Essentie (gemaakt door AI)
OT verlengd voor drie kinderen. Vader gaat in hoger beroep en verzoekt afwijzing verlenging en benoeming bijzondere curator, onder beroep op art. 8 EVRM. Hof stelt ernstige ontwikkelingsbedreiging vast door ouders strijd, gebrek aan communicatie en houding vader; vrijwillig kader onvoldoende. OTS blijft noodzakelijk voor inzet hulpverlening en veilig (begeleid) contact. Benoeming bijzondere curator wordt afgewezen als niet zinvol. Beroep op art. 8 EVRM faalt. Bestreden beschikking wordt bekrachtigd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.361.084/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.084/01
zaaknummer rechtbank: C/15/366019 / JU RK 25-789
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Almere,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [de moeder] , hierna: de moeder, advocaat: mr. F.J. ten Seldam te Limmen,
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (13 jaar), [minderjarige 2] (12 jaar) en [minderjarige 3] (8 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de kinderen met een jaar verlengd.
De vader is het hiermee niet eens en vindt dat het verzoek van de GI alsnog moet worden afgewezen. Ook vindt hij dat er een bijzondere curator moet worden benoemd.
De GI en de moeder zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.
2De procedure in hoger beroep
De vader is op 3 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
4 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
De GI heeft op 11 december 2025 een verweerschrift ingediend.
De moeder heeft op 16 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 19 november 2025, met productie 3,
- een bericht van de zijde van de vader van 10 april 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de man van 21 april 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 22 april 2026, met bijlagen.
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
De zitting heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.361.935/01. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
3De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2018 te [plaats A] .
De ouders zijn getrouwd geweest van [datum] 2013 tot 14 januari 2016.
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 3] erkend. Zij wonen bij de moeder.
Sinds de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 19 december 2025 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De vader heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Deze procedure loopt nog.
De kinderen staan sinds 18 augustus 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd.
Bij beschikking van de kinderrechter van 27 augustus 2025 is op het verzoek van de GI de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gewijzigd. Tegen die beslissing heeft de vader eveneens hoger beroep ingesteld. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.361.935.01. Het hof doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.
De vader staat ingeschreven in de gemeente [plaats A] , maar verblijft feitelijk in [plaats C] .
4De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van de GI de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd tot 18 augustus 2026.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en ten behoeve van de kinderen een bijzondere curator te benoemen.
De GI verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren of zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De moeder verzoekt het hof het hoger beroep ongegrond te verklaren.
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verbinding met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
De vader vindt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden van de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn. De vader stelt dat de doelen van de ondertoezichtstelling, te weten rust, samenwerking en contactherstel, niet zijn behaald en juist verder uit zicht raken. De ondertoezichtstelling loopt al sinds 2021 en tot nu toe is er niets verbeterd. Door de inzet en werkwijze van de GI is de band tussen de kinderen en de vader aantoonbaar verslechterd. De maatregel dient geen reëel of haalbaar doel meer en is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Minder ingrijpende alternatieven, zoals het vastleggen van een zorgregeling in een ouderschapsplan of het benoemen van een bijzondere curator, zijn door de GI niet benut. Dat hulp voor de kinderen door toedoen van de vader niet van de grond komt, is een frame van de GI. De vader stelt dat hij heeft geprobeerd samen te werken met de GI, maar dat de GI partijdig, onprofessioneel en onbetrouwbaar is. Zowel de GI als de moeder nemen beslissingen zonder met hem te overleggen. De vader heeft het gevoel dat er een onjuist beeld van hem wordt geschetst en is bang dat hij hierdoor zijn band met de kinderen verliest. Er worden beschuldigingen aan zijn adres geuit zonder dat deze met bewijs worden onderbouwd. Het verzoek van de GI dient dan ook te worden afgewezen, aldus de man.
De GI is van mening dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling terecht heeft verlengd. De ernstige zorgen over de kinderen bestaan nog steeds, met name door het gedrag van de vader. Het lukt de vader niet om samen te werken met de GI. Ook heeft de GI nog steeds grote zorgen over de communicatie tussen de ouders, waardoor het toezicht van de GI nodig is. De GI ziet dat de kinderen last hebben van de situatie en dat uit zich, onder andere, in onzekerheid en woedeaanvallen. Verder is de kindercoach die al jaren bij de kinderen betrokken was, als gevolg van een door de vader gestarte klachtprocedure niet meer betrokken, waardoor nieuwe hulpverlening voor de kinderen moet worden gezocht. De ondertoezichtstelling is nodig om veilig contact tussen de kinderen en de vader te realiseren. De GI is van mening dat de vader opvoedondersteuning nodig heeft en dat de omgang begeleid moet plaatsvinden. De GI ziet geen reden om een bijzondere curator voor de kinderen te benoemen.
De moeder meent dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd. De vader heeft vanaf het begin niet willen samenwerken met enige hulpverlening. Hij heeft heel veel klachten ingediend tegen professionele hulpverleners en is zeer vijandig tegenover haar als moeder. De moeder is het eens met de stelling van de GI dat de kinderen baat hebben bij de ondertoezichtstelling. De vader handelt niet in het belang van de kinderen, zij worden hierdoor ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en dus is een ondertoezichtstelling nodig. De moeder staat open voor alle hulp van de GI. De moeder is, met de GI, van mening dat het verzoek van de vader om een bijzondere curator te benoemen moet worden afgewezen.
Het advies van de raad
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad het volgende naar voren gebracht. Het is heel verdrietig voor de kinderen dat de vader niet samenwerkt met de GI en dat zij geen contact met hun vader en zijn gezin hebben. Iedereen wil dat de kinderen fijn en veilig contact met de vader kunnen hebben. De huidige situatie en de houding van de vader naar de moeder en de kinderen toe maken dat een ondertoezichtstelling nodig is. De kinderen moeten door de vader gezien en begrepen worden. Dat is nu niet het geval, [minderjarige 2] geeft bijvoorbeeld aan dat zij haar vader mist, maar ook dat zij bang is. De hulp en begeleiding maar ook de regie en toezicht van de GI zijn nodig. De vader zal de eerste stap richting de GI moeten zetten, zodat de kinderen tijd met hem en zijn gezin kunnen doorbrengen.
De beoordeling door het hof
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De kinderen zijn in de zomer van 2021 onder toezicht gesteld van de GI vanwege ernstige zorgen over hun ontwikkeling en hun opvoedsituatie. De ontwikkelingsbedreiging was gelegen in de strijd tussen de ouders, het gebrek aan communicatie tussen hen en doordat afspraken ten aanzien van de omgang niet werden nagekomen. De kinderen werden belast met volwassenenzaken en dit uitte zich onder andere in fysieke klachten zoals buikpijn. De kinderen hebben gedurende meerdere jaren begeleiding van een kindercoach ontvangen om met de situatie te leren omgaan.
In de afgelopen jaren zijn de zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen niet afgenomen. De houding van de vader ten opzichte van de moeder en de GI is steeds meer verhard. Bij de vader bestaat veel wantrouwen tegenover de moeder en de GI. Hij verwijt de GI en de moeder het contact tussen hem en de kinderen in de weg te staan. De GI ziet echter een vader die niet openstaat voor feedback en het lastig vindt om te reflecteren op de situatie en op zijn eigen gedrag. Met name rondom de uitvoering van de zorgregeling zijn telkens weer problemen ontstaan, waarbij gemaakte afspraken door de vader niet werden en worden nagekomen. De kinderen worden hierdoor telkens teleurgesteld. De vader heeft de kinderen inmiddels, behalve een kort moment waarop hij onaangekondigd op het schoolplein verscheen, al maanden niet gezien. De kinderen hebben door de situatie last van onzekere en angstige gevoelens en fysieke klachten zoals hoofd- en buikpijn. Hulpverlening voor de kinderen wordt door de vader niet geaccepteerd en de vader is onbereikbaar voor de GI. Hoewel de begeleiding van de kindercoach inmiddels is beëindigd, blijft verdere hulpverlening voor de kinderen noodzakelijk. De GI en de moeder geven aan dat de kinderen veel last hebben van de situatie en behoefte hebben aan hulp en ondersteuning. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat ook nu nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.
Met de kinderrechter is het hof van oordeel dat het dwingende kader van een ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen (nog steeds) noodzakelijk is. Het hof overweegt hiertoe dat niet te verwachten is dat dat de vader zal meewerken met hulpverlening in het vrijwillig kader of dat de ouders op dit moment in staat zijn in onderling overleg met elkaar de omgang te regelen. Het hof acht het, gelet op de klachten die de kinderen ervaren, op dit moment van belang dat de hulpverlening voor de kinderen niet stagneert en dat er passende hulpverlening wordt ingezet. De GI wordt door de ondertoezichtstelling in staat gesteld deze hulpverlening in te zetten. Hoewel het hof opmerkt dat de ondertoezichtstelling in de afgelopen jaren niet het gewenste effect heeft gehad, acht het hof deze maatregel nog steeds noodzakelijk om veilig contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken. De vader lijkt onvoldoende in te zien hoezeer hij met zijn handelen de kinderen belast. De GI heeft aangegeven dat opvoedondersteuning voor de vader nodig is en dat de omgang tussen de kinderen en de vader voorlopig begeleid dient plaats te vinden. Het hof overweegt dat het aan de vader is om de samenwerking met de GI aan te gaan in het belang van de kinderen. Daarnaast is het hof van oordeel dat de moeder, gelet op de dynamiek tussen de ouders, ondersteuning en sturing geboden dient te worden in de communicatie met de vader. Het hof heeft er op dit moment, met name door de houding van de vader, onvoldoende vertrouwen in dat de moeder de omgang samen met de vader kan vormgeven. Tussenkomst van de GI is daarbij nodig. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen terecht heeft verlengd en dat deze maatregel ook nu nog moet voortduren.
Gelet op het voorgaande en hetgeen de GI en de moeder in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt het hof tot het oordeel dat het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator dient te worden afgewezen. Met de GI acht het hof de benoeming van een bijzondere curator niet zinvol, omdat dit niet zal leiden tot nieuwe inzichten. De GI heeft regelmatig en goed contact met de kinderen en inzet van een bijzondere curator zal daaraan niet wezenlijk iets toevoegen.
Uit het voorgaande volgt dat de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, die de ondertoezichtstelling vormt, gerechtvaardigd is. De inmenging is bij wet voorzien, noodzakelijk, en evenredig aan het doel. Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM faalt.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking van 4 augustus 2025 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem ;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.F. Miedema en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
