Essentie (gemaakt door AI)
Bekrachtiging van door de rechtbank vastgestelde co-ouderschapsregeling en kinderalimentatie. Het hof acht week-op-week co-ouderschap in het belang van de kinderen; verschillen in opvoedstijl vormen daarvoor geen beletsel. Moeder moet afstand houden in vaders week; ouders volgen advies tot PSO-traject. Kinderalimentatie blijft € 161 per kind per maand; zorgkorting 35% blijft. Verdiencapaciteit moeder wordt aangenomen bij bepaling draagkracht wegens onvoldoende onderbouwing van beperkingen. Verzoek tot schorsing wordt afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 19-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.362.693/01 en 200.362.693/02 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Co-ouderschap; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Bekrachtiging van door de rechtbank vastgestelde co-ouderschapsregeling en kinderalimentatie. Verdiencapaciteit moeder.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.362.693/01 en 200.362.693/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 222367)
beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. G. Meijer te Veendam,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Hoekman-Haan te Stadskanaal.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2023 en 19 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 19 november 2025 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 december 2025;
- een brief namens de moeder van 19 december 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 30 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 20 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 9 april 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 13 april 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en een vertegenwoordiger namens de raad.
3De feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en woonden samen. De relatie is geëindigd in september 2022.
De vader en de moeder hebben twee kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2019, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
De vader heeft de kinderen erkend. De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
Sinds het einde van de relatie wonen de kinderen bij de moeder. Tot aan de bestreden beschikking verbleven de kinderen een weekend per veertien dagen bij de vader.
4De omvang van het geschil
Tussen partijen zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoogte van de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de kinderen de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, waarbij de wisseling op de vrijdagen via school plaatsvindt. Ook is bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet betalen van € 161,- per kind per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat in hoger beroep zal zijn beslist in de hoofdzaak. In de hoofdzaak verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen en een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagmorgen bij de vader verblijven, alsmede de helft van de feestdagen en een in onderling overleg te bepalen deel van de vakanties. Verder verzoekt de moeder het hof een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen van € 354,- per kind per maand.
De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans deze af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
In de zaak met zaaknummer 200.362.693/02 (schorsing)
Omdat het hof bij deze beschikking een eindbeslissing zal nemen in de hoofdzaak, heeft de moeder niet langer belang bij de gevraagde schorsing. Het hof zal het verzoek tot schorsing daarom afwijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.362.693/01 (hoofdzaak)
Zorgregeling
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling bekrachtigen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt die na onderzoek tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
Het is duidelijk dat de ouders verschillende opvoedstijlen hanteren. Dit alleen is geen reden om te concluderen dat een zorgregeling waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder verblijven, niet in het belang van de kinderen is. In het algemeen kunnen kinderen wennen aan een situatie waarin zij in twee verschillende huishoudens met hun eigen regels verblijven, zolang ze hier maar de ruimte voor krijgen. Dit betekent dat beide ouders moeten zorgen dat zij de kinderen niet belasten met hun zorgen en meningen over het andere huishouden. Het hof heeft geen aanwijzingen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een dergelijke situatie niet aankunnen. De co-ouderschapsregeling wordt nu een aantal maanden uitgevoerd en uit niets blijkt dat de regeling op zichzelf problematisch is voor de kinderen. In beide huishoudens hebben zij een ouder die veel van hen houdt en veel doet om hun normen en waarden mee te geven die hij of zij zelf belangrijk vindt. De vermoeidheid die de moeder ziet, blijkt niet uit andere, recente bronnen, maar slechts uit informatie uit de periode dat de kinderen alleen in het weekend bij hun vader waren. Het hof ziet in hetgeen de moeder hierover heeft gesteld dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de door de rechtbank vastgestelde co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen is. Noodzakelijk is wel dat de moeder leert uit beeld te blijven als de kinderen bij hun vader zijn, bijvoorbeeld door niet naar de sportlessen te gaan in de week van de vader en niet op school te zijn als de BSO ze komt halen, of in ieder geval gedurende die periode niet in het zicht van de kinderen te zijn. Daarnaast zal de vader moeten leren om beter aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben. Het hof is verder met de raad van oordeel dat de huidige manier van communiceren tussen de ouders niet in het belang van de kinderen is. Het hof onderschrijft daarom het advies van de raad aan de ouders om zich aan te melden voor een Parallel Solo Ouderschap-traject (PSO), waarin zij los van elkaar geholpen kunnen worden vorm te geven aan hun eigen ouderschap.
Kinderalimentatie
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen wat betreft de bepaling van de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof neemt ook hier de overwegingen van de rechtbank over, maakt die na onderzoek tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
De rechtbank heeft de draagkracht van de moeder om in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bij te dragen gebaseerd op een fictief inkomen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de moeder, hoewel zij geen inkomen genereert, wel een verdiencapaciteit heeft. De moeder is het daar niet mee eens. Zij stelt dat ze feitelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten vanwege de zorg voor de kinderen en haar lichamelijke klachten als gevolg van de spanningen die de situatie tussen partijen bij haar veroorzaakt. Als zij wel in staat zou zijn arbeid in loondienst te verrichten, zou dat hooguit voor halve dagen zijn.
Bij het bepalen van de draagkracht van een ouder is niet alleen het werkelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat die ouder geacht kan worden te verdienen, de verdiencapaciteit. Vanwege haar onderhoudsverplichting had het op de weg van de moeder gelegen om stappen te zetten om haar financiële situatie af te stemmen op de behoefte van de kinderen. De moeder heeft haar stellingen, dat zij daartoe niet in staat is of in ieder geval niet in die mate als waar de rechtbank van is uitgegaan, niet nader onderbouwd en zij heeft ook geen informatie verstrekt over de door haar aangevoerde (lichamelijke) beperkingen die aan het benutten van haar verdiencapaciteit in de weg zouden kunnen staan. Weliswaar moet terughoudend worden omgegaan met het aannemen van een fictief inkomen bij de ouder die de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen, maar gebleken is dat de moeder tijdens de samenleving van partijen ook heeft gewerkt. Bovendien gaan beide kinderen inmiddels naar de basisschool en met de uitvoering van de co-ouderschapsregeling deelt de moeder de dagelijkse zorg met de vader. Van haar kan daarom, net als van de vader, verwacht worden dat zij ook deels voorziet in de behoefte van de kinderen.
Het hof is van oordeel dat de verdiencapaciteit, zoals die door de rechtbank is aangenomen, past bij het opleidingsniveau en de werkervaring van de moeder en ziet daarom geen reden om af te wijken van de overwegingen en berekeningen van de rechtbank.
Nu de co-ouderschapregeling in stand blijft, ziet het hof geen reden om af te wijken van de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting van 35%. De overige elementen die de grondslag vormden voor de berekening van de rechtbank zijn tussen partijen niet in geschil en behoeven geen verdere bespreking.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.362.693/02 (schorsing)
wijst het verzoek van de moeder af;
in de zaak met zaaknummer 200. 362.693/01 (hoofdzaak)
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 november 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. C. Coster en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 2 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
