Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4511

Essentie (gemaakt door AI)

Vervangende toestemming erkenning. De man is verwekker; geen reëel risico dat erkenning de ongestoorde verhouding of ontwikkeling van het kind schaadt. Verzoek tot erkenning wordt toegewezen op grond van art. 1:204 lid 3 BW. Gezag, omgang en informatieregeling worden zes maanden aangehouden in afwachting van UHA-traject met MASIC en inzet Gezinsmanager. Provisioneel verzoek omgang met dwangsom wordt afgewezen. Rechter stuurt kindbrief met uitleg beslissing. Verdrag van Istanboel besproken; traject is daarmee verenigbaar.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Slachtoffers huiselijk geweld mogen niet worden gedwongen deel te nemen aan mediation"
In afstammings- en omgangszaak onderkent Rb impact huiselijk geweld. Ze verwijst naar art. 48 Verdrag van Istanbul als het gaat om alternatieve geschillenbeslechting: met instemming partijen deelname aan UHA-traject, juist om veiligheid.

Datum publicatie22-06-2026
ZaaknummerC/02/443358 FA RK 25-6652
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vervangende toestemming erkenning. Kindbrief. Verdrag van Istanboel. Verwijzing naar UHA.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/443358 FA RK 25-6652 (bodemprocedure)

C/02/443360 FA RK 25-6653 (provisioneel verzoek)

Datum uitspraak: 23 april 2026

beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang en een provisioneel verzoek

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat: mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer te Breda,

tegen:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze, gemeente Gilze en Rijen.

Als belanghebbende in onderhavige zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt

aangemerkt:

de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. M. Hofland in haar hoedanigheid van bijzondere curator.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1Het verdere procesverloop

1.1.

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 12 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;

  • een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] ;

  • het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ;

  • het op 20 maart 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator;

  • het op 23 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

  • het F9-formulier van de advocaat van de man van 24 maart 2025 met bijlage;

  • het F9-formulier van de advocaat van de man van 25 maart 2025 met bijlage;

  • het F9-formulier van de advocaat van de vrouw van 25 maart 2025 met bijlage;

1.2.

De verzoeken zijn mondeling behandeld op 27 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.

Vanwege de samenhang van de verzoeken van de man in deze zaak en het verzoek van de man in de zaak met zaaknummer C/02/444170 FA RK 26-317 zijn deze zaken gelijktijdig door de rechtbank behandeld.

1.4.

Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling een samenvatting gegeven van hetgeen hij met [minderjarige] heeft besproken, met instemming van [minderjarige] .

2De verzoeken

2.1.

De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in de bodemprocedure C/02/443358 FA RK 25-6652

I. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [minderjarige] ;

II. te bepalen een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de man en [minderjarige] inhoudende:

in de periode van vier weken dat de man aan boord verblijft:

- iedere woensdag en zaterdag om 18:00 uur een vast videobelmoment met [minderjarige] ;

in de periode van vier weken dat de man in Nederland verblijft:

- om de week van maandagmiddag na schooltijd tot de week erna maandagochtend voor schooltijd, in nader onderling overleg af te stemmen behoudens het vaarschema van de man;

dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist en redelijk acht;

bij wege van voorwaardelijke verzoeken:

III. primair de man te belasten met het gezamenlijke gezag over [minderjarige] , zodra de rechtbank de vervangende toestemming voor de erkenning heeft verleend;

IV. subsidiair te bepalen dat een informatieregeling aan de vrouw wordt opgelegd waarbij zij wordt verplicht, de man eens per maand, te informeren over relevante aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] , middels een verslag met daarbij een recente foto en een kopie van ieder schoolrapport, althans een zodanige (voorlopige) informatieregeling als de rechtbank juist acht;

V. en indien en voor zover uw rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om over de verzoeken van de man te kunnen oordelen, de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen ter beantwoording van de vragen, zoals omschreven sub 55 van het verzoekschrift;

bij wege van voorlopige voorziening (zaaknummer C/02/443360 FA RK 25-6653):

VI. een (voorlopige) omgangsregeling c.q. contactregeling vast te stellen, als volgt:

eerste periode van vier weken dat de man aan boord verblijft:

- iedere woensdag en zaterdag om 18:00 uur een vast videobelmoment met [minderjarige] ;

eerste periode van vier weken dat de man in Nederland verblijft:

- iedere maandag en woensdag na school tot 19:00 uur en iedere zondag van 09:00 uur tot 15:00 uur, waarbij de man haar op maandag en woensdag uit school haalt en haar ’s avonds naar de vrouw terugbrengt alsook haar zondag ophaalt en weer naar de vrouw terugbrengt;

tweede periode van vier weken dat de man aan boord verblijft:

- iedere woensdag en zaterdag om 18:00 uur een vast videobelmoment met [minderjarige] ;

tweede periode van vier weken dat de man in Nederland verblijft:

- iedere maandag en woensdag na school tot 19:00 uur en iedere zondag van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de man haar op maandag en woensdag uit school ophaalt en haar ’s avonds naar de vrouw terugbrengt alsook haar op zondag ophaalt en weer naar de vrouw terugbrengt;

derde periode van vier weken dat de man aan boord verblijft:

- iedere woensdag en zaterdag om 18:00 uur een vast videobelmoment met [minderjarige] ;

derde periode van vier weken dat de man in Nederland verblijft:

- iedere maandag en woensdag na school tot 19:00 uur en één weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij de man haar op maandagmiddag en woensdagmiddag uit school ophaalt en haar ’s avonds naar de vrouw terugbrengt alsook haar op vrijdagmiddag ophaalt en op zondagmiddag weer naar de vrouw terugbrengt,

althans een (voorlopige) omgangsregeling c.q. contactregeling als uw rechtbank juist en redelijk acht en de vrouw te veroordelen hieraan haar medewerking te verlenen met onmiddellijke ingang op straffe van een dwangsom van € 500,00 indien zij hieraan niet voldoet.

2.2.

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans de verzoeken van de man als ongegrond afte wijzen, onder veroordeling tot betaling door de man aan de vrouw van één keer griffierecht alsmede één eigen bijdrage Raad voor Rechtsbijstand (laagste categorie).

3De nadere beoordeling

3.1.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. M. Hofland benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de haar verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het afstammingsverzoek in te nemen.

3.2.

Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:

  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

  • Zij zijn op 2 januari 2024 een geregistreerd partnerschap aangegaan.

  • Dit geregistreerd partnerschap is op 17 april 2025 beëindigd.

  • [minderjarige] is geboren tijdens de relatie van partijen.

  • De man heeft [minderjarige] niet erkend.

  • Op de geboorteakte van [minderjarige] staat enkel de moeder als ouder vermeld;

  • De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] .

  • De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • De man, de vrouw en [minderjarige] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.

3.3.

De man legt aan zijn (bodem)verzoek ten grondslag dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . Partijen hebben acht jaar een relatie gehad en de man heeft altijd een actieve rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . De man was vanwege zijn werk als kapitein steeds vier weken van huis en dan vier weken thuis. In de tijd dat hij thuis was, droeg hij de volledige zorg voor [minderjarige] . In september 2024 is de relatie van partijen verbroken. Partijen hebben sindsdien afspraken proberen te maken. Tot op heden zijn er geen afspraken gemaakt over de omgang tussen [minderjarige] en de man. De man heeft [minderjarige] niet mogen zien van 13 november 2024 tot 18 juli 2025. De man heeft de vrouw geholpen met de verhuizing en na 26 augustus 2025 heeft hij [minderjarige] weer niet meer mogen zien. Naast een eenmalig contact tijdens het overblijven op de school van [minderjarige] op 6 oktober 2025 heeft hij [minderjarige] niet meer gezien. Er is ook op geen enkele andere manier contact tussen de man en [minderjarige] . Naast een herstel van contact, wil de man ook overgaan tot de erkenning van [minderjarige] . Hij stelt dat er geen omstandigheden aanwezig zijn die een erkenning in de weg staan. Nadat de erkenning heeft plaatsgevonden, wenst de man ook gezamenlijk met de vrouw met het gezag te worden belast. Er is geen omstandigheid aanwezig op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zolang er (nog) geen sprake is van gezamenlijk gezag verzoekt de man een informatieregeling vast te stellen. Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de man aangegeven dat de vrouw geen overleg met hem wenst en dus ook niet is gelukt om tot afspraken over de omgang tussen [minderjarige] en de man te komen. De man stelt dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang. Hij wenst zo snel mogelijk te komen tot contactherstel met [minderjarige] zodat hij inhoud kan geven aan zijn vaderschap. De man stelt voor een omgangsregeling vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met zijn werkzaamheden waardoor hij steeds afwisselend vier weken thuis is en vier weken aan het werk is. Indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht dan verzoekt de man de Raad een onderzoek te laten uitvoeren.

3.4.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. Zij stelt dat de man nimmer een vader voor [minderjarige] heeft willen zijn. Hij stuurde aan op een abortus en hij heeft altijd een beperkte rol gehad. Partijen hadden een latrelatie en de man wilde alleen de vrouw op de momenten dat hij dat wilde. De man zorgde niet voor [minderjarige] en hij is geen primaire hechtingsfiguur voor [minderjarige] . De relatie van partijen kenmerkte zich door aantrekken en afstoten. Het is niet gelukt de man deel te laten uitmaken van het gezinsleven. De vrouw deed er alles voor om de man tevreden te houden. Zij heeft geprobeerd te faciliteren dat de man een hechtingsband met [minderjarige] kon opbouwen. Naast het zorgen voor [minderjarige] moest de vrouw ook zorgen voor de emotieregulatie van de man. De relatie van partijen kreeg een destructief karakter en er was sprake van dwang en controle. Na een jarenlange relatie is de vrouw uiteindelijk in januari 2024 bij de man gaan wonen en zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan. Er veranderde echter niets. De man bleef onveranderd in zijn levensstijl en bleef zijn plichten en verantwoordelijkheden als ouder ontlopen. De vrouw wilde hierover met de man in september 2024 in gesprek, maar de man heeft dit geweigerd. Nadat duidelijk was dat de vrouw de relatie duurzaam had beëindigd, zijn de pesterijen door de man begonnen. De man heeft op meerdere websites een profiel en bewerkt expliciet beeldmateriaal van de vrouw online gezet, met de vermelding van haar contactgegevens. Hierdoor is de vrouw langdurig ongewild door vreemden benaderd voor seks. Begin 2025 ontdekte de vrouw dat zij opnieuw zwanger was van de man. De vrouw erkent dat zij de man dit op een laat moment heeft verteld. Dit kwam omdat zij angstig was voor zijn reactie. De man was furieus en dit heeft voor veel onrust gezorgd bij de vrouw. De man heeft geprobeerd de vrouw hoogzwanger uit de gezamenlijke woning te zetten en hij heeft ook de bankrekening van [minderjarige] deels geleegd. Daarnaast heeft hij onterechte meldingen gedaan bij de politie en handhaving om allerlei zaken. Het terreur door de man is na de geboorte van [persoon 1] doorgegaan door middel van gaslighting. De vrouw heeft hierdoor PTSS ontwikkeld en zij lijdt aan chronische stress. Het handelen door de man heeft ook weerslag op [minderjarige] . Zij ervaart het handelen door de man als zeer onveilig en zij heeft daardoor een weerstand tegen hem ontwikkeld. De man lijkt het niet te verkroppen dat de vrouw hem heeft verlaten en blijft strijden om de vrouw in zijn macht te krijgen. Ten aanzien de verzochte vervangende toestemming van de erkenning voert de vrouw aan dat [minderjarige] goed in staat is haar mening te formuleren over bepaalde onderwerpen nu zij voorloopt op de meeste kinderen van haar leeftijd. De band tussen haar en de man is ernstig beschadigd en er heeft nooit een veilige hechting plaatsgevonden. Als er hulp komt dan zal dit gericht moeten zijn op de man en zijn falende wijze van omgang met [minderjarige] . De man heeft in al die jaren niet over willen gaan tot een erkenning. Inmiddels is de vrouw van mening dat een erkenning voor een disbalans zal zorgen en ook [minderjarige] heeft een nadrukkelijk mening hierover ontwikkeld. De vrouw wil de band met [minderjarige] niet beschadigen door medewerking te verlenen aan de erkenning. Dit zou het vertrouwen van [minderjarige] in haar beschadigen. De vrouw verzet zich dan ook tegen dit verzoek van de man.

3.5.

De vrouw verzet zich voorts ook tegen het verzoek tot gezamenlijk gezag na de erkenning aangezien hiervoor iedere basis ontbreekt. Voordat er sprake kan zijn van gezamenlijk gezag zullen heel veel stappen moeten worden gezet en zal de man zijn gedrag moeten aanpassen. Een informatieregeling kan de vrouw op dit moment niet aan door alle pesterijen en manipulatie door de man. Het triggert haar PTSS en zij kan niet verder met het verwerken van haar trauma’s. De hulpverlening aan de zijde van de vrouw geeft aan dat de vrouw eerst moet herstellen en daarna terug kan in het arbeidsproces waarna mogelijk ruimte ontstaat voor contact met de man. Informatie leidt tot controle en de vrouw moet uit de invloedssfeer van de man kunnen raken. Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de vrouw aangevoerd dat de man nooit heeft omgekeken naar [minderjarige] . Zij heeft geen vertrouwen in haar vader en wijst dit contact resoluut af. De vrouw is van mening dat [minderjarige] hierin een stem dient te krijgen en zij moet het vertrouwen in haar vader kunnen opbouwen. Daarna kan pas het onderwerp omgang aan de orde komen.

3.6.

De bijzondere curator heeft in haar verslag aangegeven dat er geen discussie tussen partijen bestaat over de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] . Het belang van de man bij een erkenning zal door de rechtbank afgewogen moeten worden tegen de belangen van de vrouw of [minderjarige] bij niet-erkenning. Voordat partijen uit elkaar gingen was er op regelmatige basis contact tussen [minderjarige] en de man. Als basis dient te worden gehanteerd dat zowel [minderjarige] als de man er aanspraak op kunnen maken dat de feitelijke band tussen hen beiden ook juridisch wordt vastgelegd. Immers, basisregel in het afstammingsrecht is dat, zoveel als mogelijk, juridische en feitelijke situatie gelijk zijn. Ook staat in deze zaak vast dat er sprake is van familylife tussen [minderjarige] en de man. De vrouw heeft haar redenen gegeven waarom zij zich verzet tegen een erkenning. Deze redenen zijn naar de mening van de bijzondere curator echter onvoldoende om aan te nemen dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] door de erkenning worden geschaad of dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] door de erkenning in het gedrang komen. Er bestaan dan ook geen zwaarwegende redenen om de vervangende toestemming tot erkenning van de man te onthouden. Hoewel de bijzondere curator begrip heeft voor de gevoelen van de vrouw en dit stress bij haar veroorzaakt, staat dit echter de toewijzing van het verzoek niet in de weg. Afwijzing van het verzoek zou overigens de angst/weerstand tegen de man bevestigen en dit brengt volgens de bijzondere curator meer schade voor [minderjarige] mee dan een advies om de erkenning wel toe te staan. [minderjarige] weet dat de man haar vader is en zij hebben beiden recht op het gelijktrekken van de juridische situatie met de feitelijke situatie. Het argument van de vrouw dat de man door een erkenning een machtspositie wenst te creëren dient te worden meegenomen in de beoordeling ten aanzien van het gezag. Ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het gezag en de omgang adviseert de bijzondere curator de Raad een onderzoek te laten uitvoeren.

3.7.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij het zeer zorgelijk vindt dat [minderjarige] op de hoogte is van een aantal zaken die niet bij een kind gelegd zouden mogen worden. Zo is het zeer schadelijk voor [minderjarige] dat zij weet dat er twijfels zijn geweest tijdens de zwangerschap en of zij gewenst was. Dit doet veel met haar gevoel van eigenwaarde en hier had zij nooit op deze wijze mee belast mogen worden. Doordat [minderjarige] hoogbegaafdheid denkt zij op een andere wijze en heeft zij andere patronen van beredeneren, maar zij is en blijft een kind. En zeker als een kind geneigd is om bepaalde verbanden te leggen, moet een kind daarvoor worden beschermd door de volwassenen om haar heen. [minderjarige] heeft daarin ondersteuning nodig en zo nodig, de bevestiging, dat bepaalde verbanden die zij legt niet kloppen. Ook het gevoel van ongewenst zijn, is niet de dragen voor een negenjarig meisje. De situatie is dan ook naar de mening van de Raad zeer zorgelijk. De Raad is voorts van mening dat er geen gronden aanwezig zijn waardoor een erkenning niet in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. De man is immers de biologische vader van [minderjarige] . Teneinde in deze zaak tot een doorbraak te komen en te onderzoeken of er een basis kan worden gecreëerd om de man een plek in het leven van [minderjarige] te geven zijn er verschillende zaken nodig volgens de Raad. Ten eerste dient naast een politieonderzoek naar de door de vrouw gestelde wraakporno de MASIC (Mediator's Assessment of Safety Issues and Concerns) te worden afgenomen. Dit om mede te kunnen beoordelen of er sprake is (geweest) van intieme terreur en/of dwingende controle in de relatie van partijen. Daarnaast zal in beeld moeten worden gebracht welke dynamieken er zijn in de relatie van partijen en met welke aspecten rekening gehouden moet worden. Als hierover meer duidelijkheid is dan kan onderzocht worden wat er nodig is voor [minderjarige] , tevens rekening houdend met haar hoogbegaafdheid. De Raad verwacht dat dit traject kan plaatsvinden binnen het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Als partijen naar het zorgloket worden verwezen dan kunnen de jeugdprofessionals van de gemeente met partijen aan de slag gaan. Zij kunnen regievoeren over het in te zetten traject. De Raad ziet hierin ook inzet van de Gezinsmanager als aangewezen instantie om systemische hulpverlening te bieden en ook te kunnen voorzien in begeleide omgang. De Gezinsmanager zou daarbij extra expertise over hoogbegaafdheid in kunnen winnen bij [hulpverlening] zodat zoveel mogelijk wordt voorzien in de zorgbehoefte van [minderjarige] . Als later ook uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader is van [persoon 1] dan dient ook [persoon 1] in dit traject te worden meegenomen. Tot slot heeft de vertegenwoordigster van de Raad (mevrouw [persoon 2] ) aangegeven bereid te zijn om een ‘warme overdracht’ te geven aan de zorgprofessionals van de gemeente zodat met de complete startinformatie het traject kan worden opgestart. De Raad acht het van belang dat over zes maanden een moment plaatsvindt dat de Raad zal informeren naar de stand van zaken van het UHA-traject. Indien mocht blijken dat dit traject niet goed verloopt kan op dat moment alsnog de afweging worden gemaakt of een beschermingsonderzoek opgestart zou moeten worden door de Raad. De Raad heeft er rechtbank tot slot in overweging gegeven om alle verzoeken aan te houden zodat [minderjarige] de gelegenheid wordt geboden om aan het idee te wennen dat aan de man vervangende toestemming tot erkenning wordt gegeven. Mogelijk kan dit helpend zijn voor haar.

3.8.

Reagerend op de voorgaande standpunten en de vragen van de rechtbank is namens de man aangegeven dat hij de aantijgingen die worden gedaan door de vrouw geheel ontkent. Er is geen sprake (geweest) van intieme terreur of dwingende controle. Deze stellingen van de vrouw zijn ook niet onderbouwd met nadere stukken. Partijen hebben tijdens de relatie altijd samengewoond, maar de man was regelmatig afwezig in verband met zijn werk. In de perioden dat hij thuis was heeft hij altijd met de vrouw voor [minderjarige] gezorgd. De man kan achter het door de Raad gestelde traject staan. Wel verzoekt de man om een beslissing te nemen over het verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen.

3.9.

Zijdens de vrouw is, in reactie op het voorgaande en vragen van de rechtbank, naar voren gekomen dat zij nimmer zaken met [minderjarige] met zoveel woorden bespreekt, maar dat [minderjarige] door haar hoogbegaafdheid zelf bepaalde verbanden met de man legt. De vrouw stelt dat de man moet stoppen met de terreur en zelf hulp moet gaan zoeken. De vrouw staat verder open voor hulpverlening. Zij heeft vertrouwen in de regie door de jeugdprofessionals van de gemeente Oosterhout en dat er in het kader van UHA een maatwerktraject zal worden uitgezet. Eerst zal de MASIC moeten worden afgenomen en er zal een overdracht moeten plaatsvinden waar partijen elkaar niet zullen treffen. De vrouw hoopt dat de man uiteindelijk ook vertrouwen krijgt in hulp door [persoon 3] . Zij is gespecialiseerd in hulp voor hoogbegaafde kinderen. Namens de vrouw wordt verzocht alle verzoeken aan te houden.

3.10.

De bijzondere curator heeft aangegeven dat zij de overweging van de Raad begrijpt om ook het verzoek tot het verlenen van de vervangende toestemming tot erkenning aan te houden. Het zou niet goed voor [minderjarige] zijn als zelf invult dat de erkenning niet goed voor haar is. Ook moet worden voorkomen dat door toewijzing van het verzoek bij [minderjarige] weerstand ontstaat omdat er niet naar haar wordt geluisterd. Indien de rechtbank een beslissing neemt over de erkenning, verzoekt de bijzondere curator de rechtbank om aan [minderjarige] een brief te schrijven waarin de beslissing aan haar wordt uitgelegd.

Inhoudelijke beoordeling

Vervangende toestemming erkenning

3.11.

In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.

3.12.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Het uitgangspunt van de wetgever is dat het afstammingsrecht zoveel mogelijk in overeenstemming dient te zijn met de biologische werkelijkheid, hetgeen in het licht van de identiteitsontwikkeling van kinderen als zwaarwegend moet worden beschouwd. Om het verzoek van de man te beoordelen moet een belangenafweging worden gemaakt.

De belangen van de vrouw, de man en [minderjarige] worden daarbij tegen elkaar afgewogen, waarbij het uitgangspunt is dat zowel het kind als de verwekker recht hebben op erkenning als familierechtelijke betrekking. Het belang van de man wordt afgezet tegen het belang van moeder en kind bij het niet-erkennen. De moeder heeft belang bij een ongestoorde relatie met het kind. Schade aan het kind wordt alleen aangenomen als er reële risico’s aanwezig zijn dat de erkenning de sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling van het kind belemmert. Erkenning mag niet leiden tot een psychische toestand bij de moeder die haar ongeschikt maakt om het kind een stabiel opvoedingsklimaat te bieden.

3.13.

[minderjarige] weet dat de man haar biologische vader is. Het lijkt dat partijen een turbulente relatie hebben gehad waarbij de verhoudingen tussen partijen wisselend zijn geweest. Feit is dat de verhoudingen op dit moment zeer ernstig verstoord zijn en ook [minderjarige] een weerstand heeft ontwikkeld tegen (het contact met) de man. [minderjarige] wil ook niet dat de man haar zal erkennen. Tegelijkertijd is gebleken dat [minderjarige] is belast met zaken die niet horen bij een negenjarig kind. Van omstandigheden waaruit blijkt dat een erkenning de vrouw zodanig uit balans zou brengen dan wel dat er reële risico’s aanwezig zijn dat een erkenning de sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] zal belemmeren is echter onvoldoende gebleken. De rechtbank ziet in deze zaak ook geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De bezwaren van de vrouw zien met name op zaken die aan de orde komen bij de beoordeling van de verzoeken met betrekking tot het gezag en de omgang.

3.14.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank het verzoek van de man zal toewijzen en hem vervangende toestemming zal verlenen om [minderjarige] te erkennen. Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan dan zal de man [minderjarige] nog wel met deze beschikking bij de gemeente moeten gaan erkennen.

3.15.

De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

Ouderlijk gezag

3.16.

Nu de man (nog) geen juridische ouder is van [minderjarige] kan de rechtbank nog geen inhoudelijke beslissing nemen over het verzoek met betrekking tot het gezag. Dit verzoek zal dan ook worden aangehouden. Van de advocaat van de man wordt verwacht dat zij de rechtbank na de erkenning een akte van geboorte zal toekomen met daarbij de latere vermelding van de erkenning. Daarna kan dit verzoek worden meegenomen in de verdere behandeling van deze zaak.

Omgang en informatieregeling - Uniform Hulpaanbod (UHA)

3.17.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij in het kader van een UHA-traject hulpverlening zullen accepteren. De regie van deze hulpverlening zal worden uitgevoerd door de jeugdprofessionals van de gemeente Oosterhout. Voor de beoordeling van mogelijke onveiligheid in dit traject is het daarbij van belang dat de vrouw de jeugdprofessionals zal informeren over de stand van zaken en/of uitkomst van een politieonderzoek naar aanleiding van wraakporno. Daarnaast dient de jeugdprofessional regie te voeren en toezicht te houden dat de MASIC zal worden afgenomen om tot een inschatting te komen in hoeverre in deze zaak mogelijk sprake is van intieme terreur dan wel dwingende controle. Hoewel de rechtbank niet de bevoegdheid heeft om de inhoud van het traject te bepalen, sluit de rechtbank zich aan bij de visie van de Raad en de bijzondere curator dat in deze zaak aangewezen is dat de Gezinsmanager wordt ingezet. Dit om systemische begeleiding en omgangsbegeleiding te bieden in deze zeer complexe casus. Gezien enerzijds de kindeigen problematiek bij [minderjarige] en anderzijds het dreigend langdurig contactverlies is een zwaardere en systemische interventie noodzakelijk. Ook zal door de jeugdprofessional onderzocht moeten worden of expertise van [hulpverlening] op zijn plaats en geboden is om de specialistische kennis en zorg voor [minderjarige] in te schakelen. De vertegenwoordigster van de Raad (mevrouw [persoon 2] ) heeft aangeboden om de zaak “warm” over te dragen en aan te sluiten bij het kennismakingsgesprek. Ook wil zij over zes maanden geïnformeerd worden over het verloop van het traject en de stand van zaken.

3.18.

De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

3.19.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;

- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

3.20.

Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie);

- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;

- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).

3.21.

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

3.22.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .

3.23.

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

3.24.

Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

3.25.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

  • Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

  • Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?

  • Hoe moet die regeling eruit gaan zien?

  • Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

  • In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

  • Welke informatieregeling waarbij de vrouw de man over [minderjarige] informeert komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

3.26.

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

3.27.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

3.28.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

3.29.

Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot de omgang en de informatieregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Verdrag van Istanboel

3.30.

De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling de verplichtingen van de rechtbank besproken die voortkomen uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanboel) dat 1 maart 2016 in Nederland in werking is getreden. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen - onder andere - vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanboel staat bij artikel 2 lid 2 dat het Verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook mannen en kinderen. In artikel 18 lid 1 van het Verdrag staat dat de verdragsluitende staten maatregelen dienen te nemen die nodig zijn ter bescherming van alle slachtoffers tegen verdere daden van geweld.

3.31.

De rechtbank dient rekening te houden met zowel het belang van het kind en van de vrouw om beschermd te worden tegen iedere vorm van mishandeling of geweld (zoals onder andere neergelegd in artikel 31 Verdrag van Istanboel), en tegelijkertijd met het belang van het kind en de man om het contact zo snel mogelijk te herstellen (mits dit veilig kan plaatsvinden) (onder andere artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). Voorts bepaalt artikel 48 Verdrag van Istanboel dat slachtoffers van huiselijk geweld niet mogen worden gedwongen deel te nemen aan mediation of vergelijkbare procedures indien er sprake is geweest van huiselijk geweld. Dit verbod is bedoeld om te voorkomen dat slachtoffers opnieuw slachtoffer worden van het systeem en om hun veiligheid en rechtspositie te waarborgen.

3.32.

De rechtbank heeft de betekenis van de bepalingen in het Verdrag van Istanboel met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling. Beide partijen via hun advocaten hebben ingestemd met het UHA-traject en dit traject is juist ook bedoeld om te onderzoeken of, en op welke wijze er op een veilige manier gewerkt kan worden naar een vorm van invulling van het ouderschap en contactherstel. Dit traject is in dat kader door voldoende waarborgen omgeven en dan ook niet strijdig met de bepalingen uit het verdrag. Het UHA-traject is namelijk niet bedoeld dat partijen samen met elkaar aan tafel moeten gaan zitten, maar juist om te bezien of (en zo hoe) er veilig contact kan worden opgebouwd tussen [minderjarige] en de man.

3.33.

De rechtbank overweegt tot slot dat de behandeling van de verzoeken met betrekking tot de omgang- en informatieregeling zullen worden aangehouden in afwachting van het bericht van het zorgloket in het kader van UHA.

Provisionele voorziening

3.34.

De man is van mening dat om de band tussen hem en [minderjarige] te herstellen het van belang is dat er op regelmatige basis omgang plaatsvindt. De vrouw heeft sinds augustus het stelselmatig nagelaten de man te informeren en omgang tussen de man en [minderjarige] toe te laten. Om te voorkomen dat [minderjarige] langer onthouden wordt van het contact met de man acht de man een voorlopige regeling in afwachting van een definitieve beslissing over de omgangsregeling in het belang van [minderjarige] . Omdat de man verwacht dat de vrouw uit eigen beweging hieraan geen medewerking zal verlenen, verzoekt de man om een dwangsom te verbinden aan de omgangsregeling.

3.35.

Door de vrouw is verweer gevoerd tegen dit verzoek van de man. Op dit moment heeft [minderjarige] weerstand naar de man en is er geen ruimte voor een voorlopige regeling. De vrouw verzoekt dit verzoek dan ook af te wijzen.

3.36.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

3.37.

In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht.

3.38.

Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.

3.39.

De rechtbank overweegt voorts dat in deze zaak sprake is van een zeer complexe situatie waarin op dit moment geen ruimte is om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Zoals hierboven overwogen zullen partijen een UHA-traject ingaan waar het nodige moet gaan gebeuren. In dat traject zal moeten worden onderzocht en gewerkt worden naar een situatie waarin het contactherstel kan gaan plaatsvinden tussen [minderjarige] en de man. Op dit moment is dit nog niet aan de orde. Het is dan ook niet in het belang van [minderjarige] om nu voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het verzoek van de man om een provisionele voorziening vast te stellen, zal dan ook worden afgewezen.

Kindbrief aan [minderjarige]

3.40.

Ter gelegenheid van het kindgesprek heeft [minderjarige] aangegeven dat zij de uitkomst van de mondelinge behandeling wilde horen van haar moeder. De rechter begrijpt dat zij dit zo wenst, maar hij vindt het belangrijk om het zelf uit te leggen aan [minderjarige] . De rechter zal dan ook een brief aan [minderjarige] sturen met daarin de uitleg van de beslissingen die zijn genomen en waarom de rechter deze beslissingen heeft genomen. De rechter zal een brief met de volgende tekst aan [minderjarige] sturen:

Beste [minderjarige] ,

Ik heb op 25 maart 2026 met jou gesproken. Jij hebt mij toen verteld dat jij niet wilde dat jouw vader op jouw geboorteakte komt te staan, dat hij gezag over jou krijgt en je wil ook geen contact met hem. Ik heb tijdens dit gesprek goed naar jou geluisterd en ik weet dat jij dit zo wil. Ik heb jou ook uitgelegd dat ik uiteindelijk de beslissing neem en dat het kan zijn dat ik een beslissing neem die niet hetzelfde is als jouw wens.

Ik heb op 27 maart 2026 met jouw mama en papa, hun advocaten, de bijzondere curator (mevrouw Hofland) en een mevrouw van de Raad voor Kinderbescherming gepraat. Ik heb geluisterd naar wat iedereen van de zaak vond. Jouw mama en papa vinden het allebei belangrijk dat het goed met jou gaat.

Ik ga een beslissing nemen op het verzoek van jouw vader om jou te mogen erkennen. Ik weet dat jij dit niet wil en ik zal je het volgende uitleggen. In de wet is geregeld dat een biologische vader en een kind er recht op hebben dat zij familie van elkaar zijn. Dus dat betekent dat een vader op een geboorteakte van een kind staat. Dit is een heel belangrijk recht. En ik moet mij aan de wet houden als rechter. Ook al wil jij dit niet, dit betekent niet dat ik mij niet aan de wet hoef te houden en alleen kan beslissen wat jij wil. Ik ga dan ook beslissen dat jouw vader jou mag gaan erkennen. Jouw vader is jouw biologische vader en dat betekent ook dat hij op jouw geboorteakte komt te staan.

Verder hebben jouw papa en mama met elkaar en de Raad voor de Kinderbescherming afgesproken dat zij gaan meewerken met hulpverlening zodat zij kunnen gaan kijken of het mogelijk is dat jij in de toekomst contact kan krijgen met jouw vader. Dit betekent niet dat jij meteen omgang hebt met jouw vader, maar wel dat jouw ouders en de hulpverlening daarover met elkaar gaan praten. Het kan ook zijn dat ze met jou daarover gaan praten en dan kan jij ook vertellen wat jij daarvan vindt. Als het anders loopt dan dat jij wilt, betekent dit niet dat er niet naar jou wordt geluisterd. Er zal worden gekeken door de volwassen mensen wat het beste is voor jouw ontwikkeling.

Ik hoop dat ik met deze brief heb kunnen uitleggen waarom ik deze beslissing heb genomen. Jij hoeft nu niets te doen. Ik wens je het allerbeste toe en ik hoop dat de hulp jou ook gaat helpen om beter om te gaan met de situatie.

Vriendelijke groeten,

Mr. Sumner, rechter.

3.41.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4De beslissing

De rechtbank

in zaaknummer C/02/443358 FA RK 25-6652

4.1.

verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017;

4.2.

beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;

4.3.

verwijst partijen en hun minderjarige kind(eren) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige(n) verwijzen naar de zorgaanbieder;

4.4.

verzoekt het loket om uiterlijk 20 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

4.5.

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

4.6.

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

4.7.

verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 3.23 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

4.8.

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

4.9

houdt aan iedere verdere beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de omgang- en de informatieregeling;

in zaaknummer C/02/443360 FA RK 25-6653

4.10

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026, in aanwezigheid van Boink, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1

In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733