Rechtbank Noord-Nederland 12-06-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2355

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheidingsverzoek van vrouw waarin de rechtbank opnieuw oordeelt dat het bestaan van het gestelde Eritrees/Soedanese huwelijk niet is komen vast te staan. BRP‑inschrijving en verklaring onder ede vormen zwaarwegend bewijs maar geen bindend oordeel; de rechter beoordeelt zelfstandig of een (buitenlands) huwelijk rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar is. Tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen en het welbewust afzien van bewijslevering leiden tot niet‑ontvankelijkheid. Verzoek paspoorttoestemming geen nevenvoorziening art. 827 Rv.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Wie beslist er of iemand "echt" gehuwd is: de gemeente of de rechter?
Echtscheidingsverzoek van vrouw waarin Rb opnieuw oordeelt dat het bestaan van het buitenlands huwelijk niet is komen vast te staan. BRP‑inschrijving en verklaring onder ede vormen zwaarwegend bewijs maar geen bindend oordeel.

Datum publicatie16-06-2026
ZaaknummerC/18/249514 / FA RK 25-5227
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wie beslist er of iemand "echt" gehuwd is: de BRP of de rechter? In deze zaak legt de rechtbank uit dat de bevoegdheid om het bestaan en de rechtsgeldigheid van een (buitenlands) huwelijk te beoordelen, bij de rechter ligt en niet bij het college van B&W of een daartoe gemandateerde ambtenaar. De BRP is een administratieve basisregistratie met authentieke gegevens, geen constitutief huwelijksregister: een inschrijving – zelfs op basis van een verklaring onder ede – is een zwaarwegend bewijsmiddel, maar geen bindend materieelrechtelijk oordeel over het huwelijk. In procedures over echtscheiding en andere familierechtelijke rechtsgevolgen moet de rechter daarom zelfstandig, op basis van alle stukken en verklaringen, vaststellen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk kan worden uitgegaan, ook als de BRP iets anders suggereert of juist steun biedt. De BRP-registratie fungeert daarbij als belangrijk startpunt in de bewijsvoering, maar kan worden weerlegd wanneer verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn of wanneer partijen geen gebruikmaken van een geboden bewijsgelegenheid. In dit geval oordeelt de rechtbank – mede wegens tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van de vrouw en het bewust afzien van nadere bewijslevering – dat het bestaan van het gestelde huwelijk niet is komen vast te staan, en verklaart de rechtbank de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding (opnieuw) niet-ontvankelijk, ondanks de BRP-registratie en de andersluidende opvatting van de gemeentelijke ambtenaar.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak-/rekestnummer: C/18/249514 / FA RK 25-5227

Echtscheidingsbeschikking van 12 juni 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

die woont op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,

en die hierna ''de vrouw'' wordt genoemd,

advocaat: mr. J. Sinnema, die kantoor houdt in Heerenveen,

en

[naam man] ,

die woont in [plaatsnaam] ,

en die hierna ''de man'' wordt genoemd.

In zijn adviserende taak is in deze procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

en die hierna ''de Raad'' wordt genoemd.

1Het procesverloop

1.1.

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de vrouw, dat de rechtbank heeft ontvangen op 27 oktober 2025. Daarin verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoer bij voorraad, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen en geen omgang tussen de man en de kinderen vast te leggen.

1.2.

Op 24 november 2025 heeft de rechtbank van de vrouw een F9-formulier met als bijlage het betekeningsexploot ontvangen.

1.3.

Op 18 mei 2026 heeft de vrouw een aanvullend verzoekschrift ingediend. Daarin verzoekt de vrouw als nevenvoorziening aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige kinderen van partijen.

1.4.

Op 4 juni 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaak bekend onder zaaknummer C/18/257065 / FA RK 26-3517 over de vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort. De rechter heeft gesproken met de vrouw die werd bijgestaan door de tolk [naam tolk] met tolknummer [tolknummer] , haar advocaat, de man, en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.

1.5.

De minderjarige zoon van partijen, [naam kind] , is gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Op 29 mei 2026 heeft de (kinder)rechter met [naam kind] gesproken.

1.6.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

2De feiten

2.1.

De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

De vrouw heeft op 27 oktober 2025 een procedure bij deze rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Zij heeft daartoe gesteld dat zij op [datum] 2014 in [plaatsnaam] , Eritrea, met de man is gehuwd, dat uit dit huwelijk zijn geboren [naam kind] , die is geboren op [datum] 2015 te [plaatsnaam] (Soedan), en [naam kind] , die is geboren op [datum] 2019 te [plaatsnaam] en dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.

De vrouw heeft eerder ook een procedure bij de rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de rechtbank overwogen, voor zover hier van belang:

''Op grond van artikel 10:31 BW moet de rechter beoordelen of partijen in Eritrea/Soedan zijn gehuwd en als dat komt vast te staan, of dit in Eritrea/Soedan gesloten huwelijk in Nederland erkend kan worden.

Op basis van de thans overgelegde stukken acht de rechter zich echter onvoldoende geïnformeerd om daarover een oordeel te geven. Daarvoor is het navolgende redengevend.

In het verzoekschrift en het aanmeldgehoor van 15 augustus 2022 geeft de vrouw aan in [plaatsnaam] Soedan te zijn gehuwd, maar in de verklaring onder ede of belofte van 7 juli 2018 heeft ze verklaard in Eritrea te zijn gehuwd. Er zijn geen aanvullende bewijsstukken, zoals een huwelijksakte, van het gesloten huwelijk. Een verklaring waarom de vrouw niet consequent maar tegenstrijdig verklaart over de sluiting van huwelijk, is niet gegeven. Voorshands komt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van het tot zover bijgebrachte bewijs, niet kan komen vast te staan dat de vrouw is gehuwd.

De rechter ziet hierin aanleiding om de vrouw in de gelegenheid te stellen om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte zich uit te laten over de vraag of zij dat bewijs wil leveren en hoe zij dat bewijs wil bijbrengen. Voor zover zij schriftelijk bewijs wil leveren, dient de vrouw dat bewijs bij akte in het geding te brengen. Voor zover de vrouw bewijs wil leveren door getuigen voor te brengen, zal zij bij akte een opgave moeten geven over de persoenen die zij als getuige wil voorbrengen.''

2.4.

Bij beschikking van 21 april 2023 heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. In die beschikking is daartoe overwogen, voor zover van belang:

''De rechter heeft in de tussenbeschikking overwogen, voor zover hier van belang, dat op basis van de overlegde stukken niet kan worden beoordeeld of partijen zijn gehuwd, in Eritrea of Soedan en, als dat komt vast te staan, of het gaat om een huwelijk dat in Nederland kan worden erkend.

De rechter heeft daarom de vrouw die verzoekt om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, in de gelegenheid gesteld om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De zaak is daartoe naar de rol verwezen om de vrouw in de gelegenheid te stellen aan akte te nemen.

Die akte heeft de vrouw niet genomen. In plaats daarvan heeft haar advocaat bij brief van 5 april 2023 de rechtbank bericht, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat

zij niet kan aantonen dat zij niet in Eritrea is gehuwd, maar ook niet dat zij in Soedan is gehuwd.

De rechter stelt vast dat de vrouw geen bewijs heeft bijgebracht van het bestaan van het door haar gestelde huwelijk. De rechtbank kan daarom niet nagaan of er in Eritrea of Soedan een huwelijk tussen partijen is gesloten en, als dat zo is, of dit buitenlandse huwelijk in Nederland kan worden erkend. De vrouw kan daarom niet in haar verzoek tot echtscheiding worden ontvangen.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Indien de vrouw wil bewerkstelligen dat de BRP wordt aangepast, in die zin dat de vrouw niet meer als gehuwd geregistreerd staat, dan is niet de rechter maar het College van Burgemeesters en Wethouders verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens in de BRP (artikel 1.4 van de Wet basisregistratie personen). Op grond van de Wet basisregistratie personen kan de vrouw zelf een met stukken onderbouwd verzoek tot doorhaling van de registratie van haar huwelijk indienen bij de burgerlijke stand van de gemeente Groningen. Gelet op artikel 2.8 lid 2 van de Wet basisregistratie personen is het raadzaam bij het verzoek een afschrift van de onderhavige beschikking te voegen.''

3De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht

3.1.

De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat zij, ondanks de gestelde Eritrese nationaliteit van partijen en hun kinderen, bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding en de daarop gegronde nevenvoorzieningen. Deze bevoegdheid volgt uit de (duur van de) gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, binnen het arrondissement van deze rechtbank. Laatstgenoemde omstandigheid brengt met zich dat op de verzoeken het Nederlandse recht van toepassing is. 1

3.2.

De rechtbank kan het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort en/of identiteitskaart echter niet als nevenvoorziening in deze procedure behandelen. Daartoe is redengevend dat de wet in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een limitatieve opsomming bevat van nevenvoorzieningen die in het kader van een echtscheidingsprocedure kunnen worden verzocht. Het verzoek van de vrouw valt niet onder deze opsomming.

3.3.

Omdat de belangen van de kinderen steeds als overweging van de eerste orde moeten worden betrokken, en zij er recht en belang bij hebben dat over het verzoek tot afgifte van een paspoort en identiteitskaart wordt beslist, heeft de rechtbank dit verzoek afgesplitst van de onderhavige echtscheidingsprocedure. Hierop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

De ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek

3.4.

In deze zaak speelt dat de rechtbank eerder op een gelijkluidend verzoek van de vrouw een beslissing heeft genomen, tegen welke beslissing inmiddels geen hoger beroep meer kan worden ingesteld: de beschikking van 21 april 2023 is in kracht van gewijsde gegaan.

3.5.

Een beroep op het in kracht van gewijsde zijn gegaan van een rechterlijke uitspraak is naar Nederlands procesrecht in beginsel voorbehouden aan partijen en wordt dus niet ambtshalve door de rechter toegepast. Dat uitgangspunt brengt mee dat de rechter een eerder afgewezen verzoek niet zonder meer uit eigen beweging buiten behandeling laat op de enkele grond dat daarover al eerder onherroepelijk is beslist. Tegelijk geldt dat in zaken waarin de rechtsverhouding niet geheel ter vrije bepaling van partijen staat en waarin belangen van openbare orde een rol spelen, kan worden betwijfeld of dit uitgangspunt onverkort behoort te gelden. Daarbij is een gezichtspunt dat de vraag of een huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen en hier te lande kan worden erkend (niet in strijd is met onze openbare orde), gelet op onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.10 Wet BRP, een toetsing van openbare orde.

3.6.

Juist in dergelijke zaken is het immers moeilijk te aanvaarden dat de bindende kracht van een eerdere uitspraak, die zelf raakt aan de openbare orde, geheel afhankelijk zou zijn van de processuele keuze van partijen om daarop al dan niet een beroep te doen. Onder bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om het gezag van gewijsde niet ongemerkt te passeren. In dat geval dient de rechter partijen evenwel eerst uitdrukkelijk met die mogelijke betekenis van de eerdere beslissing te confronteren en hen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor. Die gelegenheid is tijdens de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek op 4 juni 2026 geboden.

3.7.

Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding om het eerder afgewezen verzoek tot echtscheiding opnieuw inhoudelijk te beoordelen. Daarbij weegt mee dat de vrouw op geen enkele wijze heeft toegelicht hoe het mogelijk is dat zij niet weet in welk land zij is gehuwd, dan wel waarom zij daarover tegenstrijdig heeft verklaard tijdens haar aanmeldgehoor en nadien.

3.8.

De rechtbank acht bovendien ongeloofwaardig dat de vrouw niet weet in welk land haar huwelijk is gesloten.

3.9.

In de eerdere procedure heeft de rechtbank de vrouw voldoende gelegenheid geboden om bewijs van het gestelde huwelijk te leveren, hetzij schriftelijk, hetzij door het doen horen van getuigen. Uit de brief van haar advocaat van 5 april 2023 blijkt dat zij daarvan welbewust heeft afgezien, onder de mededeling aan de rechtbank dat zij niet kan bewijzen in welk van de door haar genoemde landen het huwelijk is gesloten.

3.10.

Onder deze omstandigheden kon en kan de rechtbank toen en nu, niet anders dan tot de slotsom komen dat het bestaan van het door de vrouw gestelde huwelijk niet is komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de vrouw opnieuw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek tot echtscheiding.

3.11.

Voor zover door de vrouw een beroep wordt gedaan op het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna ''het college''), neergelegd in de brief van 14 februari 2025, die weigert om de huwelijksgegevens zoals die zijn geregistreerd in de BRP te rectificeren, wordt als volgt overwogen.

3.12.

Het college meent dat de rechtbank het echtscheidingsverzoek ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard door uitsluitend te verlangen dat een huwelijksakte wordt overgelegd en voorbij te gaan aan de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie van het huwelijk. Daarmee heeft de rechtbank volgens het college miskend dat de rechtsgeldigheid van het gestelde huwelijk al eerder is beoordeeld in het kader van de inschrijving in de BRP, waarbij op grond van artikel 10:31 BW en de artikelen 2.8 en 2.10 Wet BRP is geverifieerd of het huwelijk kon worden opgenomen. Het college vindt dat de rechtbank bij de ontvankelijkheidstoets had moeten betrekken dat de vrouw als erkend vluchteling in de praktijk redelijkerwijs geen huwelijksakte kan overleggen en dat artikel 815 lid 6 Rv juist voorziet in de mogelijkheid om in zulke gevallen met andere stukken – waaronder de verklaring onder ede – te volstaan.

3.13.

Daarnaast acht het college het onjuist dat de rechtbank de BRP-registratie van het huwelijk en de daaraan ten grondslag liggende verklaring onder ede feitelijk terzijde heeft geschoven. Volgens het college volgt uit wetssystematiek en rechtspraak dat, nu de wetgever bewust heeft toegestaan dat een buitenlands huwelijk op basis van een enkele verklaring onder ede in de BRP wordt ingeschreven, deze verklaring ook in een echtscheidingsprocedure als voldoende basis moet worden aanvaard om het bestaan van het huwelijk aan te nemen, zolang de vrouw consistent blijft bij haar stelling dat zij gehuwd is. Door toch niet-ontvankelijk te verklaren louter wegens het ontbreken van een huwelijksakte, frustreert de rechtbank aldus de mogelijkheid om ooit van dit in de BRP geregistreerde huwelijk te scheiden, aldus het college.

3.14.

Het college meent dat de rechtbank dit nu dient te herstellen door de beschikking van 21 april 2023 te verbeteren of aan te vullen, met expliciete toepassing van artikel 815 lid 6 Rv en erkenning dat de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie voldoende zijn om het huwelijk als vaststaand aan te nemen en het echtscheidingsverzoek ontvankelijk te verklaren. Mocht verbetering of aanvulling niet mogelijk blijken, dan dient de rechtbank in een nieuw echtscheidingsverzoek wél uit te gaan van het geregistreerde huwelijk en, onder verwijzing naar artikel 815 lid 6 Rv, het ontbreken van een huwelijksakte te ondervangen door de verklaring onder ede en de overige beschikbare stukken als toereikend bewijs te aanvaarden.

3.15.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het oordeel van het college berust op een onjuiste rechtsopvatting en bovendien is gebaseerd op onvolledige informatie.

3.16.

Als het gaat om de onjuiste rechtsopvatting wordt als volgt overwogen. De bevoegdheid om vast te stellen of sprake is van een (voor erkenning vatbaar) huwelijk ligt uiteindelijk bij de rechter, niet bij het college of (een door het college gemandateerde) gemeentelijk ambtenaar, omdat het hier gaat om de toepassing van materieel recht op een concreet geschil – en dat is naar stelsel van de wet een rechterlijke taak.

3.17.

Uit het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat vragen over het bestaan, de geldigheid en de erkenning van huwelijken (ook buitenlandse) worden beheerst door Boek 1 en Boek 10 BW; bepalend is dus of in het concrete geval aan de wettelijke voorwaarden en erkenningsregels is voldaan. De gemeentelijke ambtenaar registreert rechtsfeiten aan de hand van akten en brondocumenten, maar neemt daarmee geen bindend materieelrechtelijk oordeel over de geldigheid of erkenning van het huwelijk in de zin van het familierecht. De BRP is een basisregistratie met "authentieke gegevens", geen constitutief register: de vermelding van een huwelijk in de BRP is een zwaarwegende administratieve aanwijzing, maar geen rechterlijk oordeel over het bestaan of de rechtsgeldigheid van dat huwelijk.

3.18.

In procedures waarin het huwelijk rechtsgevolgen heeft (echtscheiding, afstamming, gezag, verblijfsrecht, sociale zekerheids- of belastingrechtelijke vragen) is het daarom de rechter die zelfstandig moet beoordelen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk sprake is. Dat blijkt ook uit rechtspraak waarin hogere rechters oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld het huwelijk niet te kunnen vaststellen; de rechter mag zich niet verschuilen achter het ontbreken of de inhoud van administratieve registratie, maar moet zelf, op basis van alle beschikbare gegevens, een oordeel vormen over het bestaan van het huwelijk.

3.19.

Daarbij speelt de BRP-registratie wel een rol: de rechter kan die als belangrijk bewijsmiddel meewegen, zeker als het huwelijk op basis van een verklaring onder ede is ingeschreven, maar blijft vrij om tot een andere conclusie te komen als de feiten daartoe aanleiding geven. Omgekeerd mag de gemeentelijke ambtenaar ook niet "in de plaats van de rechter" treden door het bestaan van een huwelijk materieel te ontkennen zodra twijfel ontstaat of zodra een procedure misloopt; de ambtenaar kan slechts toetsen of de registratievoorwaarden zijn nageleefd en of er voldoende brondocumenten zijn voor de BRP, maar geen definitieve beslissing nemen over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig huwelijk in de zin van het BW.

3.20.

De opvatting van het college is bovendien gebaseerd op onvolledige gegevens. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd bevestigd dat uitsluitend de eindbeschikking, waarin de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek, aan de gemeente is toegezonden.

3.21.

Uit kennisneming van het volledige dossier blijkt evenwel dat de rechtbank haar beslissing weloverwogen heeft genomen, met inachtneming van zowel de verklaring van de vrouw tijdens haar eerste aanmeldgehoor als haar latere, onder ede afgelegde verklaring. Deze verklaringen zijn onderling tegenstrijdig en naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.

3.22.

Juist deze omstandigheden hebben de rechtbank ertoe gebracht de vrouw de gelegenheid te bieden bewijs te leveren van het gestelde huwelijk. Van die gelegenheid heeft de vrouw echter afgezien.

3.23.

Van een op grond van artikel 31 Rv voor herstel vatbare vergissing die zich leent voor eenvoudig herstel, is gelet op het voorgaande zeker geen sprake.

3.24.

Voor zover de Raad heeft gewezen op de gevolgen van de voortdurende onduidelijkheid voor de kinderen, in het bijzonder problematiek rond het niet optimaal kunnen verkrijgen van toeslagen, vertaalt hetgeen de Raad heeft aangevoerd zich niet in een relevant juridisch argument om anders te beslissen.

3.25.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat de vrouw opnieuw in haar verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om de echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te geven.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.

fn: RV

1

Partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, de man woont sinds 23 december 2016 in Nederland en de vrouw sinds 7 juli 2018. Gelet daarop is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek (artikel 3 sub a onder i van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)). Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733