderjarige] in kracht van gewijsde is gegaan – het ouderschap van vader [geintimeerde1] vastgesteld. Ook heeft de rechtbank [geintimeerde1] – onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde zijn gegaan – beslist dat [geintimeerde1] alleen het gezag uitoefent over [minderjarige] . Verder heeft de rechtbank met terugwerkende kracht tot de geboorte van [minderjarige] , de adoptie uitgesproken door vader [geintimeerde2] – onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap, de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en het gezag in kracht van gewijsde zijn gegaan. De rechtbank heeft bepaald dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] [in] 2023. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader [geintimeerde1] en [geintimeerde2] gezamenlijk hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geintimeerde1] zal hebben en heeft verstaan dat de familierechtelijke betrekking met [geintimeerde1] in stand blijft. Daarnaast verstaat de rechtbank dat de vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] nadat de adoptiebeslissing onherroepelijk is geworden gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen. Met betrekking tot het gezag heeft de rechtbank de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.8

De moeder en [echtgenote moeder] hebben op 7 oktober 2024 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 9 juli 2024 en ze hebben het hof verzocht om die beschikking te vernietigen. De beschikking van de rechtbank is daardoor niet in kracht van gewijsde gegaan behalve voor wat betreft de ontkenning van het vaderschap van [echtgenote moeder] .

3.9

In de tussenbeschikking van 18 februari 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland op verzoek van de moeder als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat [minderjarige] één keer in de twee maanden een dagdeel omgang heeft met de moeder en haar gezin. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomsten van het hoger beroep van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2024.

3.10

Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft het hof Amsterdam [echtgenote moeder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, en de beschikking van 9 juli 2024 vernietigd voor zover daarbij:
- de adoptie door [geintimeerde2] van [minderjarige] is uitgesproken;

- is bepaald dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] ;

- is vastgesteld dat vader [geintimeerde2] en vader [geintimeerde1] gezamenlijk hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geintimeerde1] zal hebben;

- is verstaan dat de familierechtelijke betrekking met vader [geintimeerde1] in stand blijft;

- is verstaan dat vader [geintimeerde2] en vader [geintimeerde1] , nadat de adoptiebeschikking onherroepelijk is, gezamenlijk het gezag met betrekking tot [minderjarige] zullen uitoefenen.

Verder zijn de verzoeken van vader [geintimeerde2] en vader [geintimeerde1] over de adoptie van [minderjarige] door vader [geintimeerde2] en alle met dat verzoek samenhangende verzoeken afgewezen en is de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

3.11

De vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] hebben beroep in cassatie ingesteld van de beschikking van 27 mei 2025. Tot op heden is in die procedure nog geen uitspraak gedaan.

3.12

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 18 februari 2025 gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] bij de moeder verblijft op de derde zaterdag van de eerste maand van ieder kwartaal van 9.00 uur tot 17.00 uur. Vader [geintimeerde1] en/of vader [geintimeerde2] brengt/brengen [minderjarige] naar de moeder en de moeder brengt [minderjarige] naar de vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] terug. Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking een informatieregeling vastgelegd. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de moeder om haar naast vader [geintimeerde1] te belasten met het gezag over [minderjarige] , afgewezen.

3.13

Op of rond 24 februari 2026 is de geboorteakte van [minderjarige] door middel van een latere vermelding gewijzigd in die zin dat zijn achternaam vanaf dat moment (niet meer [appellante] maar) [geintimeerde1] is. Vervolgens is de Basisregistratie Personen (BRP) daarmee in overeenstemming gebracht.

4De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het is de bedoeling van de moeder om de omgangsregeling in hoger beroep aan de orde te stellen. De moeder verzoekt die beschikking te vernietigen voor wat betreft de omgangsregeling en, opnieuw beschikkende:

primair

een bijzondere curator te benoemen en die de opdracht te geven om [minderjarige] belangen waar te nemen en hem zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen;

subsidiair

opnieuw een regeling vast te stellen waarbij [minderjarige] eenmaal per drie weken van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de moeder doorbrengt dan wel een regeling als het hof juist en redelijk vindt.

4.2

De vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] zijn met een ongenummerde grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij vragen de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep althans dat te verwerpen en zij verzoeken bij zelfstandig tegenverzoek om de contactregeling aan te passen zoals omschreven onder randnummers 72 en 73 van het verweerschrift. Dit komt neer op een omgangsregeling van twee keer per jaar gedurende vier uur.

4.3

De moeder voert verweer en zij vraagt het verzoek van de vaders af te wijzen.

5De motivering van de beslissing

Stukken buiten beschouwing; strijd met de goede procesorde

5.1

Over de omvang van het geschil in hoger beroep overweegt het hof het volgende. Het hof stelt vast dat de vaders in een door hen zelf opgesteld document genaamd ‘De belangen van [minderjarige] ’, overgelegd als productie 1 bij hun verweerschrift (tevens incidenteel hoger beroep) uitvoerig ingaan op het verweerschrift van de moeder. Dat ziet het hof als een (verkapte) extra schriftelijke ronde, wat in strijd is met de twee-conclusieleer, en daarmee met de goede procesorde. De wederpartij heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt. Dat maakt dat het hof deze hele productie, feitelijk de nadere stellingen en onderbouwing, buiten beschouwing zal laten.
Hetzelfde geldt voor productie 5 bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de moeder met daarin op haar beurt weer een reactie op het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep en op de genoemde productie 1 van de vaders. Ook deze productie zal dus buiten beschouwing worden gelaten. Tijdens de mondeling behandeling heeft het hof deze procesbeslissing al met de partijen besproken.

Actuele (juridische) situatie

5.2

De beschikking van het hof Amsterdam van 27 mei 2025 leidt op dit moment tot de juridische situatie dat de moeder en vader [geintimeerde1] de juridische ouders zijn van [minderjarige] . Vader [geintimeerde1] oefent eenhoofdig het gezag uit over [minderjarige] . Bij de beoordeling van de voorliggende verzoeken gaat het hof uit van die situatie.

Bijzondere curator

5.3

In artikel 1:250 BW staat – kort weergegeven – dat de rechter, wanneer in aangelegenheden die betrekking hebben op de verzorging en opvoeding van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator kan benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. Bij de beantwoording van de vraag of benoeming van een bijzondere curator is aangewezen, staat het belang van de minderjarige voorop.

5.4

Het hof zal het verzoek van de moeder om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen, afwijzen. Er is geen sprake van een situatie waarin de belangen van de met het gezag belaste ouder (vader [geintimeerde1] ) in strijd zijn met die van [minderjarige] . De stellingen van de moeder zijn onvoldoende om tot die conclusie te komen. De ouder met gezag, vader [geintimeerde1] , handelt in het belang van [minderjarige] en conform het advies van de raad. In deze zaak is veeleer sprake van een conflict tussen de vaders en de moeder. Hoewel dat zeker de belangen van [minderjarige] kan raken, ziet het hof geen strijdigheid van de belangen van vader [geintimeerde1] met de belangen van [minderjarige] . Het hof betrekt bij dit oordeel ook nog dat de raad heeft geadviseerd geen bijzondere curator te benoemen, omdat [minderjarige] nog heel jong is en de bijzondere curator alleen zou spreken met beide partijen en niet met [minderjarige] .

Omgang

5.5

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouder(s) en andersom is dat ook het geval. 2 De rechter kan op verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling vaststellen. 3

5.6

De moeder heeft op de zitting haar subsidiaire verzoek toegelicht in die zin dat zij bedoelt te verzoeken de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te wijzigen en te verruimen, zonder een bijzondere curator te benoemen.

5.7

Het hof zal het verzoek van de moeder om een ruimere omgangsregeling vast te stellen, afwijzen. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vaders [geintimeerde1] en [geintimeerde2] en de moeder hebben op 9 november 2022 weloverwogen en met hulp van (juridische) professionals een uitgebreide draagmoederschapsovereenkomst gesloten. Uit die overeenkomst blijkt duidelijk dat het de bedoeling van alle partijen was dat de moeder geen ouderrol zou vervullen in het leven van [minderjarige] . Er zou wel een (beperkt) contact zijn ten behoeve van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Tegen deze achtergrond, waarbij de intentie van partijen steeds is geweest dat de moeder geen ouderrol zou vervullen en er een beperkt contact zou zijn ten behoeve van de identiteitsontwikkeling, lijkt een uitgebreidere regeling zoals de moeder verzoekt en waarbij zij een ouderrol vervult niet in het belang van [minderjarige] te zijn. Ook partijen lijken dit bij de overeenkomst voor ogen te hebben gehad. Het hof verwijst in dat kader naar het voorwoord, artikel 1.1 en artikel 3.5 van de draagmoederschapsovereenkomst.

Verder neemt het hof in aanmerking dat [minderjarige] (conform de afspraken in de draagmoederschapsovereenkomst) direct na zijn geboorte bij de vaders is gaan wonen en dat hij sindsdien door de vaders wordt verzorgd en opgevoed. Afgezien van de kraamweek is er slechts beperkt contact geweest tussen [minderjarige] en de moeder.

5.8

De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting gezegd dat [minderjarige] na zijn geboorte een hechtingsproces is aangegaan bij de vaders. Die hechting moet ongestoord kunnen doorgaan. Partijen zijn de draagmoederschapsconstructie destijds aangegaan met de bedoeling dat hij twee vaders heeft en heel beperkt periodiek contact met de draagmoeder. Dat contact was ook blijkens de gemaakte afspraken bedoeld voor identiteitsontwikkeling en niet voor hechting en een ouderrol voor de moeder. Er mag geen rolverwarring bij [minderjarige] ontstaan, aldus de raad. Volgens de raad past bij dat doel een omgangsregeling van vier keer per jaar vier uur. Een regeling van acht uur per omgangsmoment zoals thans wordt uitgevoerd is, gelet op de leeftijd van [minderjarige] , te lang en niet in zijn belang.

5.9

Het hof volgt het advies van de raad gedeeltelijk. Het hof ziet aanleiding om een regeling vast te stellen van slechts twee keer per jaar gedurende vier uur. Gebleken is dat de veranderde gevoelens van de moeder na de geboorte voor wat betreft (contact met) [minderjarige] en haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2023 de onderlinge verhoudingen tussen partijen ernstig (verder) hebben verstoord. De vaders en de moeder verschillen inmiddels fundamenteel van opvatting over de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] . Er is nog nauwelijks communicatie tussen partijen mogelijk. Dat is, zoals ook tijdens de zitting aan de orde is geweest, heel verdrietig voor alle betrokkenen. Maar het maakt ook dat de noodzaak groter is geworden om, in het belang van [minderjarige] , een duidelijke regeling vast te stellen die het (aanvankelijke) doel van partijen verwoordt.
De vaders ervaren spanningsklachten als gevolg van de verstoorde verhoudingen en deze verergeren in de weken voorafgaand aan de contactmomenten. Zij zijn bang voor loyaliteitsbeïnvloeding door de moeder tijdens de omgangsmomenten. De vaders hebben moeite om [minderjarige] emotionele toestemming te geven voor het contact met de moeder en de overdrachtsmomenten verlopen beladen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat [minderjarige] last krijgt van deze spanningen bij zijn opvoeders voorafgaand aan en tijdens de overdrachtsmomenten. Een beperkte regeling van twee keer per jaar vier uur contact doet naar het oordeel van het hof voldoende recht aan het doel van identificerend contact en is in het belang van [minderjarige] gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen en de invloed daarvan op [minderjarige] . Het hof zal het verzoek van de vaders dus toewijzen en een regeling vaststellen van twee contactmomenten per jaar, te weten op de derde zaterdag van de maanden maart en september, telkens voor de duur van vier uur, vanaf 9.00 uur waarbij de vaders hem brengen en weer ophalen bij de moeder. Behalve tegen de duur en frequentie van het contact heeft de moeder geen verweer gevoerd tegen specifiek deze twee maanden, de aanvangstijd en wie [minderjarige] haalt en brengt.

6De slotsom

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt een deel van de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het ziet op de omgangsregeling, vernietigen en beslissen als volgt.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
19 november 2025, voor zover het ziet op de omgangsregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
19 november 2025 en stelt vast als omgangsregeling dat [minderjarige] twee contactmomenten per jaar met de moeder heeft, te weten op de derde zaterdag van de maanden maart en september, telkens voor de duur van vier uur, vanaf 9.00 uur, waarbij de vaders hem brengen en weer ophalen bij de moeder;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en D.J.M. van de Voort en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie

3

Artikel 1:377a lid 2 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733