Essentie (gemaakt door AI)
A-G Ibili adviseert het cassatieberoep van de man te verwerpen. Geschil: herbeoordeling kinderalimentatie op grond van art. 1:401 lid 4 BW en vaststelling inkomen vrouw vanaf 2023. Het hof mocht, bij ontbreken van recente stukken van vrouw en onvoldoende onderbouwing door man (slechts ‘via via’), uitgaan van € 65.536 (2022) voor 2023 e.v. Eigen herberekening van behoefte, draagkracht en zorgkorting is toelaatbaar. Verzoek verklaring voor recht over 2022-inkomen terecht afgewezen wegens gebrek aan belang.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 18-06-2026 |
| Zaaknummer | 26/00163 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Onjuiste gegevens en wijziging alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Familierecht. Wijziging van kinderalimentatie (art. 1:401 lid 4 BW) . Taak van alimentatierechter bij vaststellen van financiële gegevens, wanneer alimentatieplichtige geen inhoudelijk verweer voert. Gevolgtrekking ex art. 21 Rv.Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00163
Zitting 12 juni 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man] ,
hierna: de man
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw
1Inleiding
In deze zaak komt de vraag aan bod of het hof bij de herbeoordeling van kinderalimentatie op grond van art. 1:401 lid 4 BW de behoefte van de kinderen, de financiële draagkracht van partijen en de zorgkosten juist heeft vastgesteld. Volgens de man had het hof hiervoor moeten uitgaan van (de financiële gegevens in) het gewijzigde verzoek van de man, omdat de vrouw daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd.
In cassatie gaat het vooral om het inkomen van de vrouw vanaf 2023. De vrouw heeft geen inkomensgegevens overgelegd, omdat zij niet wil dat de man te weten komt waar zij werkt. Het hof heeft het inkomen van de vrouw bepaald aan de hand van het door de man aannemelijk gemaakte inkomen van de vrouw in 2022 van € 65.536,-. De stelling van de man dat hij ‘via via’ heeft gehoord dat de vrouw in 2023 en 2024 een inkomen van € 74.000,- had, heeft het hof verworpen. Hiertegen komt de man in cassatie op. Verder klaagt de man in cassatie dat het hof ten onrechte zijn verklaring voor recht heeft afgewezen dat het inkomen van de vrouw in 2022 € 65.536,- bedroeg. Ik zie beide klachten niet slagen.
2Feiten en procesverloop
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
1
Het huwelijk van partijen is op 16 november 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 maart 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 (hierna gezamenlijk: de minderjarigen).
Tussen partijen zijn verschillende procedures gevoerd over kinderalimentatie, zowel in Nederland als in Marokko.
2
Bij vonnis van 17 juni 2021 is de man in Marokko veroordeeld om met ingang van 21 december 2020 500 Marokkaanse dirham per kind per maand kinderalimentatie te betalen.
Bij beschikking van 26 januari 2023 heeft de rechtbank Gelderland het verzoek van de man tot wijziging van de in Marokko vastgestelde kinderalimentatie afgewezen. Ook is het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 198,- per kind per maand afgewezen.
Bij beschikking van 12 maart 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank van 26 januari 2023 vernietigd en, met wijziging van het Marokkaanse vonnis van 17 juni 2021, bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2023 € 38,50 per kind per maand kinderalimentatie dient te betalen.
In de onderhavige zaak heeft de man, bij verzoekschrift ingekomen op 8 augustus 2024 bij de griffie van de rechtbank, verzocht te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 januari 2023 € 122,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2024 € 133,- per kind per maand kinderalimentatie moet voldoen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag. De vrouw heeft verweer gevoerd.
Bij beschikking van 16 december 2024 heeft de rechtbank Gelderland de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de procedure die heeft geleid tot de beschikking van het hof van 12 maart 2024.
De man is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank van 16 december 2024 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de vrouw te betalen kinderalimentatie aan de hand van de door haar verstrekte gegevens dan wel, bij gebreke daarvan, aan de hand van de door de man genoemde inkomensgegevens van de vrouw, met ingang van 1 januari 2023 en 1 januari 2025 (of zoveel eerder indien blijkt dat het inkomen van de vrouw reeds eerder is gewijzigd) vast te stellen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, meer subsidiair het door de man verzochte alsnog toe te wijzen. Verder heeft de man incidenteel verzocht, alvorens verder te beslissen in de hoofdzaak, de vrouw te veroordelen om aan de man een afschrift te verstrekken van haar loonstroken, jaaropgaven, aanslagen en aangiften inkomstenbelasting over de periode 2022 t/m 2025, voor zover beschikbaar, onder oplegging van een dwangsom. De vrouw heeft zowel in de hoofdzaak als in het incident verweer gevoerd.
Bij tussenbeschikking van 17 juni 2025 heeft het hof het incidentele verzoek van de man afgewezen.
De man heeft zijn verzoek in hoger beroep op 8 augustus 2025 gewijzigd en het volgende verzocht:
‘i. alvorens verder te beslissen de vrouw op grond van artikel 194 Rv, dan wel op grond van artikel 196 Rv te veroordelen aan de man een afschrift te verstrekken van al haar loonstroken over 2022, 2023, 2024 en 2025, haar jaaropgaves 2022, 2023 en 2024, haar aangifte- en aanslag inkomstenbelasting 2022, 2023 en voor zover beschikbaar 2024, door deze te overleggen in de onderhavige procedure, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat zij dit verzuimt;
ii. (vervolgens) primair aan de hand van de door de vrouw verstrekte gegevens de beschikking van 12 maart 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te wijzigen wat de hoogte van de door de vrouw te betalen kinderalimentatie betreft en opnieuw rechtdoende met ingang van 1 januari 2023, 1 januari 2024 en 1 januari 2025 (of zoveel eerder indien blijkt dat de vrouw haar inkomen reeds eerder gewijzigd is) de kinderalimentatie vast te stellen op een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag;
iii. subsidiair, indien de vrouw verzuimt om de verzochte inkomensgegevens te overleggen in de procedure, te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 januari 2023 met € 125,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van 1 januari 2024 met € 133,- per kind per maand en met ingang van 1 januari van 2025 met € 143,- per kind per maand (…) én;
iv. voor recht te verklaren dat het bruto jaarinkomen van de vrouw in 2022 € 65.536,- bedroeg;
v. de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.’
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank van 16 december 2024 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van het hof van 12 maart 2024 gewijzigd en bepaald dat de vrouw als kinderalimentatie zal betalen € 110,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2023, € 119,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024 en € 128,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzocht heeft het hof afgewezen.
De man is tijdig in cassatie gekomen van de beschikking van het hof van 21 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking). De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Alvorens de klachten van het middel te bespreken geef ik de relevante overwegingen van het hof weer.
Allereerst beoordeelt het hof het beroep van de vrouw op misbruik van procesrecht door de man:
‘Ontvankelijkheid
De vrouw stelt zich allereerst op het standpunt dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep, omdat sprake is van vexatoir procederen. De vrouw voert in dit kader aan dat de man blijft procederen over dezelfde onderwerpen, terwijl diverse rechterlijke instanties daar al een oordeel over hebben gegeven. De man herhaalt volgens de vrouw steeds dezelfde zetten. Zo is de man, nadat hij niet in het gelijk werd gesteld over de kinderalimentatie, een rechtszaak gestart bij de handelskamer, omdat de vrouw onrechtmatig zou handelen. De man beroept zich ter onderbouwing van zijn stellingen bovendien [op] onrechtmatig verkregen bewijs door zonder toestemming van de vrouw met de gegevens van de vrouw te bellen met de Belastingtelefoon en in strijd met de waarheid en op basis van valse gegevens een toevoeging aan te vragen op naam van de vrouw.
Het hof dient te beoordelen of de insteek van de onderhavige procedure in hoger beroep uitsluitend is ingegeven om de belangen van de vrouw te schaden, zodat de man op die manier misbruik van procesrecht maakt. De lat ligt daarbij vrij hoog, zoals blijkt uit het toetsingskader dat hieronder is weergegeven.
Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) .
In dit geval kan aan de vrouw worden toegegeven dat de man weinig mogelijkheden onbenut laat om de conflictueuze verhouding waarin partijen sinds de echtscheiding verkeren voort te zetten. De man is in de afgelopen jaren een groot aantal procedures gestart. Hij benadert - al dan niet op rechtmatige wijze - diverse instanties en de omgeving van de vrouw, zoals de werkgever en de verhuurder. Het hof heeft op 12 maart 2024 (200.325.477) al overwogen dat de wijze waarop de man bewijzen vergaart laakbaar is. Hij dreigt met strafrechtelijke aangiften jegens de vrouw en dient herhaaldelijk klachten in tegen advocaten van de vrouw. Vanwege de uitzonderlijke situatie, die door de raad voor de rechtsbijstand inmiddels als intieme terreur is aangemerkt, is aan de vrouw inmiddels een toevoeging verstrekt. Dit alles tegen de achtergrond dat aan de vrouw ook een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven is toegekend vanwege huiselijk geweld en stalking door de man. Dat maakt dat bij het huidige verzoek inderdaad nadrukkelijk moet worden stilgestaan bij de vraag of het de man nu werkelijk te doen is om de kinderalimentatie of dat hij met deze procedure vooral de vrouw wil dwarszitten. Hoewel de aanwijzingen voor het laatste steeds meer opdoemen, kan in dit geval toch (nog) niet het procesrecht aan de man wegens misbruik worden ontzegd. Van belang is dat deze zaak ziet op de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen. Het betreft dus een procedure om te voorzien in de behoefte van de kinderen. Dat belang overstijgt in deze zaak het conflict tussen partijen en de rol die de man daarin vervult, ook als het gedrag van de man gekwalificeerd kan worden als intieme terreur. Ook kan niet op voorhand worden gezegd dat er inhoudelijk niets op het spel staat ten aanzien van de kinderalimentatie. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de laatste financiële gegevens van de vrouw dateren uit 2022, zodat er op dit moment geen zicht bestaat op de actuele inkomenssituatie van de vrouw, terwijl niet in geschil is dat zij inmiddels een nieuwe baan heeft. Onder deze omstandigheden kan de man (nog) worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep.’
Vervolgens beoordeelt het hof of sprake is van een grond tot wijziging van de bij beschikking van 12 maart 2024 door het hof vastgestelde kinderalimentatie:
‘Onjuiste of onvolledige gegevens?
In artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek is te lezen dat een rechterlijke uitspraak over kinderalimentatie kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het hof stelt voorop dat de man in een eerdere procedure al heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw werd uitgegaan van onjuiste gegevens. Het hof heeft over deze stellingen op 12 maart 2024 het volgende overwegen:
“Het hof overweegt als volgt. De man heeft een geluidsopname overgelegd van een telefoongesprek dat hij heeft gevoerd met een medewerker van de belastingtelefoon. De man heeft in dat gesprek, met gebruikmaking van persoonsgegevens van de vrouw, zonder dat de vrouw daarvoor toestemming heeft gegeven en zonder dat zij daarvan op de hoogte was, informatie verkregen over haar inkomen. Het hof vindt deze handelwijze van de man laakbaar maar laat het bij deze opmerking.
De vrouw heeft haar jaaropgave 2022 overgelegd waaruit een belastbaar inkomen volgt van € 44.548,- in dat jaar. Gesteld tegenover die jaaropgave 2022 ziet het hof geen aanleiding om uit te gaan van de inkomensgegevens zoals die (zouden) blijken uit de door de man overgelegde geluidsopname. Het gaat daarin immers om gegevens die alleen worden genoemd in een telefoongesprek. Ze zijn niet op schrift gesteld en het hof treft ook geen bevestiging (vanuit de Belastingdienst), zodat de juistheid niet kan worden geverifieerd.”
In de huidige procedure voert de man aan dat een andere advocaat in verband met een andere procedure voor de man een toevoeging heeft willen aanvragen. Deze advocaat is er volgens de man per abuis van uitgegaan dat de vrouw en de man nog een relatie hadden en hij heeft op basis daarvan een toevoegingsaanvraag ingediend. Deze toevoeging is vervolgens afgewezen, omdat het inkomen van de vrouw te hoog was. In het afwijzingsbericht van de Raad voor Rechtsbijstand wordt het inkomen van de vrouw becijferd op € 65.536,- (productie 4 bij het verzoek in eerste aanleg). Dit is hoger dan het jaarinkomen 2022 van € 44.548,- dat de vrouw in de vorige procedure heeft laten zien.
Het hof is van oordeel dat de gegevens die de man telefonisch bij de Belastingdienst heeft vernomen en zoals deze blijken op het afwijzingsbericht van de Raad voor Rechtsbijstand in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het inkomen van de vrouw op het afwijzingsbericht in lijn ligt met hetgeen in de eerdere procedure door de man is aangevoerd. Aan dit bericht moet naar het oordeel van het hof daarom gewicht worden toegekend, omdat de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensgegevens ontvangt van de Belastingdienst op basis van het burgerservicenummer van de vrouw. Het peilmoment ligt twee jaar terug. De aanvraag is gedaan op 23 mei 2024 zodat het door de Raad voor Rechtsbijstand genoemde inkomen ziet op 2022. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van de vrouw om inzage te geven in de hoogte van haar inkomen. Het hof betrekt daarbij dat de manier waarop de man het bewijs heeft verkregen, nog niet maakt dat die gegevens onbetrouwbaar zijn. Omdat de vrouw om haar moverende redenen geen inzicht geeft in haar financiële gegevens, kan het hof op voorhand niet anders dan oordelen dat in eerdere procedures is uitgegaan van onjuiste dan wel onvolledige gegevens.’
Het hof gaat hierna over tot een nieuwe beoordeling van de te betalen kinderalimentatie:
‘Ingangsdatum
Overeenkomstig het verzoek van de man hanteert het hof als ingangsdatum 1 januari 2023, omdat het hof vanaf deze datum bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaat van een hoger inkomen. Voor zover de man argumenten aanvoert over de draagkracht van de vrouw in 2022 laat het hof deze buiten beschouwing.
Behoefte
De behoefte van de kinderen is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen in de beschikking van 26 maart 2021 vastgesteld op € 513,- per kind per maand.
Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen:
- € 541,- per kind per maand in 2023;
- € 574,- per kind per maand in 2024;
- € 611,- per kind per maand in 2025.
Draagkracht man
De man ontvangt een WIA-uitkering. Blijkens de door de man overgelegde jaaropgaven (productie 9 bij het journaalbericht van 8 augustus 2025) bedroeg deze uitkering op jaarbasis:
- € 23.333,- in 2023;
- € 25.024,- in 2024.
De vrouw stelt dat nergens uit is gebleken dat de man, ondanks zijn uitkering, niet in staat is om arbeidsinkomen te verwerven. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man gaat het hof aan deze stelling voorbij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man al sinds 2003, dus nog voordat partijen elkaar leerden kennen, een WIA-uitkering ontving en dat de man sindsdien nooit inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Daarnaast heeft de vrouw ook geen rechtsgevolgen aan haar stelling verbonden.
Het hof gaat ook voorbij aan de stellingen van de vrouw over het appartement van de man in Marokko. De waarde van dit appartement wordt betrokken bij de verdeling van de gemeenschap tussen partijen. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de man inkomsten heeft uit dit appartement.
De vrouw voert tot slot aan dat de man beschikt over voldoende draagkracht, omdat hij de ontvangen kinderalimentatie direct op een aparte bankrekening zet. Het hof overweegt dat de vrouw ook deze stelling niet verder onderbouwt, maar zelfs als het zo is dat de man de door hem ontvangen kinderalimentatie op een aparte bankrekening zet, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat de man beschikt over een hogere draagkracht dan becijferd op basis van zijn inkomensgegevens. Hoe de man zijn financiën inricht, ligt niet aan het hof ter beoordeling voor. Ook hoeft de man hierover geen rekening en verantwoording aan de vrouw af te leggen. Het had in dit kader op de weg van de vrouw gelegen om nader te onderbouwen dat de man een hogere draagkracht heeft dan blijkt uit de door hem overgelegde gegevens.
Op basis van het voorgaande heeft de man blijkens de aangehechte draagkrachtberekening:
- in 2023 een NBI van € 1.479,- en een draagkracht van € 50,- per maand;
- in 2024 een NBI van € 1.593,- en een draagkracht van € 50,- per maand; en
- in 2025 een NBI van € 1.594,- en een draagkracht van € 50,- per maand.
Draagkracht vrouw
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, beschikt het hof aan de zijde van de vrouw niet over recente inkomensgegevens. Uitgangspunt is dat het aan de alimentatieplichtige is om de rechter ervan te overtuigen dat hij niet voldoende draagkracht heeft. De alimentatieplichtige die stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft, dient de nodige bescheiden te overleggen als zijn stelling wordt betwist. De vrouw voelt zich belemmerd in het overleggen van financiële informatie omdat zij niet wil dat de man te weten komt waar zij werkt. De man heeft (…) zijn stelling dat de vrouw in 2023 en in 2024 een inkomen van € 74.000,- heeft verworven gebaseerd op het feit dat hij dit ‘via via’ heeft gehoord. Het hof vindt dit een onvoldoende onderbouwing van zijn stelling om deze te volgen. Bij deze stand van zaken zal het hof uitgaan van het hiervoor genoemde inkomen van € 65.536,-.
Op basis van het voorgaande becijfert het hof het NBI en draagkracht van de vrouw op basis van een bruto inkomen op jaarbasis van € 65.536. Blijkens aangehechte [draagkrachtberekening] bedroeg het NBI van de vrouw in 2023 € 4.335,- per maand en haar draagkracht € 651,- per kind per maand.
Na indexering bedraagt de draagkracht van de vrouw:
- € 691,- per kind per maand in 2024; en
- € 736,- per kind per maand in 2025.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande beschikken de man en de vrouw samen over voldoende draagkracht om te voorzien in de behoefte van de kinderen. Dit overschot in draagkracht rechtvaardigt in beginsel een draagkrachtvergelijking. In dit geval laat het hof een draagkrachtvergelijking echter achterwege. Het hof is namelijk van oordeel dat van de man in redelijkheid verwacht kan worden dat hij zijn draagkracht van € 50,- per maand, de minimumdraagkracht die expertgroep alimentatienormen hanteert, gebruikt om te voorzien in de zorgkosten als de kinderen bij hem verblijven.
Zorgkosten
Partijen geven uitvoering aan een zorgregeling. De kinderen verblijven wekelijks op woensdag uit school tot de volgende dag bij de man, een weekend per twee weken en de helft van de vakanties. Het hof bereken[t] de zorgkosten voor de man daarom op basis van 25% van de kosten van de kinderen.
De zorgkosten bedragen dus:
- € 135,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2023;
- € 144,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024;
- € 153,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025.’
Op grond van de voorgaande overwegingen komt het hof tot de volgende conclusie:
‘Conclusie
Op de hiervoor becijferde zorgkosten strekt in mindering de draagkracht van de man van € 25,- per kind per maand. Dit leidt tot de conclusie dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te betalen:
- € 110,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2023;
- € 119,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024;
- € 128,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025.
Vermeerdering verzoek man (8 augustus 2025)
Het verzoek van de man de vrouw te veroordelen om de door hem genoemde stukken te overleggen zal het hof afwijzen. De man heeft daar namelijk geen belang meer bij omdat het hof inmiddels een herberekening heeft gemaakt.’
Het cassatiemiddel voert, kort gezegd, het volgende aan. In zijn gewijzigde verzoek van 8 augustus 2025 heeft de man in hoger beroep verzocht, voor zover van belang, (onder iii) dat, indien de vrouw verzuimt om de verzochte inkomensgegevens te overleggen, de door haar te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 125,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2023, € 133,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024 en € 143,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025, en (onder iv) voor recht te verklaren dat het bruto inkomen van de vrouw in 2022 € 65.536,- bedroeg. De vrouw heeft hiertegen geen inhoudelijk verweer gevoerd. Zij heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit haar financiële draagkracht blijkt. Zij heeft slechts aangevoerd dat de man misbruik van procesrecht maakt. Tegen deze achtergrond heeft het hof ten onrechte een eigen berekening gemaakt van de behoefte van de minderjarigen, de financiële draagkracht van partijen en de zorgkosten voor de man. Het hof had moeten uitgaan van (de financiële gegevens in) het gewijzigde (door de vrouw inhoudelijk niet weersproken) verzoek van de man van 8 augustus 2025. Ten onrechte heeft het hof op basis van een eigen berekening een lager bedrag aan kinderalimentatie vastgesteld dan de man heeft verzocht in zijn gewijzigde verzoek van 8 augustus 2025. In ieder geval heeft het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het een eigen berekening heeft gemaakt en niet het gewijzigde (door de vrouw inhoudelijk niet weersproken) verzoek van de man van 8 augustus 2025 heeft toegewezen. Hetzelfde geldt voor de verzochte verklaring voor recht met betrekking tot het bruto inkomen van de vrouw in 2022.
Bij de bespreking van de klachten stel ik om te beginnen vast dat het hof bij de berekening van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2023, op de financiële draagkracht van de vrouw na, niet is afgeweken van het standpunt van de man over de gegevens die van belang zijn voor de berekening van de kinderalimentatie. De behoefte van de minderjarigen is tussen partijen niet in geschil, zo heeft het hof uitdrukkelijk vastgesteld (rov. 5.14). Dat tussen partijen hierover geen geschil bestaat, wordt door het middel als zodanig niet bestreden. Voor de zorgkosten is het hof, net als de man in zijn overgelegde alimentatieberekeningen bij zijn gewijzigde verzoek van 8 augustus 2025, uitgegaan van 25% van de kosten van de minderjarigen (rov. 5.24). Voor de draagkracht van de man is het hof uitgegaan van het inkomen dat de man heeft genoemd in de overgelegde alimentatieberekeningen bij zijn gewijzigde verzoek van 8 augustus 2025 (rov. 5.16 t/m 5.19). Alleen ten aanzien van de draagkracht van de vrouw is het hof uitgegaan van andere inkomensgegevens (een inkomen van € 65.536,- vanaf 2023) dan de gegevens die de man heeft genoemd in de overgelegde alimentatieberekeningen bij zijn gewijzigde verzoek van 8 augustus 2025 (een inkomen van € 74.000,- in 2023 en 2024 en van € 82.900,- in 2025). Hiermee heeft het hof geen rechtsregel geschonden en evenmin is zijn oordeel onbegrijpelijk. Ik leg dit als volgt uit.
De man heeft verzocht om wijziging van de beschikking van het hof van 12 maart 2024, omdat bij die beschikking zou zijn uitgegaan van onjuiste dan wel onvolledige gegevens over het inkomen van de vrouw in 2022. Volgens de man is het hof ten onrechte uitgegaan van een inkomen van € 44.548,- terwijl dat € 65.536,- had moeten zijn. De man baseert dit inkomen op een geluidsopname van een telefoongesprek dat hij heeft gevoerd met een medewerker van de belastingtelefoon en een afwijzingsbericht van de Raad voor de Rechtsbijstand op een toevoegingsaanvraag van de man. (rov. 5.8 t/m 5.10) Volgens het hof ligt het onder deze omstandigheden op de weg van de vrouw om inzage te geven in de hoogte van haar inkomen. Nu de vrouw om haar moverende redenen geen inzicht heeft gegeven in haar financiële gegevens, is het hof van oordeel dat in de eerdere procedure is uitgegaan van onjuiste dan wel onvolledige gegevens (rov. 5.11). Dit heeft geleid tot een nieuwe beoordeling van de draagkracht van partijen (rov. 5.12). Gelet op de ingangsdatum van 1 januari 2023 (rov. 5.13), diende het hof de draagkracht van de vrouw vanaf 2023 te beoordelen. In rov. 5.21 heeft het hof blijk ervan gegeven dat het op de weg van de vrouw als alimentatieplichtige ligt om de rechter ervan te overtuigen dat zij niet over voldoende draagkracht beschikt (‘De alimentatieplichtige die stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft, dient de nodige bescheiden te overleggen als zijn stelling wordt betwist.’). De vrouw voelt zich in dit geval belemmerd in het overleggen van financiële informatie, omdat zij niet wil dat de man te weten komt waar zij werkt. De man stelt dat de vrouw in 2023 en 2024 een inkomen van € 74.000,- heeft verworven. Dit zou de man ‘via via’ hebben gehoord. Volgens het hof is dit een onvoldoende onderbouwing van de stelling van de man over het inkomen van de vrouw in 2023 en 2024 om deze te volgen. Bij deze stand van zaken is het hof uitgegaan van het in het kader van art. 1:401 lid 4 BW vastgestelde inkomen van de vrouw in 2022 van € 65.536,-.
De vrouw heeft om haar moverende redenen nagelaten om de voor de alimentatieberekening relevante gegevens over haar inkomen vanaf de ingangsdatum van 1 januari 2023 in het geding te brengen, terwijl dat wel op haar weg lag als alimentatieplichtige. Nu de vrouw niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om de rechter de voor de alimentatieberekening relevante inkomensgegevens in het geding te brengen, mocht het hof daaraan de gevolgtrekking verbinden die hem geraden voorkomt (art. 21 Rv) .
3 In dat verband had het hof ervoor kunnen kiezen om voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van het door de man genoemde inkomen van de vrouw in 2023 en 2024. Dat heeft het hof echter niet gedaan, omdat het hof van oordeel is dat de man zijn stelling over het inkomen van de vrouw in 2023 en 2024 onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit het door hem gestelde inkomen zou blijken. Hij zou ‘via via’ hebben gehoord dat het inkomen van de vrouw in 2023 en 2024 € 74.000,- bedroeg. Dat lijkt mij onvoldoende om van het door de man gestelde inkomen uit te gaan. Het oordeel van het hof dat de man zijn stelling over het inkomen van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd, is daarmee goed te volgen. Dat geldt ook voor de aansluiting die het hof ter bepaling van de draagkracht van de vrouw heeft gezocht bij het in het kader van art. 1:401 lid 4 BW vastgestelde inkomen van de vrouw van € 65.536,- in 2022. Kennelijk heeft het hof bij dit alles laten meewegen dat de vrouw niet uit onwil haar inkomensgegevens niet in het geding heeft gebracht, maar omdat de vrouw niet wil dat de man komt te weten waar zij werkt. Ook dat oordeel van het hof is goed te begrijpen.
4
De klachten van het middel die betrekking hebben op de door het hof op grond van een herbeoordeling zelfstandig vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2023 stuiten af op het voorgaande. Ook de klacht die ziet op de afwijzing van de verzochte verklaring voor recht over het inkomen van de vrouw in 2022 faalt. Mij is niet duidelijk, het middel zet dit ook niet uiteen, welk belang de man heeft bij deze verzochte verklaring voor recht. Het hof heeft de man namelijk gevolgd in zijn standpunt dat het bruto inkomen van de vrouw in 2022 € 65.536,- bedroeg (rov. 5.10 en 5.11) en dit inkomen ook als grondslag gebruikt voor de berekening van de draagkracht van de vrouw (rov. 5.21 en 5.22).
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6495, rov. 3.1 t/m 3.4 en rov. 5.24; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3638, rov. 2.1 t/m 2.7.
Een van die procedures heeft geleid tot HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265, NJ 2023/349, m.nt. L. Strikwerda, waarin uitleg is gegeven aan de litispendentieregeling in art. 12 Rv in verband met de parallelle procedures over kinderalimentatie die tussen partijen aanhangig waren in Nederland en in Marokko.
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3. Zie ook de conclusie van A-G Huydecoper, onder 16 e.v., voor deze beschikking; voorts S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:397 BW, aant. 2b.
Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 2012/498, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
