Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin een geldvordering is toegewezen. Ex‑werknemer heeft vanaf 2017 bedrijfsgelden verduisterd; zij erkent diefstal. Voorzieningenrechter acht haar onrechtmatig handelend en schadeplichtig. Echtgenoot is niet onrechtmatig handelend, maar wel aansprakelijk uit ongerechtvaardigde verrijking art. 6:212 lid 1 BW. Hoofdelijke veroordeling tot betaling van €300.000 als voorschot; het meerdere wordt afgewezen. Gedaagden worden uitdrukkelijk in de proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-06-2026 |
| Zaaknummer | C/10/717760 / KG ZA 26-328 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Geldvordering. Gedeeltelijke toewijzing. Verduistering gelden door ex-werknemer. Ex-werknemer en haar echtgenoot zijn hoofdelijk aansprakelijk.Volledige uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717760 / KG ZA 26-328
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
TWINSS VVE BEHEER B.V.,
gevestigd in Berkel en Rodenrijs,
eisende partij,
advocaat: mr. Y.A. Rampersad,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.B. Jansse,
gedaagde partijen.
Eiseres wordt hierna Twinss genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
1De zaak in het kort
Twinss vordert in deze procedure betaling van een voorschot op de door haar geleden schade als gevolg van de gelden die [gedaagde 1] van haar heeft gestolen. De voorzieningenrechter wijst een voorschot van € 300.000,- toe. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
2De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 april 2026;
- de producties 1 tot en met 20 van Twinss;
- de conclusie van antwoord;
- de producties 1 tot en met 4 van gedaagden;
- de pleitnota van Twinss;
- de pleitnota van gedaagden.
De mondelinge behandeling heeft op 11 mei 2026 plaatsgevonden. Mr. Jansse heeft op de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de door Twinss overgelegde producties 15 tot en met 20.
3De feiten
Twinss is een VvE beheerder, althans een beheerder van onroerend goed en is gevolmachtigde van honderden bankrekeningen van de in haar beheer zijnde verenigingen van eigenaren.
[gedaagde 1] is op 8 juli 2013 in dienst getreden bij Twinss als financieel medewerker. In die functie had zij toegang tot de financiële administratie en betaalsystemen van Twinss.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in 2021 in beperkte gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd en hebben twee minderjarige kinderen. Zij zijn in 2022 samen eigenaar geworden van de woning met toebehoren aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: ‘de woning’).
Twinss heeft [gedaagde 1] op 18 februari 2026 op staande voet ontslagen, omdat zij vanaf 2017 tot en met 2026 gelden die voor derden bestemd waren, naar negen op haar naam staande bankrekeningen overmaakte.
Twinss heeft op 20 februari 2026 aangifte van diefstal gedaan tegen [gedaagde 1] .
Op 20 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend voor, onder andere, het leggen van conservatoire derdenbeslagen onder banken, conservatoir beslag op het onverdeelde aandeel van [gedaagde 1] in de woning met toebehoren (roerende zaken) en op een auto. De vordering is, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 911.090,-. De beslagen onder deren (banken) hebben doel getroffen. Het onder Rabobank geraakte bedrag – € 38.315,75 – is reeds afgedragen aan Twinss. [gedaagde 1] heeft daarnaast de auto ter beschikking gesteld aan Twinss.
Op 26 februari 2026 heeft Twinss beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van [gedaagde 2] in de woning met toebehoren. De vordering is in een tweede beslagverlof van 25 februari 2026 begroot op € 765.046,-, met inbegrip van rente en kosten. De voorzieningenrechter heeft tevens verlof verleend voor het leggen van beslag op alle roerende zaken (luxegoederen) in en om de woning met toebehoren.
Twinss heeft in een bodemprocedure onder meer gevorderd om gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 612.538,61. Gedaagden hebben verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. In die zaak is een mondelinge behandeling gepland.
4Het geschil
Twinss vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 500.000,-, te betalen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen primair tot afwijzing van de vorderingen van Twinss, subsidiair de vordering te beperken tot een aanzienlijk lager bedrag met inachtneming van alle reeds gerealiseerde zekerheden, vrijgaven en betwiste posten en meer subsidiair tot afwijzing van de vordering jegens [gedaagde 2] en het verbinden van voorwaarden aan de veroordeling jegens [gedaagde 1] , met veroordeling van Twinss in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Producties 15 tot en met 20 worden toegelaten
Gedaagden maken bezwaar tegen producties 15 tot en met 20 van Twinss, omdat het een omvangrijk en complex pakket aan stukken betreft dat kort voor de zitting is ingediend. Gedaagden hebben deze stukken niet behoorlijk kunnen bestuderen, verifiëren en weerleggen. De voorzieningenrechter wijst het bezwaar van gedaagden af, omdat het stukken van gedaagden zelf betreffen waarmee zij dus reeds bekend waren. Bovendien zijn de stukken binnen de in het procesreglement gestelde termijn ingediend.
De zaak is geschikt voor kort geding
Gedaagden stellen dat de vordering van Twinss ongeschikt is voor behandeling en beslissing in kort geding, omdat een nader onderzoek is vereist naar de aangevoerde feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Van ongeschiktheid van een zaak voor behandeling in kort geding, zoals bedoeld in artikel 256 Rv, kan slechts sprake zijn als (a) de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht of (b) de rechter de gevolgen van een door haar te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De feiten waarop partijen zich beroepen, zijn voldoende duidelijk geworden. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gevolgen van de te nemen beslissing onvoldoende kunnen worden overzien. De voorzieningenrechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Twinss heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
Twinss stelt een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben, omdat niet van haar kan worden verwacht dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Twinss stelt dat zij uit eigen middelen reeds een deel van de schade heeft moeten vergoeden aan haar crediteuren. Met deze stelling heeft Twinss het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Dat Twinss al een veelvoud aan conservatoire maatregelen heeft getroffen waardoor Twinss de door haar gewenste zekerheid al heeft verkregen, zoals gedaagden stellen, neemt niet weg dat dit slechts bewarende maatregelen zijn en Twinss (spoedeisend) belang heeft bij het verkrijgen van een executoriale titel om, in ieder geval een deel van, haar vordering daadwerkelijk te kunnen innen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat Twinss vooralsnog maar voor een fractie van haar vordering zekerheid heeft verkregen.
[gedaagde 1] heeft onrechtmatig gehandeld jegens Twinss en [gedaagde 2] is ongerechtvaardigd verrijkt
Twinss heeft in februari 2026 ontdekt dat er overboekingen werden gedaan aan derden die wel op de debiteurenkaart stonden, maar dat deze debiteuren de door Twinss betaalde bedragen niet hebben ontvangen. Na onderzoek is gebleken dat [gedaagde 1] deze gelden overmaakte naar haar eigen bankrekeningen. [gedaagde 1] heeft erkend dat zij vanaf 2017 tot en met 2026 gelden van Twinss heeft verduisterd en dat zij hiermee onder meer haar koop- en gokverslaving heeft bekostigd en dat [gedaagde 1] van het geld veelvuldig op vakantie ging met haar gezin. Twinss stelt dat het handelen van gedaagden onrechtmatig is jegens haar, dat gedaagden door het handelen ongerechtvaardigd zijn verrijkt en dat zij de schade aan Twinss moeten vergoeden. Twinss vordert een voorschot op het in de bodemprocedure gevorderde bedrag, zodat het grootste vermogensbestanddeel van gedaagden, hun woning, kan worden verkocht en Twinss haar vordering kan innen.
[gedaagde 1] heeft erkend geld van haar voormalig werkgever, Twinss, te hebben gestolen. Dit is onrechtmatig en maakt haar schadeplichtig. Twinss heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook [gedaagde 2] onrechtmatig jegens Twinss heeft gehandeld. Meer specifiek kan niet worden vastgesteld dat sprake is van opzet van [gedaagde 2] in de zin van dat hij [gedaagde 1] heeft geholpen, haar heeft aangezet tot de diefstal of, in de wetenschap van de diefstal, heeft nagelaten in te grijpen. Aannemelijk is wel dat [gedaagde 2] ongerechtvaardigd is verrijkt, zoals Twinss stelt. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
Artikel 6:212 lid 1 BW bepaalt dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Voor toewijzing van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet sprake zijn van een verrijking, van een verarming, van causaal verband tussen de verrijking en de verarming en de verrijking moeten ongerechtvaardigd zijn.
Dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was, of niet had kunnen weten, dat [gedaagde 1] diverse goederen aanschafte en op vakantie ging met het gezin van geld dat niet aan haar toebehoorde, is niet aannemelijk. Gelet op het inkomen van beide partijen en hun uitgavenpatroon dat Twinss heeft gedestilleerd uit de door [gedaagde 1] verstrekte bankafschriften is onaannemelijk dat [gedaagde 2] in het geheel geen weet heeft gehad van deze extra gelden. Immers, het jaarinkomen in 2025 van gedaagden bedroeg in totaal
€ 99.985,- en in dat jaar gaven zij ruim € 38.000,- uit aan vakanties en uitjes, wat ruim één derde van hun totale jaarinkomen is. Ook als de vakanties slechts voor een deel van de gezamenlijke rekening zijn betaald en het andere deel via de (een van de) rekening(en) van [gedaagde 1] , zoals [gedaagde 2] stelt, dan nog moet hem alsnog zijn opgevallen dat die vakanties en uitjes anders en/of luxer waren dan voorheen in het licht van de hoogte van het salaris van partijen, omdat de uitgaven niet in verhouding staan tot het inkomen. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat zoveel extra inkomen kan worden gegenereerd uit Vinted verkopen en, gestelde, bonussen die [gedaagde 1] van haar werkgever zou hebben ontvangen, zoals zij stelt, dat [gedaagde 2] ook daarom geen weet had van de diefstal. Wat er aan extra “inkomen” werd gegenereerd, gaf [gedaagde 1] vervolgens namelijk ook weer uit aan onder andere dure designer kleren en accessoires.
Het voorgaande betekent dat aannemelijk is dat [gedaagde 2] ten koste van Twinss is verrijkt en dat dit door de diefstal van [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is geweest. [gedaagde 2] is dus op grond van ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk voor de door Twinss geleden schade.
Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 300.000,-
Twinss vordert als voorschot betaling van een bedrag van € 500.000,-. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een voorschot van € 300.000,- toewijsbaar is en licht dit als volgt toe.
Partijen verschillen van mening over de exacte omvang van het gestolen bedrag. Twinss heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1] ten minste € 300.000,- heeft ontvreemd, maar waarschijnlijk veel meer, omdat zij ter zitting heeft gesteld dat zij dit bedrag reeds aan haar relaties heeft voldaan. Gedaagden hebben dit niet betwist. Twinss heeft de schade uit eigen middelen aan de gedupeerden betaald, zodat zij spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 300.000,-.
Voor het meerdere is de vordering niet toewijsbaar. Twinss heeft beslag gelegd op diverse vermogensbestanddelen van gedaagden, maar onduidelijk is in hoeverre deze beslagen doel hebben getroffen. Op dit moment is alleen duidelijk dat beslagen op twee bankrekeningen doel hebben getroffen (zie 3.6), maar onbekend is wat de waarde van de inbeslaggenomen auto is en waarom deze nog niet te gelde is gemaakt. In de al aanhangige bodemprocedure moet worden vastgesteld wat het exacte bedrag van de ontvreemding is, omdat gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken in dit kort geding niet zonder meer duidelijk is geworden wie het gelijk aan haar zijde heeft.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
Gedaagden krijgen grotendeels ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Twinss worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
128,59 |
|
|
- griffierecht |
€ |
7.062,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.556,59 |
Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld
Omdat gedaagden beiden aansprakelijk zijn, worden de veroordelingen hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde het hele bedrag is verschuldigd. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Twinss te betalen een bedrag van € 300.000,00,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 8.556,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
3608/2009
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
