Essentie (gemaakt door AI)
Gedaagde is tegenover dochters aansprakelijk voor schade die zij (deels door erfopvolging) lijden doordat hun vader overlijdt als gevolg van de door gedaagde gepleegde strafbare feiten. Toewijzing affectieschade (€ 17.500 p.p.), terugbetaling € 1.000 wegens onverschuldigde betaling en vergoeding uitvaartkosten aan één dochter. Afwijzing vererfd smartengeld wegens ontbreken mededeling door erflater. Afwijzing vordering ex‑echtgenote voor weggevallen partneralimentatie art. 6:108 lid 1 sub b BW. Gedaagde wordt in proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 18-06-2026 |
| Zaaknummer | C/09/696542 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Gedaagde is tegenover dochters aansprakelijk voor de schade die zij (deels door erfopvolging) hebben geleden doordat hun vader is overleden als gevolg van de strafbare feiten die gedaagde jegens hun vader heeft gepleegd. Toewijzing vorderingen uit hoofde van affectieschade, onverschuldigde betalingen en uitvaartkosten. Afwijzing vordering uit hoofde van vererfd smartengeld en weggevallen partneralimentatie.Volledige uitspraak
Team Handel
Zaaknummer: C/09/696542 / HA ZA 26-12
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
1
[eiseressen sub 1] te [woonplaats 1],
2. [eiseressen sub 2] te [woonplaats 2],
hierna samen te noemen: ‘de dochters’,
3. [eiseressen sub 3] te [woonplaats 3],
hierna te noemen: ‘de ex-echtgenote’,
eiseressen,
advocaat: mr. M.P. de Klerk,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats 4],
gedaagde,
advocaat: mr. R. Sarican.
1Waar gaat deze zaak over?
In de nacht van 5 op 6 maart 2024 is de heer [naam] (hierna te noemen: ‘het slachtoffer’) in het ziekenhuis terechtgekomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Dit letsel had hij opgelopen toen hij probeerde weg te vluchten van gedaagde, die hem op dat moment met anderen in zijn woning aan het beroven was. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan het slachtoffer op 16 maart 2024 in het ziekenhuis is overleden. Gedaagde is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat gedaagde tegenover de dochters aansprakelijk is voor schade die verband houdt met het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank wijst de vorderingen van de dochters gedeeltelijk toe: gedaagde moet hen € 1.000 terugbetalen die het slachtoffer zonder goede reden aan hem heeft overgemaakt en hij moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet gedaagde ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. De rechtbank wijst de vorderingen van de dochters voor het overige af. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden.
2De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 december 2025, met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord, zonder producties;
- het tussenvonnis van 11 maart 2026, met een datum voor een mondelinge behandeling;
- het bericht van de rechtbank van 9 april 2026 met een zittingsagenda.
Op 14 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Sarican heeft namens gedaagde spreekaantekeningen overgelegd waarop eiseressen hebben kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is gebeurd.
3De feiten
Op grond van de processtukken en wat er tijdens de zitting is gezegd, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
Op 5 maart 2024 is het slachtoffer in zijn woning in [plaats] overvallen door meerdere personen, waaronder gedaagde. Het slachtoffer heeft kans gezien zijn woning te ontvluchten, maar is bij zijn vluchtpoging achtervolgd door gedaagde. Het slachtoffer is gevallen in de voortuin, waarna gedaagde hem de woning in heeft gesleept.
Het slachtoffer is dezelfde dag naar het ziekenhuis gebracht. Daar bleek dat hij letsel had opgelopen aan beide knieën. Op 6 maart 2024 is het slachtoffer aan zijn knieën geopereerd. Na deze operatie zijn complicaties opgetreden.
Op 16 maart 2024 is het slachtoffer overleden in het ziekenhuis.
Er is forensisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer. De conclusie van het forensisch onderzoek luidt dat het slachtoffer “op onbekende wijze is overleden”.
Eiseressen hebben Meliefmed Medische Advisering verzocht hen te adviseren over de oorzaak van het overlijden. In het advies heeft de adviseur het patiëntendossier van het slachtoffer en een deel van het strafdossier betrokken. In het rapport van 8 november 2024 staat onder meer het volgende:
“Conclusies en beantwoording vraagstelling
(…).
Uw vraagstelling is of het overlijden van (…), direct gerelateerd kan worden aan het letsel opgelopen tijdens het geweldsincident waarvan meneer op 5-3-2024 slachtoffer is geworden.
Uit de medische gegevens komt naar voren dat meneer is overleden ten gevolge van een sepsis, een ernstige complicatie die tijdens zijn ziekenhuisopname is opgetreden. Mijns inziens kan het optreden van de sepsis alleen maar te relateren zijn geweest aan het verblijf in het ziekenhuis. Als mogelijk focus (oorzaak) lijkt mij een postoperatief focus (de wonden) het meest waarschijnlijk, ondanks het feit dat hier geen bacteriën uit zijn gekweekt. Dit komt echter vaak voor, aangezien meneer al behandeld werd met antibiotica op het moment dat de kweken werden afgenomen. Deze mening wordt gedeeld door de internist die het nagesprek heeft gedaan. Een ander focus, zoals uit de darmen bij een stilliggende darm, is ook te duiden als gevolg van de operatie. Het verminderd mobiel zijn in combinatie met pijnstilling zorgt vaak als complicatie voor stilliggende darmen. Derhalve is de sepsis, die uiteindelijk geleid heeft tot het overlijden, direct te relateren aan de operatie.
Het is zo dat meneer geen blanco voorgeschiedenis had, en al hartproblematiek had en nierfalen waarvoor dialyse. Hierbij zal een verhoogde kwetsbaarheid bestaan hebben ten tijde van het geweldsincident. Zonder de afgescheurde pezen was er echter geen aanleiding geweest voor een operatie die noodzakelijk was, maar waarbij meneer, mede vanwege zijn hart- en nierproblematiek, een verhoogd risico liep voor complicaties. Zulke ernstige complicaties zijn ook daadwerkelijk opgetreden, met het uiteindelijke overlijden als gevolg. Als meneer gezond, fit en 20 jaar jonger was geweest, was de kans op deze complicaties aanzienlijk kleiner geweest, evenals de kans dat hij zou overlijden als gevolg van eventuele complicaties. Meneer functioneerde ondanks zijn hart- en nierproblematiek, zelfstandig in huis en op werk. Er is derhalve geen reden o[m] aan te nemen dat hij op enig korte termijn zou zijn komen te overlijden zonder de ziekenhuisopnamen, die noodzakelijk was als gevolg van het letsel, maar die dus helaas te veel is geworden voor zijn broze gesteld.
Mijn conclusie is dat het overlijden van meneer (…) derhalve mijns inziens direct te relateren is aan het tijdens de overval opgelopen letsel.”
Bij vonnis van 8 april 2025
1 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank gedaagde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, onder meer voor het op of omstreeks 4 en/of 5 maart 2024 medeplegen van diefstal, voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld en geweld tegen een persoon met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg en het medeplegen van afpersing. De strafrechter overweegt in het vonnis onder meer het volgende:
“4.3 Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding 1, feiten 1 en 2
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
(…)
14. Het geschrift, zijnde het schouwverslag van 19 maart 2024, opgesteld door (…), forensisch arts, voor zover inhoudende:
Meneer is op 6-3-24 iets over middernacht in het ziekenhuis opgenomen wegens scheuring van de knieschijfpees van de linkerknie en de quadricepsees van de rechterknie. Deze zouden ontstaan zijn n.a.v. een overval thuis. Meneer is op 6-3-24 succesvol aan beide knieën geopereerd en ter revalidatie geïmmobiliseerd in het ziekenhuis.
(…)
Bewijsoverwegingen
Wat is er gebeurd op 5 maart 2024?
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [gedaagde] het initiële contact met [het slachtoffer] via een website heeft gemaakt. De medeverdachte (…) heeft dat contact vervolgens overgenomen en [het slachtoffer] telefonisch en per Whatsapp gechanteerd tot betaling van een geldbedrag, omdat hij anders gevoelige informatie over het privéleven van [het slachtoffer] bekend zou maken. Vervolgens werd een afspraak gemaakt met de aangever dat geld zou worden overhandigd bij zijn woning.
[Gedaagde] en de medeverdachte (…) zijn vervolgens op 5 maart 2024 naar de woning van [het slachtoffer] in Den Haag gegaan om geld op te halen. (…). [Gedaagde] is vervolgens de woning van [het slachtoffer] binnengegaan en heeft enkele minuten later (…) binnengelaten. [Gedaagde] heeft gezegd tegen [het slachtoffer] dat als hij niks zou doen, er ook niks met hem zou gebeuren. Hij sommeerde [het slachtoffer] naar de keuken en droeg hem op om via zijn bank app geld over te maken. (…) stond al die tijd telefonisch in contact met [gedaagde] en gaf instructies over hoe het geld moest worden overgemaakt.
Ondertussen liep (…) in de woning rond en doorzocht hij kasten en lades. (…) heeft ontkend dat hij de woning heeft doorzocht en heeft verklaard dat hij alleen beneden in de woning is geweest. De rechtbank acht de verklaring van (…) echter niet aannemelijk, omdat (…). Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaring van [het slachtoffer].
Nadat [gedaagde] twee Tikkies van 950 euro met de telefoon van [het slachtoffer] had betaald, zag [het slachtoffer] kans om de woning uit te vluchten. Hoewel zowel [het slachtoffer] als [gedaagde] hebben verklaard dat de aangever bij die vlucht zelf ten val is gekomen, blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden dat [gedaagde] achter hem aan is gerend en daarbij aan [het slachtoffer] heeft getrokken waardoor deze ten val is geraakt. Vervolgens heeft [gedaagde] [het slachtoffer] weer de woning in gesleurd.
Op enig moment zijn [gedaagde] en (…) de woning uitgegaan. Hierbij zijn de telefoon met pasjes en een autosleutel van [het slachtoffer] meegenomen, welke autosleutel later is aangetroffen in de woning waar [gedaagde] werd aangehouden.
[Het slachtoffer] is vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd en de volgende dag geopereerd vanwege afgescheurde pezen van zijn beide knieën ten gevolge van de val.
Geweldshandelingen en kwalificatie
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van (bedreiging met) geweld tegen de aangever.
(…) Op enig moment zag [het slachtoffer] kans om zijn woning te ontvluchten, waarbij hij tijdens die vlucht door de verdachte naar achteren is getrokken. Het vastpakken, naar achteren trekken en naar binnen sleuren beschouwt de rechtbank als geweld. Door dit geweld is [het slachtoffer] ten val (…) gekomen. [Het slachtoffer] heeft bij die val de pezen van zijn beide knieën afgescheurd.
De rechtbank is van oordeel dat de strafbare feiten die op 5 maart 2024 jegens [het slachtoffer] zijn begaan kwalificeren als diefstal met geweld en afpersing. [Het slachtoffer] is immers onder dreiging en vergezeld van voornoemde geweldshandelingen bestolen van zijn geld, telefoon met pasjes en autosleutel. Ook is hij onder bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van zijn goederen. De rechtbank verwerpt dus het standpunt van de verdediging dat [gedaagde] zich louter schuldig zou hebben gemaakt aan afdreiging.
(…)
Zwaar lichamelijk letsel van [het slachtoffer] als gevolg
De rechtbank is (…) van oordeel dat de dood van [het slachtoffer] niet redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het handelen van [gedaagde]. [Gedaagde] zal van dat gevolg dan ook partieel worden vrijgesproken.
(…)
De rechtbank stelt vast dat het letsel van [het slachtoffer] bestond uit een scheuring van de knieschijfpees van de linkerknie en een scheuring van de quadricepspees van de rechterknie. Dit letsel noopte tot operatief ingrijpen aan beide knieën daags na het ontstaan van het letsel, gevolgd door een periode van immobilisatie ter revalidatie in het ziekenhuis de duur van de genezing werd geschat op zes weken.
De rechtbank merkt het letsel van [het slachtoffer] aan als zwaar lichamelijk letsel. (…).
(…) De rechtbank rekent het zwaar lichamelijk letsel van [het slachtoffer] als gevolg van de diefstal met geweld aan [gedaagde] toe, omdat op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat het [gedaagde] is geweest die aan [het slachtoffer] heeft getrokken, waardoor deze ten val is gekomen en het letsel heeft bekomen.
(…)
8De strafoplegging
(…)
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, waarbij de verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor het zware lichamelijke letsel van de aangever als gevolg daarvan. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing. Het 63-jarige slachtoffer had een broze gezondheid en heeft bij het voorval op 5 maart 2024 pezen van zijn beide knieën afgescheurd waaraan hij daags daarna is geopereerd. Uiteindelijk is het slachtoffer elf dagen na het voorval in het ziekenhuis overleden.
De verdachte heeft met zijn handelen, samen met zijn mededaders, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Daarmee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid en pijn aan het slachtoffer bezorgd. De verdachten hebben zich alleen laten leiden door hun eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte de bewezen verklaarde feiten zwaar aan. Te meer nu er sprake was van een vooropgezet plan waarbij meerdere personen betrokken zijn geweest.”
4Het geschil
Eiseressen vorderen, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren – vonnis:
-
voor recht verklaart dat gedaagde jegens hen aansprakelijk is en;
-
gedaagde veroordeelt tot betaling aan:
-
i) eiseres sub 1 van een bedrag van € 26.190,50;
-
ii) eiseres sub 2 van een bedrag van € 39.995,02 en
-
iii) eiseres sub 3 van een bedrag van € 62.079,00;
althans steeds een door de rechtbank in redelijkheid te schatten alternatief bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente en eventuele nakosten.
Eiseressen leggen daaraan het volgende ten grondslag. Gedaagde heeft onrechtmatig gehandeld tegenover het slachtoffer zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Gedaagde heeft het slachtoffer namelijk afgeperst, beroofd en ten val gebracht met knieletsel tot gevolg, waaraan het slachtoffer uiteindelijk is overleden. Gedaagde moet de schade vergoeden die verband houdt met dit overlijden (artikel 6:108 BW) , bestaande in affectieschade, uitvaartkosten en misgelopen partneralimentatie. Daarnaast maken de dochters aanspraak op (terug)betaling van vererfd smartengeld (artikel 6:106 onder b BW in samenhang met artikel 3:80 BW) en geld dat van het slachtoffer is afgeperst (artikel 6:203 BW) .
Gedaagde voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen in hun vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseressen in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De betekenis van het strafvonnis in deze civiele procedure
In het strafvonnis van deze rechtbank van 8 april 2025 is bewezen verklaard dat gedaagde zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en het plegen van afpersing. Dit strafvonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.
Het strafvonnis levert in deze civielrechtelijke procedure dwingend bewijs op van de feiten die de strafrechter bewezen heeft verklaard.
2 Daarom staat in deze civielrechtelijke procedure vast dat gedaagde het slachtoffer op of omstreeks 4 en/of 5 maart 2024 heeft afgeperst en thuis heeft beroofd. Ook staat vast dat gedaagde het slachtoffer ten val heeft gebracht en dat gedaagde verantwoordelijk is voor het zware lichamelijke (knie)letsel dat het slachtoffer hierbij heeft opgelopen.
Gedaagde stelt in deze procedure dat het knieletsel niet zijn schuld is, maar gelet op het voorgaande slaagt dit verweer niet.
Causaal verband tussen strafbare feiten en overlijden (civielrechtelijk)
Gedaagde voert ook aan dat het overlijden van het slachtoffer niet aan hem kan worden toegerekend, omdat nog niet vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen de strafbare feiten waarvoor hij veroordeeld is en het overlijden van het slachtoffer. Hij wijst erop dat er geen objectieve forensische vaststelling van de doodsoorzaak is. De conclusies van de medisch adviseur zijn gebaseerd op waarschijnlijkheden en zij beschrijft bovendien meerdere scenario’s. De kwetsbare gezondheid van het slachtoffer kan volgens gedaagde niet voor zijn rekening komen. In elk geval kunnen de vorderingen volgens gedaagde niet zonder nader medisch onderzoek worden toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
Op grond van artikel 6:162 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die aan hem kan worden toegerekend, verplicht de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW moet zijn voldaan aan de volgende eisen: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit. In deze zaak is gedaagde door de strafrechter veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Daarmee staat in deze civiele procedure vast dat gedaagde onrechtmatig tegenover het slachtoffer heeft gehandeld en dat die onrechtmatige daad hem kan worden toegerekend.
Op grond van de wet hoeft gedaagde alleen die schade te vergoeden die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop zijn aansprakelijkheid berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
3 Elke voorwaarde zonder welke de schade niet zou zijn ingetreden, is een oorzaak van de schade. Met ander woorden: als men de gebeurtenis wegdenkt en de schade zou zonder die gebeurtenis niet zijn ingetreden, dan is er causaal verband.
Gedaagde betoogt dat de schade in een te ver verwijderd causaal verband staat om aan hem te worden toegerekend. Bij de vraag of de schade aan hem kan worden toegerekend, moet de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade meewegen.
4 Wegens de aard van de gedragingen van gedaagde (misdrijven waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld) en de aard van de schade van het slachtoffer (zwaar lichamelijk letsel waardoor een operatie nodig was) ziet de rechtbank redenen voor een ruime toerekening.
Gedaagde heeft een misdrijf met geweld gepleegd tegen het slachtoffer: een 64-jarige man met gezondheidsklachten. Het slachtoffer heeft daardoor zodanig ernstige verwondingen opgelopen dat een operatie noodzakelijk was. In het strafvonnis
5 staat dat uit camerabeelden blijkt dat het slachtoffer zijn huis is ontvlucht, dat gedaagde achter hem is aangerend en aan hem heeft getrokken en dat het slachtoffer hierdoor is gevallen, waarna gedaagde hem het huis weer heeft ingesleurd. Op grond van het strafvonnis staat vast dat het slachtoffer bij deze valpartij beide kniepezen heeft gescheurd, dat een operatie daardoor noodzakelijk was en dat het slachtoffer is overleden door complicaties die na de operatie zijn ontstaan.
Als gedaagde het slachtoffer niet had beroofd, had het slachtoffer niet van hem hoeven vluchten en als gedaagde tijdens die vlucht niet aan het slachtoffer had getrokken, had hij het slachtoffer niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel van het slachtoffer te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden.
Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid
6 van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader.
Er bestaat dus causaal verband tussen het tijdens de beroving toegebrachte knieletsel en het latere overlijden van het slachtoffer.
7
Gedaagde meent dat de rechtbank een deskundige moet benoemen om het causaal verband te kunnen vaststellen. De stellingen die gedaagde met nader deskundigenonderzoek wil onderbouwen, komen er echter op neer dat het slachtoffer een kwetsbare gezondheid had zodat hij is overleden aan complicaties waaraan een gezonder iemand niet zou zijn overleden. Voor de strafbaarheid van een daad kan dit verschil maken, maar voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor die daad niet (zie hiervoor randnummer 5.5.4). Daarom is in deze procedure geen nader medisch onderzoek nodig naar de door gedaagde genoemde mogelijke oorzaken van het overlijden van het slachtoffer.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat gedaagde aansprakelijk is voor het overlijden van het slachtoffer, zal zij de gevorderde verklaring voor recht toewijzen zoals hierna is verwoord onder het kopje ‘De beslissing’.
De rechtbank zal hierna de door eiseressen opgevoerde schadeposten beoordelen.
(I) De vorderingen van de dochters
De vordering van dochters is opgebouwd uit onderstaande schadeposten:
-
a) vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 20.000 per persoon;
-
b) vergoeding van vererfd smartengeld van (€ 11.381 / 2 =) € 5.690,50 per persoon;
-
c) vergoeding van een op 4 maart 2024 van het slachtoffer ontvreemd bedrag van (€ 1.000 / 2 =) € 500 per persoon en;
-
d) daarnaast vordert eiseres sub 2 vergoeding van gemaakte uitvaartkosten van € 13.804,52, die (alleen) zij heeft betaald.
( a) Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder d BW hebben de dochters van het slachtoffer aanspraak op de vergoeding van affectieschade. Het door hen gevorderde bedrag is echter hoger dan het bedrag zoals dat is vastgesteld in het Besluit vergoeding affectieschade, te weten € 17.500 voor meerderjarige niet-thuiswonende kinderen van een slachtoffer dat door een misdrijf is overleden.
De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe tot een bedrag van € 17.500 voor iedere dochter.
(b) Vererfd smartengeld
Uit artikel 6:106 onder b BW volgt dat de benadeelde die lichamelijk letsel heeft opgelopen recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.
Hoewel het slachtoffer is overleden zonder zelf aanspraak te maken op de hiervoor bedoelde immateriële schadevergoeding (smartengeld) en daarmee vaststaat dat niet is voldaan aan het mededelingsvereiste van artikel 6:95 lid 2 BW, maken de dochters als rechtsopvolgers onder algemene titel
8 niettemin aanspraak op de vergoeding van vererfd smartengeld, omdat volgens hen niet van hun vader kon worden gevergd om al tijdens zijn ziekenhuisverblijf kenbaar te maken dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld, onder meer omdat gedaagde toen nog niet in beeld was als verdachte. Gedaagde betwist dat de dochters aanspraak kunnen maken op vererfd smartengeld.
Zoals de rechtbank partijen al ter zitting heeft voorgehouden, heeft de aanspraak van een benadeelde op smartengeld een hoogstpersoonlijk karakter. De benadeelde moet zelf laten blijken dat hij genoegdoening wenst door middel van smartengeld.
9 Het feit dat nog geen verdachten in beeld waren toen het slachtoffer nog leefde, neemt niet weg dat het slachtoffer na de operatie en de eerste tekenen van postoperatieve complicaties nog bewust en bij zinnen is geweest. De in de jurisprudentie aanvaarde uitzondering voor slachtoffers die na de schadeveroorzakende gebeurtenis niet meer bij bewustzijn zijn geweest, is daarom in deze zaak niet van toepassing. Dat geldt temeer omdat het slachtoffer bij bewustzijn wel heeft aangegeven aanspraak te maken op andere vormen van schadevergoeding.
Dit betekent dat de rechtbank dit deel van de vordering van de dochters afwijst.
(c) De twee betalingen van het slachtoffer aan gedaagde op 4 maart 2024
Volgens de dochters heeft gedaagde één dag voor de beroving ook al geld van hun vader afgeperst. Uit het strafdossier blijkt dat er via Whatsapp bedreigingen zijn geuit aan het adres van hun vader en druk op hem is uitgeoefend en dat hij vervolgens op 4 maart 2024 € 950 en € 50 heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer van gedaagde. Omdat deze betalingen om onbekende redenen geen onderdeel waren van de tenlastelegging in de strafzaak, hebben de dochters deze bedragen in die procedure niet teruggevorderd.
Gedaagde betwist niet dat het slachtoffer op 4 maart 2024 € 1.000 aan hem heeft overgemaakt, maar wel dat sprake was van afpersing. Hij voert aan dat het slachtoffer hem heeft betaald voor seksuele diensten die hij aan hem zou hebben geleverd.
De rechtbank zal gedaagde veroordelen om de € 1.000 terug te betalen aan de dochters, en wel om de volgende redenen.
Tijdens de zitting heeft de rechter gedaagde gevraagd hoe zijn uitleg te rijmen is met de betalingsomschrijving “terugbetaling”. Anders dan “Ik moest iets verzinnen, meneer heeft om diensten gevraagd die hij heeft gekregen”, heeft gedaagde dit niet kunnen verklaren. Van een gewone betaling voor gewone dienstverlening lijkt dus geen sprake.
Uit het strafdossier blijkt dat de afpersers het bij het slachtoffer hebben doen voorkomen alsof hij via een website een afspraak had gemaakt met een minderjarig meisje en dat de afpersers hebben gedreigd dit naar buiten te brengen.
Gedaagde heeft bevestigd dat het slachtoffer voorafgaand aan de beroving van 5 maart 2024 via een website foto’s heeft ontvangen van een minderjarig meisje en dat hij daarna is afgeperst. De rechtbank heeft gedaagde gevraagd of de foto’s van hem waren; dit heeft gedaagde ontkend. Dat er door of namens gedaagde diensten aan het slachtoffer zijn verleend, blijkt uit niets en gedaagde heeft ook niet duidelijk gemaakt waarom het slachtoffer hem zou moeten betalen voor foto’s van een willekeurige website.
De door gedaagde zelf beschreven gang van zaken doet vermoeden dat de twee betalingen op 4 maart 2024 onderdeel waren van de afpersing. Gedaagde heeft in elk geval niets aangevoerd op grond waarvan kan worden gezegd dat het slachtoffer hem € 1.000 zou moeten betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat gedaagde onvoldoende onderbouwd heeft weersproken dat het slachtoffer hem de € 1.000 onverschuldigd heeft betaald. Gedaagde moet dit bedrag terugbetalen aan de erfgenamen van het slachtoffer.
(d) Uitvaartkosten
Eiseres sub 2 heeft een aan haar gerichte factuur overgelegd voor uitvaartzorg ter hoogte van € 13.804,52 van 22 maart 2024 en vordert dat gedaagde de gemaakte uitvaartkosten vergoedt. Gedaagde heeft niet betwist dat eiseres sub 2 genoemde kosten voor haar rekening heeft genomen.
Op grond van artikel 6:108 lid 2 BW is gedaagde als aansprakelijke partij gehouden de uitvaartkosten van het slachtoffer te vergoeden. Deze vordering zal worden toegewezen.
(II) De vordering van de ex- echtgenote
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 28 december 2018 is de echtscheiding uitgesproken tussen het slachtoffer en de ex-echtgenote en een alimentatieplicht vastgesteld van € 750 per maand. Zonder overlijden zou deze alimentatieverplichting pas per 30 januari 2031 zijn geëindigd. De ex-echtgenote heeft berekend dat zij vanwege het vervallen van 83 alimentatietermijnen in totaal € 62.079,00 aan alimentatie misloopt. Zij vordert vergoeding van de weggevallen alimentatiebetalingen op grond van artikel 6:108 lid 1 sub b BW. Gedaagde betwist dat hij hiertoe gehouden is.
De rechtbank wijst de vordering van de ex-echtgenote af, om de volgende redenen.
Artikel 6:108 BW regelt de schadevergoedingsplicht van degene die aansprakelijk is voor een gebeurtenis die de dood van een ander veroorzaakt. Het artikel bepaalt dwingend
10 welke personen aanspraak kunnen maken op schadevergoeding en welke schadeposten in welke omvang voor vergoeding in aanmerking komen. Het artikel beperkt de kring van gerechtigden tot degenen in wiens levensonderhoud de overledene voorzag; voor deze zaak zijn relevant de in het eerste lid van dit artikel genoemde gerechtigden:
-
a) de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
-
b) andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was.
Uit (de toelichting bij) artikel 6:108 lid 1 onder b BW volgt dat het bij de ‘andere bloed- en aanverwanten’ bijvoorbeeld gaat om broers en zussen, ouders, grootouders, meerderjarige kinderen en kleinkinderen van de overledene. Voor deze groep van gerechtigden is vereist dat de overledene op het moment van overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of dat de overledene daartoe op grond van een rechterlijke uitspraak verplicht was.
De rechter moet de kring van benadeelden strikt uitleggen. Uit de wetgeschiedenis blijkt namelijk dat destijds expliciet is nagedacht over de vraag of een beperkte opsomming van gerechtigden wel wenselijk was, gelet op de snelle en nog steeds voortdurende veranderingen in samenlevingsvormen. Tegenstanders hebben de wetgever daarbij gewezen op de mogelijkheid van andere maatstaven, zoals geregistreerde samenlevingsverbanden en inkomens- of vermogensafhankelijkheid. Desondanks heeft de wetgever aan het limitatieve karakter van de opsomming van gerechtigden vastgehouden.
11De relatie tussen de overledene en de alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot werd, afgezien van de alimentatie, als geëindigd beschouwd zodat de wetgever onvoldoende reden zag om het recht op alimentatie door te laten lopen als het overlijden was veroorzaakt door een derde.
12
Tijdens de zitting is namens de ex-echtgenote bestreden dat er geen ruimte is om voorbij te gaan aan de limitatieve opsomming en verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, waarin bevestiging voor haar standpunt zou zijn te vinden. Die uitspraak heeft de rechtbank echter – ook met aangepaste zoektermen – niet kunnen vinden.
Deze vordering zal dus worden afgewezen, omdat de ex-echtgenote geen vorderingsrecht heeft op grond van artikel 6:108 lid 1 sub b BW.
Proceskosten
Gedaagde is de partij die overwegend in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van eiseressen betalen. Omdat eiseressen hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal gedaagde niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van eiseressen worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten × € 1.290) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.862,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat gedaagde tegenover de dochters aansprakelijk is voor de schade die zij, deels door erfopvolging, hebben geleden doordat hun vader is overleden als gevolg van de strafbare feiten die gedaagde jegens hun vader heeft gepleegd;
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres sub 1 van een bedrag van € 18.000 (ter zake van affectieschade € 17.500 + € 500 voor het op 4 maart. 2024 overgemaakte bedrag), te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW met ingang van 17 december 2025;
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres sub 2 van een bedrag van € 31.804,52 (affectieschade € 17.500 + € 500 voor het op 4 maart 2024 overgemaakte bedrag + uitvaartkosten ter hoogte van € 13.804,52), te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW met ingang van 17 december 2025;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseressen van € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de veroordelingen onder 6.2 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Type: 2513.
Rechtbank Den Haag 8 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5813.
MvA II, Parlementaire Geschiedenis, p. 345.
Strafvonnis, randnummer 4.4.
In vaktermen: de predispositie van het slachtoffer.
HR 12 september 1978, NJ 1979/60 (Massale Longembolie); HR 23 december 1980, NJ 1981/534 (Aortaperforatie) en HR 7 mei 1985, NJ 1985/821 (Haarlemse doodslag).
Onder verwijzing naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1870 en rechtbank Amsterdam 26 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4625.
PHR 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:483 (vanaf randnummer 4.65 e.v.) bij HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055, (randnummer 4.5.2).
In juridische termen: ‘limitatief’. Op deze punten bevat artikel 6:108 BW een aan de algemene bepalingen derogerende regeling. Voor het overige zijn de gewone regels van toepassing.
MvA I Inv., Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1315.
MvA I Inv, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1316.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
