Rechtbank Rotterdam 26-05-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6462

Essentie (gemaakt door AI)

Beroep tegen verlenging huisverbod ongegrond en verzoek voorlopige voorziening afgewezen. De rechter beoordeelt dat ten tijde van de verlenging nog (een vermoeden van) gevaar bestaat, nu geen partnergesprek heeft plaatsgevonden en geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Niet doorslaggevend is dat achterblijfster geen partnergesprek wil; zij is daartoe niet verplicht en het huisverbod dient als afkoelingsperiode. De belangenafweging valt, ondanks impact voor verzoeker, in het voordeel van verlenging uit. Proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw niet gehouden tot meewerken aan partnergesprek: aan man opgelegd huisverbod niet opgeheven
Man komt op tegen verlenging huisverbod. Hij wijst erop dat het niet aan hem ligt dat er nog geen partnergesprek heeft plaatsgevonden. Rb overweegt dat vrouw daartoe niet verplicht is. Huisverbod als afkoelingsperiode. Beroep ongegrond.

Datum publicatie24-06-2026
ZaaknummerC/10/720195 / KG ZA 26-496 en C/10/720196/ FA RK 26-4111
ProcedureProces-verbaal
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beroep tegen verlenging ongegrond. Er is geen partnergesprek geweest en er zijn geen veiligheidsafspraken gemaakt. Het is daarin niet doorslaggevend dat achterblijfster geen partnergesprek wilde. Achterblijfster is niet verplicht mee te werken aan een partnergesprek om het gevaar op te heffen of te verminderen. Een huisverbod geldt als afkoelingsperiode. Er kan niet van achterblijfster worden verwacht dat zij meteen in een vroeg stadium aan allerlei voorstellen van de betrokken instanties meewerkt. Dat zij dat wel zou moeten doen, volgt niet uit enige wettelijke regeling.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/720195 / KG ZA 26-496 (voorlopige voorziening)

C/10/720196/ FA RK 26-4111(beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende te [verblijfplaats] ,

gemachtigde mr. C.M. Sett.

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Tang,

in welke zaken belanghebbende is:

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna achterblijfster.

1Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 11 mei 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker (hierna: opleggingsbesluit).

1.2.

Bij besluit van 19 mei 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 8 juni 2026.

1.3.

Bij brief van 21 mei 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Aanwezig waren:

  • Verzoeker en zijn gemachtigde;

  • Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] ;

  • [persoon A] , achterblijfster;

  • Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, vertegenwoordigd door [persoon C] .

2Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

 wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

3Overwegingen

3.1.

Wettelijk kader

De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van het verzoek zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2.

Weergave bestreden besluit en verzoek en beroep

3.2.1.

Bij het opleggingsbesluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de situatie onveranderd is en dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.2.3.

In het kader van de voorlopige voorziening vraagt verzoeker een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de verlenging van het huisverbod te schorsen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3.2.4.

Met het beroepschrift vraagt verzoeker het tijdelijk huisverbod te vernietigen, het verlengde huisverbod per direct op te heffen, verweerder te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht dient te vergoeden.

3.3.

Kortsluiten

3.3.1.

Als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat vereist. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie zich voordoet. Verder onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat zij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.4.

Beoordeling gronden

3.4.1.

Verzoeker stelt dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de verlenging nog sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar. Verweerder heeft de verlenging gebaseerd op het ontbreken van een partnergesprek en het feit dat er geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Verzoeker wijst erop dat niet hij, maar achterblijfster niet wil meewerken aan een partnergesprek. Het ontbreken van veiligheidsafspraken kan in dit geval dan ook niet aan verzoeker worden tegengeworpen. Verzoeker stelt tevens dat hij een groot en concreet belang heeft om in de woning te kunnen verblijven. Verzoeker verblijft op dit moment in [verblijfplaats] , maar werkt in de regio [plaats] en is voor zijn dagelijkse werkzaamheden afhankelijk van verblijf in of nabij [plaats] op momenten dat hij niet kan thuiswerken. Hiermee stelt verzoeker zich, naar de voorzieningenrechter begrijpt, op het standpunt dat het gevaar niet meer bestond ten tijde van het nemen van het besluit tot verlenging van het huisverbod en dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid het huisverbod te verlengen.

3.4.2.

De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

3.4.3.

Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het opleggingsbesluit van 11 mei 2026, staat vast dat bij die oplegging sprake was van feiten en omstandigheden waaruit (het vermoeden) blijkt dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig gevaar opleverde voor de veiligheid van de achterblijfster. Verweerder was dus bevoegd om het opleggingsbesluit te nemen.

3.4.4.

De voorzieningenrechter moet beoordelen of (het vermoeden van) dit gevaar ten tijde van het verlengingsbesluit van 19 mei 2026 zich voortzette of was geweken. Gebleken is dat ten tijde van het verlengingsbesluit nog geen partnergesprek had plaatsgevonden en dat er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. Dit is beide niet van de grond gekomen. De situatie ten tijde van de verlenging was nog net zo als ten tijde van het opleggen van het huisverbod. Verweerder was dus bevoegd dit besluit te nemen.

3.4.5.

De voorzieningenrechter moet daarna beoordelen of het gevaar ook nog bestond na het verlengingsbesluit en of verweerder in redelijkheid gebruik kan en heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid het huisverbod te laten voortduren. Verzoeker stelt dat het allemaal wel zo kan zijn dat verweerder zegt dat het gevaar onveranderd is, maar daarbij ten onrechte geen rekening houdt met het feit dat dat kwam omdat achterblijfster niet in beweging kwam. De voorzieningenrechter staat voor de vraag: is bij de beslissing tot het laten voortduren van het huisverbod doorslaggevend dat achterblijfster geen partnergesprek wilde? De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. De juridische vraag voor het laten voortduren van het huisverbod is namelijk in die zin eenvoudig: is er op dit moment nog gevaar en wat betekent dat dan? Dat gevaar was er ten tijde van het bestreden besluit. Achterblijfster is niet verplicht mee te werken aan een partnergesprek om het gevaar op te heffen of te verminderen. Een huisverbod geldt als afkoelingsperiode. Er kan niet van achterblijfster worden verwacht dat zij meteen in een vroeg stadium aan allerlei voorstellen van de betrokken instanties meewerkt. Dat zij dat wel zou moeten doen, volgt niet uit enige wettelijke regeling. Dat betekent dat deze beroepsgrond faalt. De voorzieningenrechter wijst erop dat het hierbij niet gaat om een verantwoordelijkheid die verzoeker in de schoenen wordt geschoven, maar om een beoordeling van de gevaarssituatie. Daar komt bij dat de situatie inmiddels zo is dat achterblijfster zo ver is dat zij wil gaan meewerken aan dat partnergesprek. Aan de hand daarvan kan dan ingegrepen worden op de gevaarssituatie met veiligheidsafspraken en verdere hulpverlening. Pas daarna komt er ruimte om mogelijk anders te denken over het huisverbod, maar op dit moment doet die situatie zich nog niet voor.

3.4.6.

Ten slotte beoordeelt de voorzieningenrechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid. De gemaakte belangenafweging heeft weliswaar impact op het dagelijks leven van verzoeker, maar niet zodanig dat verweerder niet tot deze conclusie heeft kunnen komen. Dat alles heeft ook te maken met het feit dat Veilig Thuis heeft aangegeven mee te denken over een oplossing voor het woon-werkverkeer van verzoeker. Daar komt bij dat de praktische situatie, zoals die nu is, niet geheel onoverkomelijk is aangezien verzoeker zijn werkzaamheden grotendeels vanuit huis verricht. Dat betekent dat ook deze beroepsgrond faalt.

3.4.7.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. S.J. Huizenga, voorzieningenrechter, en door deze en H.J. de Wit, griffier, ondertekend.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

Bijlage

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Wet tijdelijk huisverbod (Wth)

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733