Essentie (gemaakt door AI)
Ex-echtelieden hebben pensioenverevening afgesproken. Gedaagde koopt in 1998/2000 haar pensioen af, waardoor eiser zijn deel niet ontvangt. De kantonrechter kwalificeert de vordering als schadevergoeding en oordeelt dat deze door verjaring is tenietgegaan op grond van de twintigjaarstermijn art. 3:310 BW, ongeacht de ontdekking in 2024, met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2020:1887. Ten overvloede: afkoop is onrechtmatig en leidt tot schade; slechts natuurlijke verbintenis resteert. Machtiging aan eiser om namens gedaagde ABP-uitkering te laten stopzêttNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-06-2026 |
| Zaaknummer | 12039105 \ AC EXPL 26-7 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amersfoort |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Pensioen; Pensioenverevening |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vordering tot uitbetaling partnerpensioen na echtscheiding is verjaard door afkoop in 1998 of 2000.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12039105 \ AC EXPL 26-7
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
Partijen zijn ex-echtelieden die hebben afgesproken hun pensioenrechten te verevenen. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door haar pensioen af te kopen, waardoor [eiser] zijn deel van haar pensioen niet ontvangt. De vordering van [eiser] is verjaard omdat de afkoop al in 1998 of 2000 heeft plaatsgevonden.
2De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding met 6 producties,
- de mondelinge conclusie van antwoord met 5 producties,
- de akte van [eiser] met productie 7,
- de conclusie van repliek en de op de rolzitting overhandigde aanvulling daarop,
- de conclusie van dupliek met 2 producties.
[eiser] is niet in de gelegenheid gesteld om op de bij dupliek overgelegde producties te reageren, omdat deze al door [eiser] zelf bij dagvaarding waren overgelegd.
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3Waar deze zaak over gaat
[eiser] en [gedaagde] zijn van [datum] 1987 tot [datum] 1997 getrouwd geweest. Zij hebben in 1997 een echtscheidingsconvenant gesloten waarin staat dat zij hun pensioenaanspraken zullen verevenen, en wel zo dat ze allebei recht hebben op de helft van het door de ander tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Uit de opgaven uit 1998 van respectievelijk ZwitserLeven en het ABP volgt dat toen het deel voor [eiser] van het pensioen van [gedaagde] € 1.851,00 bedroeg en het deel voor [gedaagde] van het pensioen van [eiser] € 1.642,25.
[eiser] is per 1 april 2021 met pensioen en vanaf dat moment betaalt het ABP een deel van het pensioen van [eiser] aan [gedaagde] . In 2021 was dit € 82,01 per maand, inmiddels is dit geïndexeerd tot € 98,64 per maand.
[gedaagde] is per 1 april 2024 met pensioen gegaan. Omdat [eiser] daarna niet een deel van het pensioen van [gedaagde] ontving, heeft hij bij Zwitser Leven geïnformeerd wat er aan de hand was. Daarop heeft ZwitserLeven laten weten dat het pensioen is afgekocht op 1 april 1998 en per 1 februari 2000 is vervallen door afkoop. [eiser] ontvangt daardoor niet zijn deel van het pensioen van [gedaagde] , terwijl [gedaagde] wel haar deel van het pensioen van [eiser] ontvangt.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeelt tot:
betaling van € 2.205,50 plus wettelijke rente, en
€ 109,17 per maand met ingang van 22 december 2025.
Subsidiair vordert [eiser] dat:
[gedaagde] moet aantonen welke afkoopsommen aan haar zijn of worden betaald, en dat zij de helft daarvan met rente aan [eiser] moet betalen.
Daarnaast wil [eiser] :
dat [gedaagde] € 330,83 buitengerechtelijke incassokosten aan hem betaalt, en
een machtiging om namens [gedaagde] aan ABP (te vragen, kantonrechter) de uitkering aan haar stop te zetten als zij niet aan (een van) de verplichtingen onder A, B of C voldoet.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld.
Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling worden ingegaan.
4De beoordeling
De vordering tot schadevergoeding is verjaard
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de vordering van [eiser] is verjaard omdat de afkoop van het pensioen in 1998 of uiterlijk in 2000 heeft plaatsgevonden. Dat verweer slaagt.
Voor de vraag of een vordering is verjaard, moet allereerst worden vastgesteld wat de grondslag van die vordering is: nakoming van het echtscheidingsconvenant of schadevergoeding. In dit geval is het schadevergoeding. Door de afspraak om het pensioen te vereven is voor partijen de verplichting ontstaan om binnen twee jaar aan het pensioenfonds mede te delen dat het pensioen moet worden verevend. Die mededeling hebben partijen gedaan. Door de mededeling ontstaat een recht op uitbetaling op het deel van het pensioen van de ander tegenover het pensioenfonds en is er geen recht (meer) op uitbetaling aan elkaar.
1 [gedaagde] is dus de afspraken uit het echtscheidingsconvenant al nagekomen. Het echtscheidingsconvenant verplicht haar niet om haar deel van het pensioen rechtsreeks aan [eiser] te betalen.
Doordat [gedaagde] haar pensioen heeft afgekocht, krijgt [eiser] nu niets uitgekeerd. [eiser] vordert betaling van de schade die hij lijdt doordat [gedaagde] haar pensioen in 1998 of 2000 heeft afgekocht. Een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.
2 Die gebeurtenis was de afkoop van het pensioen. Daarbij is niet van belang dat [eiser] niet eerder dan in 2024 kon weten dat het pensioen was afgekocht en dat hij daardoor schade lijdt.
3 Dat betekent dat de vorderingen onder A, B en C van [eiser] in elk geval al in 2020 waren verjaard en niet kunnen worden toegewezen.
Geen buitengerechtelijke incassokosten
Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, wordt ook de vordering tot vergoeding van de incassokosten afgewezen.
Overweging ten overvloede
Ondanks dat [eiser] als gevolg van de verjaring geen rechtens afdwingbare vordering heeft op [gedaagde] , vindt de kantonrechter het in dit geval van belang om toch te beoordelen of de vorderingen van [eiser] zouden kunnen worden toegewezen als die niet waren verjaard. De kantonrechter meent dat dit het geval is en legt dat hierna uit.
In het convenant hebben partijen afgesproken dat ieder recht heeft op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen van de ander. [gedaagde] heeft gelijk dat daaruit niet volgt dat partijen dat deel van het pensioen aan de ander moeten betalen, maar dat is ook niet wat [eiser] vordert. [eiser] vordert vergoeding van zijn schade, die het gevolg is van het afkopen van het pensioen door [gedaagde] . [gedaagde] heeft betoogd dat niet zij, maar [eiser] het pensioen heeft afgekocht, maar dat is feitelijk onmogelijk. Uit de brief van ZwitserLeven van 26 november 1998 blijkt duidelijk dat het gaat om de pensioenrechten van [gedaagde] , die niet door een ander dan [gedaagde] kunnen worden afgekocht.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het pensioen af te kopen, waardoor [eiser] zijn deel van het pensioen van [gedaagde] nu niet krijgt uitgekeerd. De schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt, is het bedrag dat hij aan pensioeninkomsten misloopt. De kantonrechter wijst partijen erop dat na verjaring nog wel een natuurlijke verbintenis blijft bestaan. Dat betekent dat als [gedaagde] toch betaalt, zoals zij eerder heeft toegezegd, zij niet onverschuldigd betaalt.
Vervangende machtiging om het pensioen stop te zetten
[eiser] heeft voor het geval dat [gedaagde] niet zou voldoen aan de veroordelingen onder A, B, of C een machtiging gevraagd om namens [gedaagde] het ABP te vragen om de uitkering aan [gedaagde] stop te zetten. De kantonrechter legt dit zo uit dat [eiser] deze vordering ook instelt voor het geval de genoemde vorderingen worden afgewezen, zoals nu het geval is. [gedaagde] heeft niet betwist dat als [eiser] niet zijn deel van het pensioen van [gedaagde] ontvangt, [gedaagde] ook geen recht heeft op haar deel van het pensioen van [eiser] . Desondanks heeft [gedaagde] tot op heden niet meegewerkt aan de stopzetting van de betalingen door ABP. De kantonrechter zal daarom [eiser] machtigen om dat namens [gedaagde] te doen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat partijen ex-echtelieden zijn en dit geschil te maken heeft met de gevolgen van de echtscheiding, worden de proceskosten gecompenseerd, zodat ieder de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5De beslissing
De kantonrechter:
verleent [eiser] een machtiging om namens [gedaagde] aan het ABP te vragen de uitkeringen aan [gedaagde] stop te zetten,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde,
compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken door mr. A.R. Creutzberg op 3 juni 2026.
Artikel 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Hoge Raad 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1887, rechtsoverweging 3.1.2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
