Rechtbank Noord-Holland 08-04-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6697

Essentie (gemaakt door AI)

Erfbelasting na tweetrapsmaking. Erflater (bezwaarde) betaalt deel erfbelasting uit eigen vermogen en overlijdt; zijn erfgenamen vorderen vergoeding van verwachters. Vraag: is het bezwaard vermogen draagplichtig op grond van art. 4:7 lid 1 sub e BW e.a., vruchtgebruikregels of redelijkheid en billijkheid. Rechtbank: belastingplicht en draagplicht liggen bij verkrijger (art. 36 SW); art. 4:7 lid 1 sub e BW regelt verhaal, geen draagplicht. Geen vergoedings-/regresrecht; ook niet via art. 3:222 lid 2 BW of R&B. Vorderingen afgewezen en eisers worden in (

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Erflater betaalde zelf deel erfbelasting: heeft nalatenschap regresvordering of vergoedingsrecht?
Erflater (bezwaarde) betaalde deel erfbelasting uit eigen vermogen en overlijdt. Zijn erfgenamen (tweetrapsmaking) vorderen vergoeding. Rb: draagplicht voor erfbelasting ligt bij erflater; art. 4:7 lid 1e BW regelt verhaal. Afwijzing.

Datum publicatie23-06-2026
ZaaknummerC/15/368385
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenErfrecht;
Fiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

-

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/368385 / HA ZA 25-457

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

te [plaats 1],
2. [eiser 2],

te [plaats 2],
3. [eiser 3],

te [plaats 3],

eisende partijen,

hierna te noemen: [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], en samen [eisers],

advocaat: mr. E.Z. Anink,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats 4],
2. [gedaagde 2],

te [plaats 5], gemeente [gemeente],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. A.H.J. Emmen.

De zaak in het kort

De zus van [gedaagden] (erflaatster) heeft in haar testament haar partner (erflater) benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van zijn overlijden, en [gedaagden] tot erfgenaam onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van erflater (een tweetrapsmaking). Na het overlijden van erflaatster heeft erflater, omdat de woning van erflaatster nog niet was verkocht, een deel van de erfbelasting betaald uit zijn eigen vermogen. Niet lang daarna is erflater zelf overleden. [eisers] zijn de erfgenamen van erflater. Zij vorderen dat [gedaagden] dit deel van de erfbelasting aan hen vergoeden.

De rechtbank wijst de vorderingen af. Erflater was zelf draagplichtig voor de erfbelasting. Daarom heeft zijn nalatenschap geen vergoedingsrecht op [gedaagden] De redelijkheid en billijkheid leiden in dit geval niet tot een andere uitkomst.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2025, waarbij een mondeling behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;

- de akte overlegging producties 13 tot en met 15 van [eisers];

- de akte overlegging productie 10 van [gedaagden];

- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden.

1.2.

[eiser 3] (eiseres sub 3) is na het uitbrengen van de dagvaarding overleden. Omdat geen schorsing en hervatting van de procedure heeft plaatsgevonden, is de procedure (mede) op naam van [eiser 3] voortgezet. 1

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[gedaagden] zijn de broer en zus van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster is overleden op 28 augustus 2023. Zij heeft bij testament van 8 april 2019 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft erflaatster (voor zover hier van belang) tot haar erfgenamen benoemd:

  • haar (niet geregistreerd) partner, de heer [erflater] (hierna: erflater), onder ontbindende voorwaarde van zijn overlijden, en

  • [gedaagden], ieder voor gelijke delen (de verwachters), onder opschortende voorwaarde van het overlijden van erflater.

2.2.

In het testament van erflaatster is verder bepaald dat:

  • erflater bevoegd is over het vermogen van erflaatster (hierna: het bezwaard vermogen) te beschikken en daarop in te teren;

  • erflater binnen (drie maanden na het opleggen van de definitieve aanslag erfbelasting) een boedelbeschrijving moet opmaken van het bezwaard vermogen en deze aan [gedaagden] moet overhandigen;

  • erflater verplicht is het bezwaard vermogen afzonderlijk van zijn overige vermogen te administreren en te beleggen;

  • [gedaagden] recht hebben op inzage van de aangifte en de aanslag erfbelasting, voor zover deze betrekking hebben op het bezwaard vermogen.

2.3.

Erflater heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard. [gedaagden] hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.

2.4.

Tot het bezwaard vermogen behoorden onder meer een woning aan de [adres] te [plaats 6] (hierna: de woning), banktegoeden, ondernemingsvermogen en een rekening-courant vordering op de onderneming.

2.5.

In maart 2024 heeft erflater de woning te koop aangeboden. Er is een bod gedaan op de woning van € 1,1 miljoen, welk bod door erflater niet is aanvaard.

2.6.

Nadat erflater op 29 juli 2024 aangifte heeft gedaan, heeft erflater op 9 oktober 2024 een aanslag erfbelasting ontvangen ter hoogte van € 611.152,-, waarvan een bedrag van € 24.797,- bestond uit inmiddels opgelopen rente. Deze aanslag was mede zo hoog, omdat erflater niet in aanmerking kwam voor de partnervrijstelling. Een bedrag van € 251.152,- heeft erflater voldaan uit bezwaard vermogen. Een bedrag van € 360.000,- heeft erflater voldaan uit zijn eigen vermogen.

2.7.

Op 11 maart 2025 is erflater onverwachts overleden. [eisers] zijn de erfgenamen van erflater.

2.8.

Op 10 april 2025 hebben [eisers] conservatoir beslag laten leggen op de woning. Ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 mei 2025 hebben partijen een schikking getroffen, die kort samengevat inhield dat van de verkoopopbrengst van de woning van bedrag van € 360.000,- in depot werd gesteld bij een notaris.

3Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat € 360.000,- ten laste komt van de nalatenschap van erflaatster;

II. [gedaagden] veroordeelt om binnen twee dagen na het vonnis opdracht te geven om het depot van € 360.000, vermeerderd met de aangegroeide rente, aan [eisers] te betalen en het vonnis in de plaats te stellen van de ontbrekende wilsverklaring van [gedaagden] indien zij dat niet tijdig doen;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de kosten van het geding, waaronder de kosten van beslag en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] leggen hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Het bezwaard vermogen is draagplichtig voor de erfbelasting. Dat volgt uit artikel 4:7 lid 1 sub e Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met artikelen 4:184 lid 1 BW en 4:200 lid 3 BW. Bovendien komt de erfbelasting (als “buitengewone last”) ook op grond van artikelen 3:172 en 3:222 BW ten laste van het bezwaard vermogen. Omdat erflater een deel van de erfbelasting heeft betaald uit zijn eigen vermogen, heeft de nalatenschap van erflater een regresvordering of vergoedingsrecht op het bezwaard vermogen, althans is sprake van een situatie zoals omschreven in het arrest Hoge Raad Quint/Te Poel. 2 Ook is er sprake van een onrechtmatige daad, dan wel ongerechtvaardigde verrijking.

Subsidiair doen [eisers] een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Het kan volgens [eisers] niet zo zijn dat erflater draagplichtig is, uitsluitend door zijn vroegtijdig overlijden waardoor hij de voorgeschoten erfbelasting van € 360.000,- niet meer heeft kunnen verrekenen met de opbrengst van de woning, die nota bene al te koop stond. Dit gevolg is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en is ook niet de bedoeling van erflaatster geweest, aldus nog steeds het betoog van [eisers]

3.3.

De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Zij voeren daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Op grond van artikel 36 Successiewet is erflater zelf belastingplichtig. Artikel 4:7 lid 1 sub e BW (in combinatie met artikel 4:184 BW en artikel 4:200 BW) gaat uitsluitend over verhaalsmogelijkheden van schuldeisers; daaruit kan geen draagplicht van het bezwaard vermogen worden afgeleid. Het beroep van [eisers] op artikel 3:222 lid 2 BW gaat niet op, omdat de erfbelasting geen “buitengewone last” is.

Het is ook redelijk dat de erfbelasting deels ten laste komt van erflater. De hoogte van de aanslag is namelijk veroorzaakt door de keuzes van erflater zelf. Verder heeft erflater er zelf voor gekozen het bezwaard vermogen niet te gebruiken om de erfbelasting te betalen, want er waren in het bezwaard vermogen meer liquide middelen aanwezig en erflater had de woning sneller kunnen verkopen als hij het bod had geaccepteerd. Bovendien heeft erflaatster bewust gekozen voor een tweetrapsmaking, met alle fiscale gevolgen van dien, zonder dat zij de draagplicht voor de erfbelasting in het testament heeft geregeld. Dat erflater (relatief) kort na erflaatster is overleden, mag bovendien niet meewegen, want dat risico is ingebakken in het wettelijk systeem, aldus nog steeds het betoog van [gedaagden]

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Erflater is draagplichtig voor de erfbelasting

4.1.

Erflater beschikte na het overlijden van erflaatster over twee vermogens: het bezwaard vermogen (van erflaatster) en zijn eigen vermogen. Tussen partijen staat vast dat erflater de erfbelasting die hij verschuldigd was op grond van zijn verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster, deels heeft betaald uit het bezwaard vermogen (voor een bedrag van € 251.152,-) en deels heeft betaald uit zijn eigen vermogen (voor een bedrag van € 360.000,-). Waar het (volgens [eisers]) de bedoeling van erflater was zijn eigen vermogen door verrekening weer aan te vullen met dat laatste bedrag na de verkoop van de woning, is dat door zijn vroegtijdig overlijden niet gebeurd. De vraag ligt nu voor of zijn nalatenschap door die betaling uit het eigen vermogen van erflater desondanks een vordering op het “bezwaard” vermogen omvat, dat door intreden van de opschortende voorwaarde nu aan [gedaagden] toekomt.

4.2.

[eisers] leggen aan hun betoog ten grondslag dat erflater niet draagplichtig was voor de erfbelasting. De rechtbank is van oordeel dat die conclusie niet kan worden getrokken en licht dat als volgt toe.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat artikel 36 van de Successiewet de verkrijger (in dit geval: erflater) aanwijst als belastingplichtige. Anders dan [eisers] betogen, vormt dit naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing dat erflater in beginsel draagplichtig is voor de erfbelasting.

4.4.

[eisers] hebben aangevoerd dat uit artikel 4:7 lid 1 sub e BW blijkt dat uitsluitend de nalatenschap van erflaatster (dus het bezwaard vermogen) draagplichtig is voor de erfbelasting en dus niet erflater zelf.

4.5.

In de Parlementaire Geschiedenis 3 bij dit artikel, is het volgende vermeld:

Het gaat om de vraag of wanneer tot de nalatenschapsschulden ook de schulden horen uit belastingen die terzake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven, deze integraal uit de nalatenschap moeten worden voldaan zodat de erfgenaam die meer successierecht is verschuldigd dan de ander daarmee per saldo voordeliger uit is. Het bestempelen van een schuld tot nalatenschapsschuld heeft vooral tot gevolg dat de schuld verhaald kan worden op de goederen van de nalatenschap - dat staat in artikel 3:192 BW - zulks met inachtneming van de uit de wet voortvloeiende rangorde van de nalatenschapsschulden. Bijvoorbeeld: de vordering van een legitimaris gaat boven die van een legataris. Evenzo zijn aanspraken van een gewone schuldeiser van de erflater als nalatenschapsschuldeiser weer sterker dan die van een legitimaris. Sommige nalatenschapsschulden hebben slechts betrekking op een of enkele van de erfgenamen. Zo kunnen successierechten voor elk der erfgenamen een ander bedrag belopen. Ook is het mogelijk dat een schuld uit een legaat niet op alle erfgenamen rust maar dat slechts een der erfgenamen met dat legaat belast is. Bij het bepalen van het aandeel van de erfgenamen in de goederen van de nalatenschap wordt rekening gehouden met dat verschil bij het bepalen van ieders aandeel. Schulden die op de gezamenlijke erfgenamen rusten, kunnen gewoon ieder voor zijn deel in mindering worden gebracht op ieders aandeel in de goederen. Successierechten en andere schulden die op een der erfgenamen rusten, komen slechts in mindering op het aandeel van de desbetreffende erfgenaam in de nalatenschapsgoederen. Dit systeem ligt ten grondslag zowel aan het huidige erfrecht als aan het komende erfrecht van het nieuwe Boek 4. Degene die meer successierecht is verschuldigd dan de andere erfgenamen is dus per saldo niet voordeliger uit.”

4.6.

Het gegeven dat de schuld uit erfbelasting (voor zover die rust bij de erfgenamen) in artikel 4:7 lid 1 sub e BW is aangemerkt als nalatenschapsschuld, heeft dus tot gevolg dat die schuld kan worden verhaald op goederen uit de nalatenschap. Dat betekent niet dat ook de draagplicht rust op de nalatenschap, in plaats van op de belastingplichtige erfgenaam.

4.7.

[eisers] hebben aangevoerd dat uit het gebruik van het woord “vooral” in de geciteerde passage uit de wetgeschiedenis, blijkt dat artikel 4:7 lid 1 sub e BW niet alleen een verhaalsmogelijkheid regelt, maar ook de nalatenschap als draagplichtige voor de erfbelasting aanwijst. Daarin krijgen zij geen gelijk. Dat betoog is namelijk niet te rijmen met het voorbeeld dat in de geciteerde passage in de wetgeschiedenis wordt uitgewerkt. Als de nalatenschap draagplichtig zou zijn voor de erfbelasting (en dus niet belastingplichtige erfgenaam), zou er immers geen reden zijn om de erfbelasting uitsluitend in mindering te brengen op het aandeel van de betreffende belastingplichtige erfgenaam, maar zou de erfbelasting in mindering strekken op het aandeel van iedere deelgenoot gelijkelijk. De omstandigheid dat bij het bepalen van het aandeel van de erfgenamen in de nalatenschap rekening wordt gehouden met het feit dat de erfbelasting voor elk van de erfgenamen een ander bedrag kan belopen, vormt juist een (sterke) aanwijzing dat draagplicht voor de erfbelasting rust op de betreffende belastingplichtige erfgenaam.

4.8.

Volgens [eisers] volgt uit dit deel van de wetgeschiedenis dat de draagplicht voor de erfbelasting uitsluitend rust op het aandeel van de betreffende erfgenaam in de nalatenschap en dus niet op de erfgenaam zelf. Ook hierin volgt de rechtbank [eisers] niet. Dat de erfbelasting in het door de wetgever genoemde voorbeeld in mindering wordt gebracht op het aandeel van de belastingplichtige erfgenaam, heeft immers (juist) tot gevolg dat de erfbelasting uiteindelijk wordt gedragen door de betreffende erfgenaam. Uit dit voorbeeld kan dus niet worden afgeleid dat de belastingplichtige erfgenaam niet zelf draagplichtig is. De geciteerde passage uit wetgeschiedenis bevat daarvoor ook geen andere aanknopingspunten. De uitdrukkelijke opmerking in de wetgeschiedenis dat artikel 4:7 lid 1 sub e BW vooral tot gevolg heeft dat de belastingschuld verhaald kan worden op de nalatenschap, en de vermelding dat de belastingschulden “op een der erfgenamen rusten”, wijzen op het tegendeel.

4.9.

[eisers] hebben aangevoerd dat bij de invoering van Boek 4 BW, artikel 4:7 BW is verplaatst en dat daaruit de centrale rol van het artikel blijkt. Daarbij hebben [eisers] ook verwezen naar de gevolgen van artikel 4:7 BW voor de berekening van de legitieme portie (artikel 4:65 BW) . De rechtbank is echter van oordeel dat de plaats van artikel 4:7 BW op zichzelf niet meebrengt dat (in afwijking van het voorgaande) de nalatenschap draagplichtig is voor de erfbelasting. De verwijzing naar artikel 4:65 BW biedt bovendien geen steun voor het betoog van [eisers], omdat daaruit juist blijkt dat de schulden van artikel 4:7 lid 1 sub e BW (de erfbelasting) de legitimaire massa niet verkleinen.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat uit (de wetgeschiedenis van) artikel 4:7 lid 1 sub e BW niet kan worden afgeleid dat de nalatenschap draagplichtig is, in plaats van de belastingplichtige erfgenaam.

4.11.

Het beroep van [eisers] op artikel 4:184 lid 1 BW rechtvaardigt die conclusie evenmin. Dat artikellid heeft betrekking op de verhaalsmogelijkheden voor schulden van de nalatenschap en niet op de draagplicht. Ook het beroep op artikel 4:200 (lid 3) BW slaagt niet, alleen al omdat het artikel betrekking heeft op erfgenamen die beneficiair hebben aanvaard, terwijl erflater de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard.

4.12.

Omdat sprake is van een erfstelling onder voorwaarde, hebben [eisers] terecht aangevoerd dat de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing zijn (artikel 4:138 lid 2 BW) . Uit die bepalingen over vruchtgebruik volgt (voor zover hier van belang) dat als de bezwaarde (erflater) een buitengewone last voldoet die drukt op het bezwaard vermogen, de verwachters ([gedaagden]) hem het voorgeschotene dienen terug te geven (artikel 3:222 lid 2 BW) . [eisers] kunnen op deze bepaling echter in dit geval niet met succes een beroep doen. Voor zover de erfbelasting al als een “buitengewone last” kan worden aangemerkt, hetgeen verder in het midden kan blijven, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat die last op het vermogen van erflater drukt en niet op het bezwaard vermogen.

4.13.

Voor zover [eisers] ook een beroep doen op het bepaalde in artikel 78 Successiewet, slaagt dat beroep evenmin. Dat artikel heeft betrekking op een belastingschuld van de hoofdgerechtigde (vergelijkbaar met de positie van [gedaagden]) en niet op de belastingschuld van de vruchtgebruiker (vergelijkbaar met de positie van erflater).

4.14.

[eisers] hebben (met verwijzing naar de overgelegde opinie van mr. dr. R.E. Brinkman) verder een beroep gedaan op het het beginsel van het voorkomen van ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen, althans het uitgangspunt dat de schulden en goederen die bij elkaar horen elkaar ‘volgen’. Ook dit argument bouwt echter voort op de veronderstelling dat erflater een schuld heeft voldaan waarvoor hij niet draagplichtig was. Nu de rechtbank die veronderstelling niet volgt, maar tot uitgangspunt neemt erflater zelf draagplichtig is, slaagt dit betoog van [eisers] niet.

Andersluidende bedoeling van erflaatster is niet gebleken

4.15.

[eisers] betogen dat uit het testament van erflaatster blijkt dat zij heeft bedoeld dat de erfbelasting ten laste van het bezwaard vermogen zou komen. Dat blijkt volgens [eisers] uit het feit dat [gedaagden] recht hebben op inzage in de aangifte en aanslag erfbelasting en uit het gegeven dat aan erflater interingsbevoegdheid is toegekend, zonder dat hij eerst hoeft in te teren op zijn eigen vermogen.

4.16.

Uit de enkele omstandigheid dat [gedaagden] recht hebben op inzage in de aangifte en aanslag erfbelasting kan niet worden afgeleid dat de erfbelasting ten laste komt van het bezwaard vermogen. Er zijn namelijk andere redenen denkbaar waarom [gedaagden] bij die inzage belang hebben, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de omvang van het bezwaard vermogen en voor het doen van de eigen aangifte van [gedaagden] [eisers] hebben hun betoog op dit punt tegen die achtergrond daarom onvoldoende onderbouwd.

4.17.

De interingsbevoegdheid van erflater betekent dat erflater de erfbelasting mocht betalen uit het bezwaard vermogen, ongeacht welk vermogen draagplichtig was. Daaruit kan niet worden afgeleid dat erflaatster heeft bedoeld dat de erfbelasting ten laste van het bezwaard vermogen zou komen. Erflaatster heeft daarover in het testament verder niets vermeld. [eisers] hebben hun andersluidende betoog onvoldoende concreet toegelicht.

Tussenconclusie: geen vergoedings- of regresrecht

4.18.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat erflater zelf draagplichtig was voor de erfbelasting. Daarom is geen sprake van een vergoedings- of regresrecht van de nalatenschap van erflater op [gedaagden] Van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagden], dan wel een situatie als omschreven in het arrest HR Quint/Te Poel, is evenmin sprake.

De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een andere uitkomst

4.19.

[eisers] betogen dat, omdat de erfbelasting een schuld van de nalatenschap is, de redelijkheid en billijkheid (concreter: het beginsel van het voorkomen van ongerechtvaardigde vermogensverschuiving) meebrengen dat de erfbelasting ten laste van de nalatenschap komt en dat dus een vergoedingsrecht bestaat van de erfgenamen van erflater op [gedaagden]. De hoofdregel is dat de nalatenschap draagplichtig is, aldus [eisers]. Dat heeft erflaatster volgens [eisers] bovendien bevestigd in het testament door daarin een inteerbevoegdheid van erflater op te nemen en geen eigen draagplicht van erflater.

4.20.

De rechtbank heeft in het voorgaande al geoordeeld dat erflater belastingplichtig was en dat noch uit de wet, noch uit het testament van erflaatster kan worden afgeleid dat erflater niet zelf draagplichtig was voor de erfbelasting. Het betoog dat desondanks op grond van de redelijkheid en billijkheid in zijn algemeenheid en als hoofdregel moet gelden dat erflater (als verkrijger) niet draagplichtig is, is onvoldoende concreet toegelicht. Het beroep op het gestelde beginsel van het voorkomen van ongerechtvaardigde vermogensverschuiving, is reeds besproken in 4.14 van dit vonnis. Voor zover [eisers] betogen dat de erfbelastingschuld (om andere redenen) een zodanig verband houdt met het bezwaard vermogen dat die daartoe behoort en daardoor dient te worden gedragen, hebben [eisers] dat onvoldoende geconcretiseerd.

4.21.

[eisers] hebben verder aangevoerd dat erflater uitsluitend door zijn vroegtijdig overlijden de voorgeschoten erfbelasting van € 360.000,- niet heeft kunnen voldoen uit de opbrengst van de woning, die nota bene al te koop stond. Dat kan volgens [eisers] niet de bedoeling zijn geweest van erflaatster, die [gedaagden] de bevoegdheid heeft gegeven op het bezwaard vermogen in te teren, zelfs zonder verplicht te zijn eerst op zijn eigen vermogen in te teren. Erflater heeft niet op het bezwaard vermogen ingeteerd, omdat hij de woning voor een goede prijs wilde verkopen. Het onaanvaardbare gevolg daarvan is dat de nalatenschap van erflater met € 360.000,- is verarmd en [gedaagden] met hetzelfde bedrag zijn verrijkt, terwijl erflater dan belasting heeft betaald over iets wat hij niet heeft verkregen en ook niet heeft opgemaakt, aldus het betoog van [eisers]

4.22.

Een krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 4 Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat erflater (relatief) kort het genot heeft gehad van het bezwaard vermogen (namelijk vanaf het overlijden van erflaatster op 28 augustus 2023 tot het overlijden van erflater op 11 maart 2025), op zichzelf niet meebrengt dat de redelijkheid en billijkheid eisen dat de erfbelasting voor rekening van [gedaagden] moet worden gebracht. Dat erflater ondanks het intreden van de ontbindende voorwaarde (zijn overlijden) de volledige erfbelasting verschuldigd is, is inherent aan het systeem van de Successiewet. 5 [eisers] hebben onvoldoende toegelicht waarom dit specifieke risico moet worden verplaatst naar [gedaagden] die overigens ook zelf erfbelasting verschuldigd zijn over hun verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster.

4.23.

Verder kunnen [eisers] niet worden gevolgd in hun betoog dat uitsluitend het onverwachts overlijden van erflater tot gevolg heeft gehad dat de erfbelasting ten laste is gekomen van zijn eigen vermogen. [gedaagden] hebben namelijk toegelicht dat het bezwaard vermogen onder meer bestond uit een banksaldo van € 347.968,-, waarvan na betaling van het eerste deel van de erfbelasting van € 251.152,-, nog afgerond € 97.000,- resteerde. [eisers] hebben dit onvoldoende concreet weersproken, zodat dit vaststaat. Dat dit beschikbare liquide deel van het bezwaard vermogen ondanks de interingsbevoegdheid van erflater niet is gebruikt voor de erfbelasting, maar dat in plaats daarvan het eigen vermogen van erflater is aangewend, berust dus op een eigen keuze van erflater.

4.24.

Bovendien staat als onweersproken vast dat erflater het bod op de woning (van € 1,1 miljoen), dat nog tijdens zijn leven is gedaan, niet heeft geaccepteerd. Als gevolg hiervan heeft erflater zijn eigen vermogen aangewend om de belastingschuld te voldoen. Dat erflater heeft geprobeerd om een hogere verkoopopbrengst te realiseren, is niet onbegrijpelijk, maar doet niet af aan het gegeven dat erflater daarmee het risico heeft genomen dat (indien hij gedurende het langere verkooptraject zou komen te overlijden) hij de erfbelasting niet meer ten laste kon brengen van het bezwaard vermogen. Met het realiseren van die hogere verkoopprijs zou bovendien niet alleen het belang van [gedaagden], maar ook het eigen belang van erflater worden gediend, omdat daarmee het bezwaard vermogen, waarover erflater vrij kon beschikking, zou worden vergroot.

4.25.

Dat erflater tijdens zijn leven ten aanzien van het bedrag van € 360.000,- geen gebruik heeft gemaakt van zijn interingsbevoegdheid is dus mede het gevolg van de eigen afwegingen van erflater hieromtrent. Dat de gevolgen van die keuzes van erflater voor rekening komen van zijn erfgenamen ([eisers]) is in zoverre niet onaanvaardbaar.

4.26.

In dit kader acht de rechtbank verder van belang dat vast staat dat erflater – ondanks de daartoe in het testament opgenomen verplichting – geen beschrijving of administratie heeft bijgehouden van het bezwaard vermogen. Daarin heeft hij dus ook niet verwerkt of aangetekend dat hij een bedrag heeft voorgeschoten en of hij het voorgeschoten bedrag ten laste van het bezwaard vermogen wilde brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico van zijn erfgenamen, [eisers], moet blijven.

4.27.

[gedaagden] hebben tegen het beroep van [eisers] op de redelijkheid en billijkheid bovendien aangevoerd dat de hoogte van erfbelastingschuld van erflater het gevolg is van het feit dat erflater tot zijn overlijden gehuwd is gebleven met [eiser 3], hoewel hij al jarenlang samenleefde met erflaatster. Volgens [gedaagden] heeft erflater dat waarschijnlijk gedaan om daarmee fiscaal voordeel te behalen. Hierdoor kon erflater in de nalatenschap van erflaatster echter geen aanspraak maken op de substantiële fiscale partnervrijstelling. [eisers] hebben hiertegen aangevoerd dat de keuze van erflater om met [eiser 3] getrouwd te blijven, niets te maken had met fiscale overwegingen.

4.28.

Als onvoldoende betwist staat echter vast dat als erflater fiscaal partner zou zijn geworden van erflaatster, hetgeen in overeenstemming zou zijn geweest met het feit dat hij al jarenlang met erflaatster samenleefde, de erfbelastingschuld van erflater afgerond slechts € 140.000,- zou hebben bedragen. Dat bedrag zou erflater volledig hebben kunnen betalen uit het liquide deel van het bezwaard vermogen, zodat de erfbelasting in dat geval niet ten laste zou zijn gekomen van het eigen vermogen van erflater. Dat in werkelijkheid een deel van de erfbelastingschuld wel ten laste is gekomen van het vermogen van erflater, is dus mede het gevolg van de keuze van erflater om al die jaren getrouwd te blijven met [eiser 3]. Het stond erflater vrij om die keuzes te maken, maar de rechtbank is van oordeel dat het ook in deze zin niet onaanvaardbaar is dat de gevolgen daarvan voor zijn rekening zijn gekomen en daarmee voor rekening van zijn erfgenamen, [eisers].

4.29.

De feitelijke gang van zaken heeft tot gevolg gehad dat de door erflater verschuldigde erfbelasting deels ten laste is gekomen van het bezwaard vermogen en dus ten laste van [gedaagden] (het bedrag van € 251.152,-, dus ruim € 100.000,- meer dan wanneer erflater wel fiscaal partner zou zijn geweest van erflaatster) en deels ten laste van het vermogen van erflater en dus van [eisers] (het bedrag van € 360.000,-). Deze uitkomst is - gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen over de door [eisers] daartoe aangevoerde omstandigheden, mede in het licht van wat [gedaagden] daartegenover hebben gesteld - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Slotsom en proceskosten

4.30.

De vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.31.

[eisers] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 2.723,00

- salaris advocaat € 5.770,00 (2 punten × tarief VI)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 8.826,47.

4.32.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 8.826,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eisers] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

1538

2

HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600

3

Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4 Erfrecht, p. 1191 e.v.

5

Vgl. artikel 21 lid 2 Successiewet.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733