Essentie (gemaakt door AI)
Gezag van ouders wordt gewijzigd waarin de vrouw met eenhoofdig gezag is belast. De rechtbank acht gezamenlijk gezag niet langer houdbaar wegens gebrek aan veilige basis voor de kinderen, structurele communicatieproblemen en toegenomen angst bij de kinderen (o.a. Syrië‑incident). Omgang met vader wordt voor een jaar ontzegd omdat omgang thans ernstig nadeel oplevert en de kinderen ernstige bezwaren hebben. Verzoek van vader tot hoofdverblijfwijziging wordt afgewezen. Kinderalimentatie wordt aangehouden voor nadere gegevens.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-06-2026 |
| Zaaknummer | C/02/425986 / FA RK 24-3952, C/02/437078 / FA RK 25-3319 C/02/445339 / FA RK 26-969 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Middelburg |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Geen omgang (een van) ouders; Gezag; Alimentatie; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wijziging gezag in belang kinderen, geen omgang in verband met het feit dat de kinderen sinds stopzetting tot ontwikkeling komenVolledige uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummers: C/02/425986 / FA RK 24-3952, C/02/437078 / FA RK 25-3319 en C/02/445339 / FA RK 26-969
datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking betreffende wijziging hoofdverblijf, zorgregeling, gezag en vaststelling kinderalimentatie
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
verzoeker in zaaknummer: C/02/425986 / FA RK 24-3952,
verweerder in zaaknummers: C/02/437078 / FA RK 25-3319 en C/02/445339 / FA RK 26-969,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verweerster in zaaknummer: C/02/425986 / FA RK 24-3952,
verzoekster in zaaknummers: C/02/437078 / FA RK 25-3319 en C/02/445339 / FA RK 26-969,
advocaat: mr. M.P. Kapteijn te Middelburg.
De rechtbank merkt als informant aan::
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI);
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
In zaaknummer: C/02/425986 / FA RK 24-3952
- het op 26 augustus 2024 ontvangen verzoek van de man met bijlagen;
- F9-formulier van mr. Kalle van 5 september 2024;
- F9-formulier van mr. Kalle van 25 september 2024;
- F9-formulier van mr. Kalle van 1 oktober 2024;
- F9-formulier van mr. Kalle van 11 juli 2025 met bijlage;
- F9-formulier van mr. Kalle van 20 augustus 2025;
- F9-formulier van mr. Kalle van 2 april 2026 met bijlagen.
In zaaknummer C/02/437078 / FA RK 25-3319
- het op 12 juni 2025 ontvangen verzoek van de vrouw met bijlagen;
- het op 24 september 2025 ontvangen verweerschrift van de man;
- F9-formulier van mr. Kalle van 27 maart 2026 met bijlagen;
- F9-formulier van 30 maart 2026 van mr. Kapteijn met bijlagen.
In zaaknummer C/02/445339 / FA RK 26-969
- het op 11 februari 2026 ontvangen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;
- het op 25 maart 2026 ontvangen verweerschrift van de man;
- F9-formulier van mr. Kalle van 2 april 2026 met bijlagen;
- de brief van de GI van 7 april 2026 met bijlagen.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt. Op de zitting is kort samengevat wat de minderjarigen hebben verteld en de aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummers C/02/443279 / JE RK 25-2277, en C/02/438231 / JE RK 25-1403. Op deze zaaknummers is per separate beschikking beslist.
2De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2018 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 juli 2018 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (Syrië) op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] (Turkije) op [geboortedag 2] 2013.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 juni 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 juni 2018 en tot 19 juni 2019. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 19 juni 2021 en tot 19 maart 2022.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 september 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wederom onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2024 en tot 20 september 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd voor het laatst bij beschikking van 15 april 2026 met ingang van 20 april 2026 en tot 20 september 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2020 is het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw bepaald. Daarnaast is er een zorgregeling bepaald waarbij de minderjarigen en de man minimaal één middag per twee weken begeleid omgang met elkaar zullen hebben en waarbij, onder regievoering door de GI, wordt toegewerkt naar een uitbreiding van deze regeling naar een weekend in de twee weken, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, een ander met inachtneming van hetgeen daarover in rechtsoverweging 2.10 is overwogen.
Bij beschikking van 6 november 2024 is in het kader van voorlopige voorzieningen de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 1 juli 2020 voorlopig gewijzigd en is bepaald dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar en waarbij in samenspraak met de GI wordt toegewerkt naar een reguliere weekendregeling, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag tot en met zondagavond
3De verzoeken
In zaaknummer: C/02/425986 / FA RK 24-3952
De man verzoekt, naar de rechtbank begrijpt onder wijziging van de beschikking van 1 juli 2020, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderen het hoofdverblijf hebben bij de man en subsidiair een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de man de zorg over de kinderen heeft gedurende twee van de drie weekenden van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00 uur, waarbij de man de kinderen zal halen en terugbrengen, alsmede gedurende de helft van de vakanties waarbij hij in ieder geval altijd gedurende de bouw(vak)vakantie de zorg over de kinderen heeft, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht.
De vrouw voert verweer tegen deze verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
In zaaknummer C/02/437078 / FA RK 25-3319 (kinderalimentatie)
De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 2 juli 2028, naar de rechtbank begrijpt 2 juli 2018, te wijzigen en te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen van € 223,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 mei 2025, althans een zodanig bedrag en met ingang van de datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, dan wel een eventuele bijdrage vast te stellen op een lager bedrag dan door de vrouw is verzocht en primair met ingang van de datum van de in deze te geven beschikking dan wel subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift.
In zaaknummer C/02/445339 / FA RK 26-969 (gezag)
De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen wordt beëindigd en dat de vrouw alleen wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.
De man voert verweer en verzoekt de verzochte wijziging van het ouderlijk gezag af te wijzen.
In alle zaaknummers
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling de verzoeken, hierna ingegaan.
4De beoordeling
De rechtbank zal met het meest ingrijpende verzoek beginnen.
Wettelijk kader wijziging gezag
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
Wat vindt de vrouw?
De vrouw verwijst naar de beschikking van 1 juli 2020. Ook toen voelden de kinderen zich emotioneel niet veilig bij de man. Toen is er uiteindelijk na een heel traject begeleide omgang vastgesteld en dat was minimaal. De vrouw is steeds degene geweest die het initiatief heeft genomen om de omgang weer op te starten. Zij zag wat het belang van de kinderen was om contact te hebben met beide ouders. Zij ziet nu ook dat de kinderen sinds de omgang is gestopt weer zijn gaan stralen en hoe hun leven in positieve zin is veranderd. De vrouw wijst er daarnaast op dat er al meerdere ondertoezichtstellingen zijn geweest. De samenwerking tussen de ouders verbetert niet. De man heeft in de afgelopen zes jaar geen ontwikkeling doorgemaakt en de kinderen dreigen hierdoor klem en verloren te geraken. Met de vaders van haar andere kinderen is er weer wel contact; daar is veel veranderd.
Het incident met betrekking tot Syrië is afgelopen zomer, 2025, gebeurd. Het was zeker het plan van de man om naar Syrië te gaan en daar te blijven. De man heeft expliciet aangegeven dat Syrië hun land is en dat zij in Nederland altijd buitenlanders zouden zijn. Mochten de kinderen niet vrijwillig naar Syrië willen dan kon hij het ook bewerkstelligen door iets in hun drinken te doen. Daar is de angst van de kinderen ontstaan.
Wat vindt de man?
De man wil zowel de zorgregeling als het gezag behouden. Dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, erkent de man. Hij wil daar met begeleiding stappen in maken. De man is van mening dat beide partijen als ouders samen de schouders eronder moeten zetten en samen moeten gaan zitten. Zij moeten een voorbeeld voor de kinderen zijn. Het is te vroeg om het gezag te wijzigen naar eenhoofdig gezag. De man wil overal aan meewerken en de laatste tips wil hij ook oppakken.
De man wil in samenwerking met de GI een brief schrijven aan de kinderen, waarin hij uitlegt dat hij niet het plan heeft gehad om met de kinderen naar Syrië te gaan. Het was enkel zijn gedachte dat het leuk zou zijn om zijn moeder een keer te zien, dat was niet met de bedoeling om in Syrië te blijven. De man heeft al een jaar lang nauwelijks contact met de kinderen. Hij geeft de kinderen de ruimte en wil niet te veel druk op hen leggen. Tegelijk wil hij dat er intensiever ingezet wordt op het behouden en opbouwen van de zorgregeling. Voor zover hij dingen zegt of doet die voor de kinderen niet fijn zijn, wil hij daarmee stoppen. Maar hij is niet de enige, ook de vrouw zegt en doet dingen die de kinderen in een moeilijke situatie brengen. Dat zien zijn hulpverlener en de degene die de omgang met de kinderen begeleidt, ook.
Wat adviseert de Raad?
De Raad geeft aan dat de kinderen in een systeem zitten met twee totaal verschillende ouders. De kinderen moeten zich daartoe zien te verhouden. [hulpverlening] verwijst naar beide ouders dat beide ouders dingen doen die niet goed zijn en waardoor de omgang met de man wordt belemmerd. In zo’n situatie kiezen kinderen zelf om zo hun hoofd boven water te houden.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn al langere tijd consistent in hun wensen over het contact met de man. De Raad adviseert voor nu om de omgang stop te zetten en de regie bij de GI te leggen om te kijken of er in de toekomst meer mogelijk kan zijn. Voor wat betreft het gezag, is voor de standpunten van beide ouders wat te zeggen. Het uitgangspunt is gezamenlijk gezag. Er zijn meerdere ondertoezichtstellingen geweest, de samenwerking verbetert niet en de ouders leven in totaal verschillende werelden. De vraag is of de kinderen niet klem en verloren raken op deze manier. [hulpverlening] heeft het over de dynamiek van de ouders. De Raad heeft niets gehoord over het niet geven van toestemmingen. Wel is het zo dat de man te weinig zicht op de kinderen heeft om over hen te kunnen beslissen.
Wat oordeelt rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat het gezamenlijk gezag van partijen niet langer meer in stand kan blijven en zal het verzoek om de vrouw alleen met het gezag te belasten toewijzen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Volgens de GI hebben de kinderen nu een besluit genomen en is na het stopzetten van de omgang te zien dat de kinderen zich aan het ontwikkelen zijn en naar hun eigen identiteit zoeken. Dat kwam eerder volgens de GI niet op gang. De rechtbank vindt het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich verder blijven ontwikkelen. Op die manier bestaat de kans dat zij op termijn weer contact met hun vader willen. Op dit moment willen zij geen enkel contact. Normaal betekent dat niet direct dat dan ook het gezamenlijk gezag gewijzigd wordt. In deze casus ziet de rechtbank dit anders, omdat het gevoel van veiligheid van zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de vrouw hierin van doorslaggevend belang is. Daar komt bij dat er geen constructieve communicatie tussen de ouders mogelijk is. Dit terwijl er al meerdere jaren ingezet is op verbetering van de situatie. Ook is er ingezet op verbetering van de omgang van de man met de kinderen. In plaats van dat dit zich in een positieve, stijgende lijn heeft ontwikkeld, hebben de kinderen enkel meer angst gekregen. Op dit moment is er ook geen omgang meer.
Wat het ingewikkeld maakt, met name voor de man, is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de omgangsmomenten met de man ook momenten van gezelligheid hebben gekend. De man heeft dat ook inzichtelijk gemaakt door foto’s over te leggen. Zowel de vrouw als de kinderen ontkennen niet dat deze goede momenten ook onderdeel zijn geweest van de contactmomenten van de kinderen met de man. Tegelijkertijd blijft de angst van de kinderen bestaan. Voor hen is het Syrië-verhaal echt en daarmee ook hun angst. Een brief van de man waarin hij uitlegt dat hij dit anders bedoeld heeft, maakt deze angst van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank weegt daarnaast ook mee dat de GI heeft aangegeven dat de hulpverlening van de vrouw aan heeft gegeven dat er bij de vrouw sprake is van reflectievermogen. De ondertoezichtstellingen van haar andere kinderen zijn afgesloten en die kinderen hebben met hun vaders een goed contact. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn echter ouder en hebben meer meegemaakt. De GI heeft ook aangegeven dat er bij de man geen ontwikkeling is in het stoppen met het beschuldigen van de vrouw.
De rechtbank is daarom van oordeel dat een wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de minderjarigen is. Het belang van de kinderen zich goed te ontwikkelen is groter dan dat van de man.
Verder neemt de rechtbank in de overweging mee dat de ouders in verschillende werelden leven. Dat brengt in combinatie met de slechte communicatie tussen de ouders en de negativiteit van de man over de vrouw met zich mee dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de instandhouding van het gezamenlijke gezag (verder) klem zouden raken tussen de ouders. Niet valt te verwachten dat hierin – gelet op het feit dat de kinderen al meerdere keren onder toezicht van de GI zijn gesteld – binnen afzienbare tijd verandering zal komen.
Aan hetgeen de hulpverlener van de man danwel degene die de omgang met de kinderen heeft begeleid ( [hulpverlening] ), heeft aangegeven over de vrouw hecht de rechtbank geen doorslaggevende waarde nu deze hulpverlener geen contact met de vrouw zelf heeft gehad. Daar komt bij dat de man, nu hij geen contact heeft met de kinderen, te weinig over de kinderen weet om goed mee te kunnen beslissen over de kinderen.
Hoofdverblijf
Nu het verzoek van de vrouw om alleen met het gezag over de minderjarigen te worden belast wordt toegewezen, zal de rechtbank het verzoek van de man om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, afwijzen. De rechtbank voegt daaraan toe dat een wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarigen niet in hun belang is.
Omgang
Nu de rechtbank de vrouw alleen belast met gezag over de minderjarigen, zal er niet meer gesproken worden over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar over het recht op omgang.
Wettelijk kader omgang
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
- indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook hebben de kinderen aangegeven ernstige bezwaren tegen omgang te hebben en daarnaast is de rechtbank van oordeel dat omgang ook anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Zoals in rechtsoverweging 4.6 ook al is aangegeven, komen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na het stopzetten van de contact tussen de man en de kinderen door de GI, eindelijk weer toe aan hun eigen ontwikkeling. Het belang van de kinderen en hun recht op het zichzelf verder ontwikkelen gaat voor op het belang van de man aan contact met de kinderen. Het is vreselijk verdrietig dat de man de kinderen in zijn dagelijkse leven moet missen. Zeker als dit wellicht mede veroorzaakt is door miscommunicatie. Dat laat helaas onverlet dat de kinderen angstig zijn geworden.
Er is jarenlang hulpverlening ingezet om de contacten tussen de man en de kinderen (verder) op te bouwen. Steeds opnieuw is gebleken dat de opbouw niet duurzaam was en daardoor is er geen structurele omgangsregeling ontstaan. Het is van onbegeleide omgang teruggegaan naar begeleide omgang naar geen omgang.
De man geeft aan bereid te zijn alle hulpverlening te aanvaarden en dit in het verleden ook gedaan te hebben. De GI constateert echter dat er bij de man in tegenstelling tot de vrouw de afgelopen jaren geen verbetering zichtbaar is in het stoppen met het beschuldigen van de vrouw. Dat de vrouw hiermee evenmin stopt, zoals de man zegt, doet hieraan niet af.
Kinderalimentatie
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte minderjarigen
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen moet worden vastgesteld aan de hand van het huidige inkomen van de man nu dit het (gezins)inkomen ten tijde van de samenleving overstijgt. Tussen partijen is wel in geschil of bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uitgegaan moet worden van het inkomen van de man vermeerderd met een fictieve bijtelling van het kindgebonden budget.
Op basis van de tremanormen is de rechtbank van oordeel dat de behoefte van de minderjarigen dient te worden bepaald aan de hand van alleen het hogere inkomen van de man.
De rechtbank zal het netto besteedbaar inkomen van de man vaststellen op basis van de winst uit onderneming over de jaren 2025, 2024 en 2023. De rechtbank stelt vast dat de man een eenmanszaak heeft en geen directeur-grootaandeelhouder is. De rechtbank ziet daarom geen redenen om uit te gaan van de privé-onttrekkingen van de man, aangezien deze ook meegenomen worden in de uiteindelijke winst uit onderneming. Dit zijn namelijk geen zakelijke kosten en daardoor ook niet aftrekbaar van de ondernemingswinst en het is niet duidelijk waarvoor de man de privé-onttrekkingen heeft gebruikt. De vrouw vindt de hoge kosten in 2025 verdacht en ziet daarvoor een argument in het feit dat de man de afgelopen drie jaren steeds ongeveer dezelfde privé-onttrekkingen heeft gedaan. Nu de rechtbank niet alleen van het jaar 2025 uitgaat en evenmin van 5 jaar zoals bepleit door de man, maar van de jaren 2023, 2024 en 2025, is hooguit sprake van een minder jaar in 2025. Steeds is de winst wat afgenomen. In hoeverre dit komt door de door de man gestelde slechte psychische gezondheid is niet voldoende onderbouwd door de man. Wel is er een lijn van afnemende winst.
De rechtbank komt uit op een gemiddelde winst van € 24.177 (2025 € 13.716, 2024 € 24.942 en 2023 €33.872). Dit leidt tot een netto gezinsinkomen van € 1.934 per maand. De daarbij behoren behoefte van de kinderen bedraagt 345,00 per maand, 172,50 per kind per maand.
Draagkracht van de man
Ten aanzien van de draagkracht van de man wordt (de advocaat van) de man in de gelegenheid gesteld om een verklaring van de boekhouder van de man te overleggen met daarin gespecificeerd welke (belasting) schulden er nu (nog) zijn met data van ontstaan erbij. De (advocaat van de) vrouw krijgt vervolgens de gelegenheid om op dit bericht van de man te reageren. Een en ander zoals in het dictum is opgenomen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht.
Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het gezag over de minderjarigen, [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (Syrië) op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] (Turkije) op [geboortedag 2] 2013, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2020 en ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gedurende een jaar;
houdt de beslissing op het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie (zaaknummer C/02/437078 / FA RK 25-3319 ) aan tot 27 mei 2026 PRO FORMA (waarbij de (advocaat van de) man uiterlijk 6 mei 2026 pro forma nadere stukken aanlevert en de (advocaat van de vrouw) uiterlijk 20 mei 2026 pro forma reageert op deze stukken een en ander conform rechtsoverweging 4.19;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte in de zaaknummers C/02/425986 / FA RK 24-3952 en C/02/445339 / FA RK 26-969 af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
