College van Beroep voor het bedrijfsleven 16-06-2026, ECLI:NL:CBB:2026:270

Essentie (gemaakt door AI)

Accountantstuchtrecht. Hoger beroep tegen uitspraak accountantskamer waarin klacht deels gegrond is verklaard over rapport van partijdeskundige in echtscheidingsprocedure inzake pensioenverevening. Het College bevestigt dat de accountant in strijd met NBA-handreiking 1127 een eenzijdig rapport opstelt zonder inzichtelijke berekeningen, alternatieven (o.a. rentepercentages) en onderbouwing van AO-premies, en daarmee objectiviteit en vakbekwaamheid schendt en waarheidsvinding belemmert. Maatregel: tijdelijke doorhaling één maand. Hoger beroep is ongegrond.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Waar liggen de tuchtrechtelijke grenzen voor de partij-accountant?
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bekrachtigt oordeel Accountantskamer dat accountant in strijd met NBA-handreiking 1127 een eenzijdig en onvoldoende inzichtelijk rapport heeft opgesteld over pensioenverevening bij scheiding.

Datum publicatie16-06-2026
Zaaknummer23/1188
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenBestuursrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid financieel adviseur
WetsverwijzingenWet tuchtrechtspraak accountants

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Accountantstuchtrecht. De accountant heeft in een gerechtelijke procedure op verzoek van een van de daarbij betrokken partijen een rapportage opgesteld. Het College onderschrijft de overweging van de accountantskamer dat de accountant verwijtbaar heeft gehandeld door (als partijdeskundige in een bij het gerechtshof gevoerde procedure) een eenzijdig rapport op te stellen waarin inzichtelijke berekeningen en mogelijke alternatieven voor gebruikte gegevens ontbreken. Ook de overweging van de accountantskamer dat de accountant te veel het belang van zijn opdrachtgever voor ogen heeft gehad waarmee hij de waarheidsvinding heeft belemmerd, onderschrijft het College. De opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van één maand vindt het College passend en geboden. Het hoger beroep is ongegrond.

Volledige uitspraak


uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1188

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 op het hoger beroep van:
mr. drs. [naam 1] RA, te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )

(gemachtigden: mrs. F.C.M. van der Velden en D.C. Theunis),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 31 maart 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door

[naam 2] ( [naam 2] )

(gemachtigde: mr. J. Dongelmans).


Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

31 maart 2023, met nummer 22/927 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:26).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Zowel [naam 1] als [naam 2] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 24 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door mr. D.C. Theunis, en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] staat sinds 19 mei 1999 ingeschreven als registeraccountant in het register van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants.

1.3

[naam 2] was tot 15 april 2008 gehuwd met [naam 3] (hierna: [naam 3] dan wel [naam 3] ). Op 17 maart 1997 heeft [naam 3] [naam 4] B.V. (hierna ook: [naam 4] ) opgericht, van welke B.V. hij directeur-grootaandeelhouder was en is. Daarnaast is [naam 3] per 1 januari 2013 gestart met een eenmanszaak met de handelsnaam [naam 5] Advies Training Coaching ( [naam 5] ), vanuit welke onderneming hij zijn werkzaamheden is gaan verrichten.

1.4

[naam 2] en [naam 3] hebben na hun echtscheiding een civielrechtelijke procedure gevoerd over de aan [naam 2] – conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding – toekomende bedragen wegens verevening van de tijdens het huwelijk in eigen beheer in [naam 4] opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioenaanspraken.

1.5

Op enig moment heeft de advocaat die [naam 3] tijdens voornoemde civielrechtelijke procedure bijstond, mr. [naam 6] , [naam 1] benaderd om ten behoeve van de destijds bij het gerechtshof Den Haag aanhangige hogerberoepsprocedure als partijdeskundige een rapport op te stellen. Op 19 januari 2022 heeft [naam 1] een brief gestuurd aan [naam 3] , met als onderwerp “Opdrachtbevestiging”. In die opdrachtbevestiging vermeldt [naam 1] dat hij met [naam 3] is overeengekomen om de volgende werkzaamheden te verrichten:

“- beoordeling van de van u ontvangen informatie;

- bepalen of het verrichten van de werkzaamheden vanuit de eenmanszaak voorzienbaar nadelig is geweest voor [naam 4] BV en de dekking van de pensioenen in het bijzonder;

- opstellen van een rapportage welke gebruikt kan worden in de procedure

[naam 4] BV/ [naam 3] versus [naam 2] ;

- eventuele andere bijkomende werkzaamheden die dienstig kunnen zijn aan hetgeen hiervoor is opgenomen.”

1.6

Op 17 februari 2022 heeft [naam 1] een rapport, met als onderwerp “Exploitatie IB – BV”, aan mr. [naam 6] gestuurd. Het rapport bevat de bevindingen van de door [naam 1] verrichte werkzaamheden. [naam 1] sluit het rapport af met de “Beantwoording van de in de opdrachtformulering gestelde vraag”, “of het verrichten van de ondernemingsactiviteiten in de eenmanszaak voorzienbaar nadelig is geweest voor [naam 4] BV en de dekking van de pensioenverplichting in het bijzonder”:

“Indien de heer [naam 3] de nieuwe coaching en trainingsactiviteiten niet in zijn eenmanszaak [naam 5] zou hebben ondergebracht maar in plaats daarvan deze nieuwe activiteiten nog steeds binnen de BV zou hebben uitgeoefend dan is er, gegeven de in de analyse beschreven veronderstellingen, onvoldoende kapitaal in de BV aanwezig om zowel de commerciële waarde van het aandeel in de pensioenaanspraak van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten als voldoende kapitaal in de BV achter te laten om de commerciële waarde van het aandeel in de pensioenaanspraak van de tot verevening verplichte echtgenoot te dekken. Als gevolg van deze onderdekking is de BV naar de toestand per

1 december 2020 niet in staat is om de ouderdoms- en nabestaandenpensioen aanspraken van de vrouw (geheel of gedeeltelijk) af te storten.”

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht van [naam 2] houdt in dat [naam 1] de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels niet heeft nageleefd. In de uitspraak van de accountantskamer is de klacht als volgt weergegeven, waarbij voor betrokkene [naam 1] moet worden gelezen:

a. betrokkene heeft bij het opstellen van zijn rapport ten onrechte Standaard 5500N

toegepast en hij is voorbij gegaan aan NBA-Handreiking 1127 en aan de Nadere

voorschriften handelwijze accountant bij niet-naleving wet- en regelgeving door eigen

organisatie of cliënt (NV NOCLAR);

b. betrokkene heeft een rapport opgesteld dat fouten en omissies in de uitwerking bevat;

c. betrokkene heeft in het door hem opgestelde rapport geen rekening gehouden met het feit dat de door [naam 3] verrichte coaching- en trainingsactiviteiten niet nieuw zijn;

d. betrokkene heeft de overgang van een B.V. naar een eenmanszaak per

1 januari 2013 niet goed verwerkt;

e. in het door betrokkene opgestelde rapport wordt ten onrechte gesteld dat de overgang naar een eenmanszaak louter gebaseerd is op fiscale motieven;

f. betrokkene heeft zich ten onrechte gebaseerd op de jaarstukken 2012 tot en met 2020 van de B.V. en van de eenmanszaak, terwijl deze ondeugdelijk zijn;

g. betrokkene heeft het verloop van de rekening-courant van de directie van de B.V.

miskend;

h. betrokkene is in het door hem opgestelde rapport uitgegaan van een berekende

rentevergoeding aan de B.V. die niet zakelijk is;

i. betrokkene heeft in het door hem opgestelde rapport ten onrechte de aan [naam 3]

betaalde beheersvergoedingen en salarisbetalingen geaccepteerd, terwijl deze

ongebruikelijk zijn;

j. betrokkene heeft in het door hem opgestelde rapport ten onrechte geaccepteerd dat

privékosten in verband met het arbeidsongeschiktheidsrisico van [naam 3] voor rekening zijn gebracht van de B.V.;

k. betrokkene is in het door hem opgestelde rapport uitgegaan van btw-posities van de B.V. en van de eenmanszaak die niet deugdelijk zijn;

l. betrokkene is in het door hem opgestelde rapport ten onrechte niet ingegaan op alle

relevante verschillen tussen de B.V. en de eenmanszaak;

m. betrokkene heeft voor de vergelijking tussen de B.V. en de eenmanszaak een rekenmodel gebruikt dat ondeugdelijk is.

2.2

De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak de hierboven onder 2.1 weergegeven dertien klachtonderdelen besproken aan de hand van een indeling in de volgende vijf clusters:

1. het toetsingskader en de toegepaste Standaarden;

2. de door betrokkene gehanteerde systematiek en het rekenmodel;

3. de overgang naar de B.V.;

4. inhoudelijke beoordeling van de gebruikte stukken;

5. de rapportage inclusief specifieke uitgangspunten.

2.3

In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard wat betreft:

- de verwijzing naar Standaard 5500N;

- het handelen in strijd met NBA-handreiking 1127;

- de verwerking van de btw-posities van de B.V. en van de eenmanszaak,

- de onderbouwing van de kosten in verband met het arbeidsongeschiktheidsrisico.

De accountantskamer heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Zij heeft aan

[naam 1] de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3 Met het bericht van 13 maart 2026 heeft [naam 2] een drietal aanvullende producties (10 tot en met 12) overgelegd. Het College heeft de producties als gedingstukken toegelaten na met partijen op de zitting te hebben besproken of de producties daarvoor in aanmerking komen.

4 [naam 1] heeft vier hogerberoepsgronden tegen de uitspraak van de accountantskamer aangevoerd. [naam 2] heeft daarop in haar reactie op het hogerberoepschrift gereageerd. Het College zal deze reactie bij zijn beoordeling van de hogerberoepsgronden betrekken en de standpunten van [naam 2] daaraan voorafgaand, voor zover nodig, weergeven.

Hogerberoepsgrond: ongeoorloofde uitbreiding van de klacht door de accountantskamer

5.1

[naam 1] betoogt dat de accountantskamer de klacht op ongeoorloofde wijze heeft uitgebreid door in 5.2.7 en 5.6.5 van de bestreden uitspraak te overwegen dat het op de weg van [naam 1] had gelegen om in zijn rapport te vermelden hoe de hoogte van de te ontvangen rentevergoeding de uitkomst van zijn berekeningen beïnvloedt. In het klaagschrift wordt namelijk niet gerept over het ontbreken van een toelichting op hoe de hoogte van de rentevergoeding de berekeningen van [naam 1] zou hebben beïnvloed. In klachtonderdeel 8 van het klaagschrift klaagt [naam 2] er wel over dat de door [naam 4] ontvangen rentevergoeding te laag zou zijn, maar dit is in essentie een verwijt aan het adres van [naam 3] . Het was – zoals ook de accountantskamer in 5.6.5 heeft geoordeeld – niet aan [naam 1] om zich daarover uit te laten. Door [naam 1] het verwijt te maken dat in zijn rapport een toelichting ontbreekt over hoe de hoogte van de rentevergoeding de berekeningen zou hebben beïnvloed, heeft de accountantskamer de klacht op niet toegestane wijze uitgebreid. [naam 1] heeft klachtonderdeel 8 niet op die wijze gelezen en daarom op dat punt ook geen verweer gevoerd. De overwegingen 5.2.7 en 5.6.5 van de bestreden uitspraak kunnen gelet hierop niet (volledig) in stand blijven.

5.2

[naam 2] wijst op de volgende zinnen uit klachtonderdeel 8 van het klaagschrift:

“Op het feit dat de BV jarenlang substantieel te lage renteontvangsten ontving, gaat [naam 1] geheel niet in. Ter zake maakt hij geen enkele opmerking. Ook in zijn rekenmodel is hierover niets terug te zien.”

Hieruit volgt volgens [naam 2] duidelijk dat de klacht ziet op zowel de hoogte van de rentevergoeding als op het feit dat over het effect daarvan niets terug valt te zien in het rekenmodel. Dat bij [naam 1] bekend was dat de klacht ook ging over de hoogte van de rentevergoeding blijkt uit zijn tijdens de procedure bij de accountantskamer ingediende verweerschrift. Daarin schrijft [naam 1] namelijk:

“[…] is het voor de uitvoering van de opdracht niet relevant of de rentevergoeding te hoog of te laag zou zijn vastgesteld.”

Dat [naam 1] er blijkbaar voor heeft gekozen om aan dit klachtonderdeel voorbij te gaan, betekent niet dat sprake is van een onjuiste weergave van de klacht door de accountantskamer.

5.3

De accountantskamer heeft in 5.2.7 – voor zover hier van belang – en 5.6.5 het volgende overwogen, waarbij voor betrokkene [naam 1] moet worden gelezen en voor klaagster [naam 2] :

“5.2.7. Paragraaf 4.4 van NBA-handreiking 1127 (Alternatieven) luidt als volgt:

Indien de cliënt/accountant bij de onderbouwing van zijn verantwoording/rapportage keuzes

heeft gemaakt uit relevante alternatieven, blijkt dan uit de verantwoording/rapportage het

bestaan van deze alternatieven, alsook hoe de cliënt/accountant daarmee is omgegaan?

De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene in zijn rapport in de door hem gemaakte

rekenkundige opstellingen (hierna ook wel: zijn analyse) een aantal keuzes heeft gemaakt die

relevant zijn voor de uitkomsten van de door hem gemaakte berekeningen. Dit geldt onder meer voor de keuzes voor de hoogte van het in de B.V. aan [naam 3] toegekende salaris, de door de B.V. te ontvangen rentevergoeding voor de vanuit de B.V. door [naam 3] geleende gelden en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

[…]

Voor wat betreft de in de analyse gehanteerde te ontvangen rentevergoeding zijn evenmin

alternatieven, met verschillende rentepercentages, vermeld. Het lag gezien het specifieke

karakter van de door betrokkene uitgevoerde opdracht op zijn weg om in zijn rapport niet slechts uit te gaan van één rentepercentage, maar om te vermelden hoe de hoogte van het percentage en daarmee de te ontvangen rentevergoeding de einduitkomst van de gemaakte berekeningen beïnvloedt. Zonder deugdelijke toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien dat verweerder in zijn analyse mocht uitgaan van (alleen) het door hem gehanteerde rentepercentage.

[…]

De Accountantskamer is daarom van oordeel dat betrokkene de bedragen waarvan hij in zijn

analyse is uitgegaan onvoldoende kritisch heeft getoetst en (mede daarom) de resultaten van zijn analyse onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de

fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit.

[…]

5.6.5.

De Accountantskamer overweegt verder dat het, zoals hiervoor is overwogen, op de weg van betrokkene lag om in zijn rapport te vermelden hoe de hoogte van de te ontvangen

rentevergoeding de einduitkomst van de gemaakte berekeningen beïnvloedt. De

Accountantskamer is van oordeel dat het niet op de weg van betrokkene lag om in het kader van het door hem op te stellen rapport zelf een oordeel te geven over de hoogte van de door de B.V. te ontvangen rentevergoeding. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de door de B.V. te ontvangen rentevergoeding te laag is gesteld.”

5.4

Het College stelt voorop dat het de accountantskamer niet is toegestaan om in haar uitspraak omstandigheden te betrekken die klaagster niet ten grondslag heeft gelegd aan de klacht. Dit neemt niet weg dat het de accountantskamer vrijstaat om een klacht zakelijk samen te vatten en waar mogelijk te groeperen, zeker als sprake is van een klacht die omvangrijk is en niet in alle opzichten duidelijk is gestructureerd. Het College ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer bij haar beoordeling is uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de klacht van [naam 2] zoals weergegeven in klachtonderdeel 8 van het klaagschrift. In de uitspraak van de accountantskamer staat in 4.1 (klachtonderdelen a tot en met m) weergegeven wat [naam 2] [naam 1] verwijt. Bij klachtonderdeel h staat:

“betrokkene is in het door hem opgestelde rapport uitgegaan van een berekende rentevergoeding aan de B.V. die niet zakelijk is”.

Naast de door [naam 2] geciteerde zinnen (hiervoor weergegeven in 5.2), wordt in klachtonderdeel 8 van het klaagschrift gesteld dat – wat betreft de lening van [naam 3] van

[naam 4] – sprake is van een onzakelijke lening en van een te lage (zakelijke) rente. Het College is van oordeel dat gezien de (niet bestreden) omschrijving van klachtonderdeel h er een direct verband bestaat tussen de klacht dat is uitgegaan van een (niet zakelijk) berekende rentevergoeding en een toelichting op hoe de berekende rentevergoeding de berekeningen zou hebben beïnvloed, oftewel, het ontbreken van een toelichting ligt in dat klachtonderdeel besloten. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.

Hogerberoepsgrond: de accountantskamer heeft ten onrechte niet meegewogen dat [naam 1] partijdeskundige is

6.1

[naam 1] voert als hogerberoepsgrond aan dat de accountantskamer bij elk klachtonderdeel dat zij gegrond heeft verklaard, niet heeft meegewogen, althans niet kenbaar, dat [naam 1] zijn opdracht als partijdeskundige heeft uitgevoerd, terwijl die omstandigheid wel degelijk van belang is bij de beoordeling van de klacht. [naam 1] heeft er nooit onduidelijkheid over laten bestaan dat de advocaat van [naam 3] , mr. [naam 6] , hem ten behoeve van de (civiele) hogerberoepsprocedure bij het gerechtshof heeft ingeschakeld om te berekenen wat de consequenties zouden zijn voor het pensioen bij voortgezette exploitatie van de ondernemingsactiviteiten van [naam 3] in [naam 4] . [naam 1] rapporteerde zijn bevindingen daarom ook direct aan mr. [naam 6] . Het is vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie dat het een accountant die optreedt als partijdeskundige vrij staat om te acteren met de belangen van zijn eigen cliënt in het achterhoofd, met als voorwaarde dat de accountant daarbij wel de voor hem geldende fundamentele beginselen in acht neemt. De accountantskamer verzuimt in de bestreden uitspraak toe te lichten waarom zij vindt dat

[naam 1] in strijd met deze hoofdregel heeft gehandeld. Op de zitting heeft [naam 1] nog naar voren gebracht dat de accountantskamer een strengere beoordelingsmaatstaf (namelijk die voor een gerechtelijk deskundige) hanteert dan het toetsingskader zoals dat uit de (tuchtrechtelijke) rechtspraak van het College volgt voor een accountant die als partijdeskundige optreedt.

6.2

[naam 2] betwist dat de accountantskamer is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat [naam 1] optrad als partijdeskundige. Zij verwijst daarbij naar wat hierover in 5.1.2 van de bestreden uitspraak wordt overwogen.

6.3

De accountantskamer vermeldt in 3.4 van de bestreden uitspraak dat [naam 1] benaderd is om “als partijadviseur” een rapportage op te stellen en in 5.1.2 zet de accountantskamer haar toetsingskader uiteen voor een accountant die optreedt als partijadviseur. In het vervolg van de bestreden uitspraak komt de term partijadviseur (of -deskundige) weliswaar niet meer voor, maar met zinnen als

“Het lag gezien het specifieke karakter van de door betrokkene uitgevoerde opdracht op zijn weg om [...]”

(in 5.2.7) en

“dat een accountant die een rapport opstelt ter ondersteuning bij een geschil zich rekenschap dient te geven van de vraag wie de gebruikers zijn van een dergelijk rapport.”

(in 5.2.8), verwijst de accountantskamer wel (impliciet) naar de rol van [naam 1] als partijdeskundige. Dat de rol van [naam 1] als partijdeskundige niet bij elk klachtonderdeel expliciet wordt genoemd, betekent niet dat de accountantskamer bij de beoordeling van het desbetreffende klachtonderdeel dat gegeven niet steeds heeft meegewogen. Het College ziet daarvoor ook geen aanwijzingen. Over de vraag of de accountantskamer een andere beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd dan het College pleegt te doen, overweegt het College als volgt.

6.4

Het College heeft eerder overwogen (uitspraak van 1 september 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:597)) dat, als het gaat om een in een civielrechtelijke procedure ingebracht rapport opgesteld door een accountant die als deskundige een partij bijstaat, beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van dat rapport in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Daarbij geldt dat een accountant behalve het belang van zijn opdrachtgever ook het algemeen belang heeft te dienen. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijke verkeer aan een accountantsrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemene belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, betekent dit dat de accountant ervoor dient te zorgen dat zijn rapport deze waarheidsvinding niet belemmert, doordat dit te eenzijdig is toegespitst op het standpunt/belang van de opdrachtgever (zie ook de uitspraak van het College van 2 februari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:26, onder 6)). Hoewel een accountant gegevens mag verzamelen ter onderbouwing van een partijstandpunt om daarmee het belang van die partij te dienen, moet hij zich daarbij houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Verder vereist het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid dat de bevindingen in het rapport een deugdelijke grondslag hebben. Van een ondeugdelijke grondslag van het rapport kan ook sprake zijn als de accountant niet heeft gehandeld overeenkomstig de op de opdracht van toepassing zijnde NBA-handreiking. Niet in geschil is dat de (namens [naam 3] ) aan [naam 1] verstrekte opdracht kan worden aangemerkt als een opdracht uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen, zoals bedoeld in de NBA-handreiking 1127. Volgens paragraaf 4.3 van die handreiking moet het voor de gebruiker van het rapport duidelijk zijn als er relevante alternatieve interpretaties van de feiten mogelijk zijn dan die van de opdrachtgever en de accountant. Volgens paragraaf 4.4 van die handreiking moet als de accountant voor het rapport keuzes heeft gemaakt uit relevante alternatieven, niet alleen het bestaan van die alternatieven blijken uit het rapport, maar ook hoe de accountant daarmee is omgegaan.

6.5

Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de door de accountantskamer gehanteerde toetsingsmaatstaf over de rol van een accountant als partijdeskundige in een gerechtelijke procedure afwijkt van die van het College. Waar het op aankomt, is dat de accountant de door hem in het rapport gepresenteerde conclusies deugdelijk onderbouwt en daarbij voldoende transparant erover is of de weergegeven gegevens feitelijke aannames van de opdrachtgever zijn, dan wel of sprake is van door de accountant op basis van eigen onderzoek getrokken conclusies. Daarnaast is van belang dat de objectieve waarheidsvinding door de inhoud van het rapport niet wordt belemmerd. Het betoog van [naam 1] dat de accountantskamer heeft verzuimd in de bestreden uitspraak toe te lichten waarom zij vindt dat [naam 1] in strijd met deze uitgangspunten heeft gehandeld, volgt het College niet. In 5.2.7 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer – met verwijzing naar paragraaf 4.4 van de NBA-handreiking 1127 – overwogen dat [naam 1] voor het door hem in het rapport opgenomen berekende salaris voor [naam 3] alternatieven had moeten vermelden. Datzelfde geldt volgens de accountantskamer voor de in het rapport gehanteerde, door [naam 4] te ontvangen rentevergoeding. Dat het gerechtshof, zoals [naam 1] stelt, het ingebrachte rapport niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd waardoor van het belemmeren van de waarheidsvinding geen sprake is, doet hier niet ter zake, alleen al omdat die omstandigheid op het moment van het opstellen van het rapport bij [naam 1] (logischerwijs) onbekend was. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.

Hogerberoepsgrond: [naam 1] behoefde de keuze voor de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen niet te onderbouwen

7.1

Deze hogerberoepsgrond richt zich tegen overwegingen 5.2.7 en 5.6.6 van de bestreden uitspraak. In 5.6.6 overweegt de accountantskamer dat het op de weg van [naam 1] had gelegen om de keuze voor de in zijn berekeningen ten behoeve van een arbeidsongeschiktheidspensioen opgenomen premiebedragen in zijn rapport te onderbouwen. De accountantskamer gaat er daarbij volgens [naam 1] aan voorbij dat hij zich bij (de hoogte van) die premiebedragen heeft gebaseerd op objectieve en betrouwbare informatie. De in de samengevoegde winst- en verliesrekening op pagina 5 van het rapport vermelde premiebedragen bij ‘Arbeidsongeschiktheidsverzekering’ corresponderen namelijk met de in de aangiften inkomstenbelasting van [naam 3] over de jaren 2018, 2019 en 2020 opgenomen premiebedragen voor inkomensvoorzieningen, waaronder premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. [naam 1] erkent dat het wellicht aan te bevelen was geweest om in het rapport expliciet te verwijzen naar de desbetreffende (pagina’s van de) aangiften, maar daar staat tegenover dat de aangiften inkomstenbelasting wel zijn vermeld in het overzicht van de voor het rapport gebruikte documentatie.

7.2

[naam 2] merkt op dat [naam 1] hier pas voor het eerst te kennen geeft dat de in zijn berekening gebruikte bedragen voor de arbeidsongeschiktheidspremie zijn ontleend aan de – niet overgelegde – aangiften inkomstenbelasting van [naam 3] . Dit is nergens in het rapport toegelicht. Daarnaast gaat het om betaalde premiebedragen, wat niets zegt over de verschuldigdheid van het premiebedrag.

7.3

De accountantskamer heeft in 5.2.7 – voor zover hier van belang en onder verwijzing naar de eerste en tweede alinea van het hiervoor in 5.3 weergegeven citaat – en 5.6.6 het volgende overwogen, waarbij voor betrokkene [naam 1] moet worden gelezen:

“5.2.7

[…]

De Accountantskamer is van oordeel dat de keuze om voor de analyse de premie voor het

arbeidsongeschiktheidspensioen van [naam 3] ten laste van de B.V. te brengen, op zichzelf

genomen verdedigbaar is. Wel tekent de Accountantskamer hierbij aan dat betrokkene de

pensioenbrief met daarin de aanspraken waarvan hij in zijn berekeningen is uitgegaan niet heeft vermeld bij de door hem ontvangen informatie. De Accountantskamer is van oordeel dat het op de weg van betrokkene had gelegen om de keuze voor de bedragen waarvan hij in zijn

berekeningen is uitgegaan te onderbouwen. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt in het door betrokkene opgestelde rapport.

[…]

5.6.6.

De Accountantskamer heeft hiervóór reeds overwogen dat de keuze om de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen van [naam 3] vanuit de B.V. te betalen op zichzelf genomen verdedigbaar is. Wel lag het op de weg van betrokkene om de keuze voor de bedragen waarvan hij in zijn berekeningen is uitgegaan te onderbouwen. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt in het door betrokkene opgestelde rapport zoals hierboven al uiteengezet is.”

7.4

Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat het op de weg van [naam 1] had gelegen om de keuze van de voor zijn berekening gebruikte arbeidsongeschiktheidspremiebedragen van een onderbouwing te voorzien. Uit het feit dat

[naam 1] voor het eerst in het hogerberoepschrift toelicht dat die premiebedragen zijn overgenomen uit de in de aangiften inkomstenbelasting voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen opgenomen premies, blijkt al dat voor dat punt van de berekening een onderbouwing in het rapport ontbreekt. De enkele omstandigheid dat de onderliggende aangiften inkomstenbelasting staan vermeld in het overzicht van de voor het rapport gebruikte documentatie, is naar het oordeel van het College onvoldoende om van een onderbouwing te kunnen spreken. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.

Hogerberoepsgrond: de aan [naam 1] opgelegde maatregel is te hoog

8.1

[naam 1] stelt voorop dat hij van mening is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en het opstellen van zijn rapport heeft hij telkens gehandeld in lijn met en naar het doel en de strekking van de op hem van toepassing zijnde gedrags- en beroepsregels. Dat de door hem toegepaste Standaard 5500N niet de geëigende standaard was, heeft [naam 1] al in de procedure bij de accountantskamer erkend. In de bestreden uitspraak wordt aan die erkenning echter geen aandacht besteed. Verder heeft de accountantskamer zich tijdens de mondelinge behandeling niet slechts beperkt tot de tuchtklacht zelf, maar werd [naam 1] diepgaand bevraagd over de in zijn rapport gemaakte berekeningen. [naam 1] was daar – na lezing van de klacht – niet voldoende op voorbereid en hij had ook niet alle dossierstukken bij zich. Daarmee is hij in zijn verdedigingsbelang geschaad. In het geval dat het College tot het oordeel komt dat wel sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, vindt [naam 1] de maatregel van doorhaling voor de duur van één maand voor de hem verweten gedraging(en) buitenproportioneel. Een berisping vindt hij in dit geval passender.

8.2

[naam 2] is van mening dat de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel in stand dient te blijven.

8.3

In 6.1 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de aan [naam 1] opgelegde maatregel als volgt gemotiveerd, waarbij voor betrokkene [naam 1] moet worden gelezen en voor klaagster [naam 2] :

“6.1. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden

opgelegd. De maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand is in dit geval

passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene laakbaar heeft gehandeld door in strijd met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit een eenzijdig rapport op te stellen, met aannames die op zijn minst genomen discutabel zijn, zonder inzicht te verschaffen in (de cijfermatige gevolgen van) mogelijke alternatieven. Dat klemt te meer nu betrokkene wist dat zijn deskundigenrapport bedoeld was om gebruikt te worden in een echtscheidingsprocedure bij het gerechtshof. Door het ontbreken van alternatieve aannames en daarmee berekeningen in dit rapport, heeft de door betrokkene getrokken conclusie (dat geen financiële ruimte is voor het doen van pensioenuitkeringen) verregaande negatieve consequenties voor klaagster in de procedure bij het gerechtshof. Betrokkene heeft door de aannames en keuzes die hij in zijn rapport heeft gemaakt, te veel het belang van zijn cliënt voor ogen gehad (en de belangen van de wederpartij van zijn cliënt daaraan ondergeschikt gemaakt) en hij heeft hiermee de waarheidsvinding belemmerd. Ook is meegewogen dat betrokkene ter zitting geen dan wel onvoldoende inzicht heeft getoond in het laakbare karakter van zijn handelen.”

8.4

Op grond van wat hiervoor in 5.1 tot en met 7.4 is overwogen, volgt het College het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De door de accountantskamer opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van één maand vindt het College in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden. Het College onderschrijft de overweging van de accountantskamer dat [naam 1] verwijtbaar heeft gehandeld door – als partijdeskundige in een bij het gerechtshof gevoerde echtscheidingsprocedure – een eenzijdig rapport op te stellen waarin inzichtelijke berekeningen en mogelijke alternatieven voor gebruikte gegevens ontbreken. Ook de overweging van de accountantskamer dat [naam 1] met zijn gemaakte aannames en keuzes te veel het belang van zijn opdrachtgever voor ogen heeft gehad, waarmee hij de waarheidsvinding heeft belemmerd, onderschrijft het College. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat [naam 1] in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Dat [naam 1] , zoals hij stelt, de gedetailleerde vragen die de accountantskamer op de zitting stelde niet (volledig) kon beantwoorden en dat hij op deze zitting niet alle dossierstukken bij zich had, komt voor zijn rekening en risico.

Conclusie

9 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

10 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.L. van der Beek en

mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. J.M. Baars



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733