Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin, na VOTS op verzoek van de Raad, wordt beslist dat de kinderen hun hoofdverblijf bij moeder hebben volgens eerdere beschikking en gemaakte afspraken moeten worden nagekomen. Zorgen over beide opvoedsituaties zijn niet met stukken onderbouwd; verklaring minderjarige ondersteunt terugkeer naar moeder. GI beoordeelt veiligheid, regelt contactherstel en kan zo nodig MUHP verzoeken. Afgifte kinderen aan moeder binnen vijf dagen; overige vorderingen, incl. schorsing zorgregeling en dwangsom, worden afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 19-06-2026 |
| Zaaknummer | C/02/446241 / KG ZA 26-140 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Middelburg |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Raad adviseert huidige situatie te bevriezen; hoofdverblijf kinderen is bij de vrouw, VOTS is uitgesproken, het is aan de GI om - indien nodig - een MUHP te verzoeken. Afgifte kinderen aan de vrouw.Volledige uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTTeam Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446241 / KG ZA 26-140
datum uitspraak: 20 april 2026
Vonnis in kort geding van 20 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over het verzoek te adviseren.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de brief met aanvullende producties van mr. Kalle van 14 april 2026.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 15 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad.
Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige 1] zijn mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Tijdens de zitting is samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld en hebben de aanwezigen hierop kunnen reageren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum 1] 2020 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2020 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Bij beschikking van [datum 1] 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de minderjarige [minderjarige 1] staat ingeschreven en zijn hoofdverblijf heeft bij de man en de minderjarige [minderjarige 2] staat ingeschreven en haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Voorts zijn partijen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen, inhoudende een co-ouderschap.
Bij beschikking van 8 december 2020 is de beschikking van [datum 1] 2020 (en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan) gewijzigd en is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en dat zij bij de man verblijven:
-
in ieder geval een weekeinde per 14 dagen van vrijdagavond tot zondagavond;
-
het andere weekeinde per 14 dagen wanneer de man daartoe in staat is en in overleg met de vrouw;
-
gedurende de helft van de vakanties, in onderling overleg nader overeen te komen.
Ook is bepaald dat de (overige) regelingen ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen zoals vastgesteld in het aangehechte aanvullend ouderschapsplan van september 2020 deel uitmaken van de beschikking.
Partijen hebben de zorgregeling uitgebreid, zodat de minderjarigen drie weekenden per vier weken bij de man verblijven vrijdag 16.00/17.00 uur tot zondag 18.00/19.00 uur.
Vanaf 8 maart 2026 verblijven de kinderen zonder instemming van de vrouw bij de man.
3De vorderingen
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de man te veroordelen om binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw af te geven en deze dertig dagen bij haar
te laten;
- te bepalen dat de man voor iedere dag dat hij een of beide kinderen niet binnen de
genoemde 24 uur bij de vrouw afgeeft een dwangsom is verschuldigd van € 500,- per
kind per dag dat hij niet meewerkt aan deze regeling, met een maximum van € 50.000,-
en tevens te bepalen dat deze dwangsom ook geldt als de man binnen een periode van
één maand nadat hij de kinderen bij de vrouw heeft gebracht, de kinderen weer bij zich
houdt;
- voorts te bepalen dat de vastgestelde zorgregeling voor de zorg van de man een periode
van één maand wordt geschorst en de kinderen alsdan geheel bij de vrouw verblijven en
te bepalen dat de ouders daarna de regeling gaan opbouwen naar de daarvoor geldende zorgregeling;
- dan wel beslissingen te nemen, die de voorzieningenrechter in deze in het belang van de
minderjarigen acht.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
De man houdt de kinderen sinds 8 maart 2026 onrechtmatig bij zich, wat in strijd is met het ouderschapsplan, de beslissing van de rechtbank en de wens van de vrouw. Zij heeft niet ingestemd met een wijziging van de zorgregeling. De man is van mening dat er sprake is van verontrustende signalen en kennelijk acht hij de situatie bij de vrouw niet langer veilig. Volgens de vrouw is daar geen enkele reden voor. De vrouw heeft juist ernstige zorgen over de man: hij doet verwarde niet kloppende uitspraken en isoleert de kinderen.
De vrouw wenst de kinderen voor een periode van één maand bij zich te hebben, zodat de kinderen bij kunnen komen van de zeer gespannen situatie bij de man thuis. Na die maand zal dan in overleg met de man een regeling worden vastgesteld om geleidelijk toe te werken naar de geldende zorgregeling.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, kort samengevat, aan dat de kinderen uitspraken hebben gedaan die wijzen op kindermishandeling en seksueel misbruik. De man heeft aangifte bij de zedenpolitie gedaan en dit politieonderzoek loopt nog.
Gedurende de relatie van partijen was er sprake van fysieke en mentale mishandeling van de man door de vrouw. Ook de kinderen zijn zowel fysiek als mentaal mishandeld. De man heeft daarvan in 2020 aangifte gedaan.
Ook [minderjarige 3] , de 13-jarige zoon van de man, herkende veel van de uitspraken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij geeft aan gedurende de relatie van partijen meermaals door de vrouw te zijn opgesloten, mishandeld en misbruikt. Hij is inmiddels in behandeling bij [kliniek] als gevolg van de herbeleving. Ook kan hij vanwege bedreigingen door de vrouw niet meer thuis wonen en verblijft ergens anders.
Vanwege de conflicten tussen de vrouw en [minderjarige 1] bij de vrouw thuis en de omstandigheid dat [minderjarige 1] veelvuldig te laat op school kwam, is voor [minderjarige 1] hulpverlening ingeschakeld. Er heeft gezinsdiagnostiek plaatsgevonden vanuit [hulpverlening] . Volgens de man is de vrouw erg boos geworden nadat zij kennis had genomen van de rapportage van [hulpverlening] . Zij heeft vervolgens [minderjarige 1] dagenlang genegeerd en geweigerd de aanbevolen hulpverlening in te zetten.
De man maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vrouw en over de psychische gesteldheid van de vrouw. De man heeft contact gehad met Veilig Thuis en heeft van Veilig Thuis twee keer het advies gehad – om de veiligheid van de kinderen te garanderen – de kinderen thuis te houden. Dit totdat er professionele hulp in de vorm van thuisbegeleiding bij de vrouw wordt ingezet.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast.
De Raad heeft tijdens de zitting, gelet op de grote zorgen en beschuldigingen, een voorlopige ondertoezichtstelling gevraagd. De kinderrechter heeft deze voor de duur van drie maanden uitgesproken (zaaknummer C/02/447158 / JE RK 26-655).
De Raad heeft geadviseerd om de huidige situatie te bevriezen. De GI moet per direct aan de slag en de veiligheid van de kinderen beoordelen. Ook moet er contactherstel tussen de vrouw en de kinderen komen. De GI moet voorts bekijken of een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.
De man heeft ingestemd met het verzoek en advies van de Raad, zowel wat betreft de voorlopige ondertoezichtstelling als ten aanzien van het bevriezen van de huidige situatie in die zin dat de kinderen bij hem blijven. De vrouw heeft ingestemd met de voorlopige ondertoezichtstelling. Ten aanzien van het verblijf van de kinderen bij de man heeft de vrouw aangegeven dat dit verblijf per direct beëindigd moet worden. De man verkeert volgens haar in een andere wereld. Zij ontkent alle beschuldigingen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op grond van de gemaakte afspraken tussen de man en de vrouw, vastgelegd in de beschikking van 8 december 2020 en nadien voor wat betreft de zorgregeling uitgebreid, hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw en een zorgregeling met de man.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat tussen ouders overeengekomen afspraken moeten worden nagekomen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er feiten en/of omstandigheden zijn waaruit volgt dat de uitvoering van deze afspraken niet in het belang van de kinderen zijn.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat zowel de door de man gestelde feiten en omstandigheden als de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden niet afdoende zijn onderbouwd met stukken. De door beiden ingenomen standpunten worden door de ander tegengesproken, maar bewijsstukken ontbreken. Wel is duidelijk dat er ernstige zorgen zijn geuit die beide opvoedomgevingen raken en die maken dat er zorgen bestaan over de veiligheid van de kinderen. Dit volgt in ieder geval uit de ter zitting door de Raad kort voorgehouden (5) Veilig Thuis-meldingen. Kort gezegd betreffen de zorgen van de man mishandeling en seksueel misbruik van de kinderen door de vrouw en betreffen de zorgen van de vrouw de verwardheid van de man en de isolatie van de kinderen. Onder meer met het oog hierop is tijdens de zitting de voorlopige ondertoezichtstelling over de kinderen uitgesproken, zodat de GI direct betrokken zal raken en zicht zal gaan krijgen op de kinderen en de beide opvoedsituaties door onder meer ambulante spoedhulp in te zetten en zelf met de kinderen te gaan praten.
De voorzieningenrechter oordeelt in deze situatie, waarin over de opvoedsituatie van beide ouders serieuze zorgen bestaan, maar deze zorgen niet voldoende zijn onderbouwd, dat er geen aanleiding bestaat om van het uitgangspunt dat gemaakte afspraken moeten worden nagekomen, af te wijken. Bij de vrouw ligt het hoofdverblijf van de kinderen en op dit moment is er onvoldoende bewijs dat de situatie van de kinderen bij de vrouw onveilig is. Daarbij komt dat in het gesprek van de voorzieningenrechter met [minderjarige 1] geen bevestiging is gekomen van de door de man geuite zorgen; in tegendeel heeft [minderjarige 1] juist verklaard zijn moeder te missen en weer bij haar te willen zijn. Voorts wordt in het zich onder de stukken bevindende diagnostisch gezinsonderzoek van [hulpverlening] van februari 2026 geen enkele zorg geuit over (zoals door de man gesteld) mishandeling of seksueel misbruik in de opvoedsituatie bij de vrouw en wordt als grote kracht van de vrouw beschreven “haar openheid en zelfreflectie”.
Indien de GI op basis van haar bevindingen tot de conclusie komt dat de situatie van de kinderen bij de moeder wel onveilig is, is het aan de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing bij ofwel de vader ofwel in een neutraal (netwerk)pleeggezin te verzoeken. Dit betekent dan ook dat de kinderen terug zullen gaan naar de moeder.
De vordering van de vrouw om de kinderen dertig dagen bij haar te doen verblijven en daarna te gaan werken aan een opbouw van de zorgregeling met de man zal de voorzieningenrechter niet toewijzen. De door de vrouw gestelde zorgen over de man, zijn verwardheid, de zorgen over zijn PTSS en het isoleren van de kinderen zijn door de man weersproken en eveneens onvoldoende door de vrouw onderbouwd.
Het is wederom aan de GI om te bekijken of en in hoeverre de huidige zorgregeling in het belang van de kinderen is en als daar een wijziging voor nodig is, dan weet de GI daarvoor de benodigde juridische stappen te zetten (1:265g BW). De voorzieningenrechter voegt hier aan toe dat tijdens de zitting onder meer is gesproken over het feit dat de kinderen al enige tijd niet naar school gaan en dat die situatie per direct beëindigd dient te worden. Het is schadelijk en niet goed voor de ontwikkeling van de kinderen als zij geïsoleerd worden van wat hun normale dagelijkse leven behoort te zijn. De man (en de vrouw) hebben ook toegezegd de kinderen weer naar school te laten gaan.
De voorzieningenrechter zal gezien het vorenstaande de afgifte van de kinderen aan de vrouw bevelen en de overige vorderingen van de vrouw afwijzen op onderstaande wijze. De voorzieningenrechter zal hierbij bepalen dat de GI, in overleg met de ouders, beslist over de concrete wijze waarop de kinderen weer naar de moeder zullen gaan. Dit dient zo spoedig mogelijk te gebeuren, doch uiterlijk binnen 5 dagen na heden.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
Ten slotte zal de voorzieningenrechter bepalen dat de GI een afschrift krijgt van dit vonnis, aangezien zij direct betrokken zal zijn bij de overdracht van de kinderen en de hierover te maken afspraken.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt de man om de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te geven aan de vrouw, waarbij geldt dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg beslist over de concrete wijze waarop de kinderen weer naar de vrouw zullen gaan, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 5 dagen na heden;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de griffier de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg een afschrift van dit vonnis zendt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
