Rechtbank Oost-Brabant 30-03-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4324

Essentie (gemaakt door AI)

Voornaamswijziging waarin het verzoek van verzoeker wordt toegewezen omdat hij door online vindbaarheid van zijn strafrechtelijk verleden ernstig wordt belemmerd in resocialisatie, werk en sociale contacten. Het OM adviseert afwijzing wegens een gestelde registratiekoppeling-hiaten bij Justid/JD, maar de rechtbank acht dit bezwaar ongegrond en acht naamconsistentie minder zwaar wegen. Toetsing aan art. 1:4 lid 4 BW en “fair balance” onder art. 8 EVRM. De verzochte voornaam is niet ongepast art. 1:4 lid 2 BW.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Googlen op voornaam man levert resultaat op - staat aan zijn resocialisatie in de weg
Man wordt door online vindbaarheid van zijn strafrechtelijk verleden ernstig belemmerd in resocialisatie, werk en contacten. OM adviseert afwijzing. Rb: belang man weegt zwaarder dan algemeen belang bij naamconsistentie.

Datum publicatie15-06-2026
Zaaknummer413993__FA_RK_25-1229
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesTussenuitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2025:8961
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Voornaam (art. 1:4 BW)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Toewijzing van verzoek tot voornaamswijziging omdat betrokkene ernstig wordt belemmerd in zijn resocialisatie als gevolg van zijn strafrechtelijk verleden. Artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) Artikel 8 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/413993 / FA RK 25-1229

Uitspraak : 30 maart 2026

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende voornaamswijziging in de zaak van:

[Verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna te noemen: verzoeker,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A. Schippers.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Brabant,

hierna te noemen: het OM.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 1 september 2025.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft na de beschikking van 1 september 2025 kennisgenomen van:

  • de conclusie van het OM van 2 oktober 2025;

  • de brief met bijlage van mr. Schippers van 3 februari 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Verschenen zijn verzoeker en zijn advocaat en [vertegenwoordiger OM] namens het OM.

2De beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 1 september 2025 heeft de rechtbank het OM verzocht een conclusie te nemen. De rechtbank heeft het OM verzocht daarbij de justitiële documentatie te raadplegen en de daarin ten aanzien van verzoeker opgenomen gegevens te betrekken in de conclusie.

2.2.

Het OM geeft de rechtbank in overweging om het verzoek af te wijzen.

Het OM heeft in zijn conclusie aangegeven dat op de justitiële documentatie van verzoeker drie verschillende registraties voorkomen, waarvan de laatste de kwestie betreft waarbij verzoeker zijn moeder om het leven bracht. Verzoeker is voor deze kwestie veroordeeld. De strafmaat luidde vier jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden. De tbs is na meerdere verlengingen geëindigd op 26 januari 2025. Sindsdien zijn geen incidenten geregistreerd.

2.3.

Voor wat betreft de verhouding tussen het persoonlijk belang van verzoeker en

het algemeen maatschappelijk belang merkt het OM het volgende op. Het OM kent een grote waarde toe aan de producten van de justitiële informatiedienst van het ministerie van justitie en veiligheid (Justid). Justid verzamelt en beheert gegevens zoals vingerafdrukken en strafverleden, onder meer ten behoeve van een correcte strafrechtspleging. Betrouwbaarheid, volledigheid en continuïteit van de gegevens zijn daarbij cruciaal. Het verzoek tot voornaamswijziging heeft vragen opgeroepen over de gevolgen die dat met zich meebrengt in het systeem van Justid. Navraag bij Justid heeft hierover de volgende informatie opgeleverd: “Wanneer een voornaam wordt gewijzigd in de Basisregistratie Personen (BRP), wordt deze wijziging automatisch doorgevoerd in alle systemen die aan de BRP zijn gekoppeld. De Strafrechtketendatabank (SKDB) is verbonden met de BRP,

waardoor de nieuwe naam wordt gekoppeld aan de registratie. De SKDB

communiceert deze wijziging vervolgens door naar de Justitiële Documentatie

(JD). Er bestaat dus een koppeling tussen oude en nieuwe namen via het

Burgerservicenummer (BSN), wat ervoor zorgt dat informatie onder beide

namen toegankelijk blijft. Echter, indien iemand op JD-online zoekt met oude personalia in plaats van via het BSN, kunnen er onjuiste gegevens worden verstrekt omdat de JD geen link heeft met historische namen, anders dan SKDB”. Het hiaat in het registratiesysteem waar Justid op wijst acht het OM zorgelijk en onwenselijk in algemene zin indien er vóór een naamswijziging reeds sprake is van een JD. Meer specifiek acht het OM het zorgelijk en onwenselijk ten aanzien van het onderhavige verzoek, in aanmerking genomen dat het in casu een zeer ernstig feit betreft op de JD, waarvan de opgelegde maatregel bovendien recent is geëindigd. Los van de vraag hoe groot de kans op recidive is, is een hiaat in de JD onwenselijk indien er gerecidiveerd wordt.

2.4.

Aanvullend merkt het OM nog op dat enkel het gebruik van de voorletter van de voornaam gecombineerd met de achternaam eveneens de door verzoeker genoemde ongewenste ‘hits’ oplevert. Verzoeker zal derhalve ook na de beoogde voornaamswijziging altijd nog geconfronteerd kunnen worden met ongewenste gevolgen.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben betrokkenen hun standpunt toegelicht.

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Daarvoor dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Voornamen vallen onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, omdat zij een middel zijn om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. Het door dit artikel beschermde belang brengt mee dat inmenging van enig openbaar gezag niet is toegestaan. Niet iedere regulering houdt evenwel ook een inmenging in. Een weigering om een voornaam te wijzigen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt. Daarvoor zal steeds moeten worden onderzocht of sprake is van een evenwichtige belangenafweging (“fair balance”) tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Of de weigering om een voornaam te wijzigen, een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, hangt af van de mate van ongemak en overlast die de betrokkene, in dit geval verzoeker, hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.

2.7.

De rechtbank is, gelet op de stukken en de verklaring van verzoeker tijdens de mondelinge behandeling, van oordeel dat verzoeker een voldoende zwaarwegend belang heeft bij de door hem verzochte wijziging van zijn voornaam. Dit belang heeft in dit geval zwaarder te wegen dan het algemeen belang bij naamconsistentie.

2.8.

Verzoeker wordt ernstig belemmerd in zijn resocialisatie. Verzoeker is verhuisd naar een andere stad en zijn resocialisatie staat stil. Verzoeker heeft verklaard dat hij niet kan socialiseren met in zijn achterhoofd de wetenschap dat, wanneer mensen met wie hij in contact komt hem googelen, zijn strafrechtelijke verleden altijd opkomt. Om deze reden is hij ook al eens afgewezen voor een stage, waar hij aanvankelijk voor was aangenomen. Verder is solliciteren haast onmogelijk gebleken, zelfs met tussenkomst van een begeleidende instantie. Ook bij het aangaan van (nieuwe) sociale contacten komt het voor dat men stuit op zijn strafrechtelijk verleden als men hem op zijn naam googelt, reden waarom verzoeker het aangaan van sociale contacten uit de weg gaat.

2.9.

De rechtbank ziet in de stellingen van het OM geen aanleiding om het algemeen belang zwaarder te laten wegen dat het belang van verzoeker. Het OM heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn conclusie toegelicht voor wat betreft het hiaat in het registratiesysteem waar Justid op wijst. Het OM heeft in dat verband verklaard dat het grootste bezwaar erin gelegen is dat betrokkene, in geval van wijziging van zijn voornaam, blijft beschikken over zijn oude identiteitsbewijs totdat dit verlopen is en zich hiermee dus tot die tijd kan blijven identificeren, waarbij hij dan in de JD voorkomt als ‘onbekend’. Deze stelling komt de rechtbank onjuist voor. Wijziging van een voornaam van een persoon in de Basisregistratie Personen leidt er immers toe dat alle identiteitsbewijzen van de betrokken persoon ongeldig worden, zodat nieuwe identiteitsbewijzen dienen te worden aangevraagd. De oude documenten moeten daarbij worden ingeleverd of onklaar worden gemaakt. Het is dan niet meer mogelijk om zich te identificeren met de oude identiteitsbewijzen. De rechtbank acht het bovendien onwaarschijnlijk dat verzoeker geen nieuw identiteitsbewijs zal aanvragen omdat hij, wanneer hij dit nalaat, na de wijziging van zijn voornaam niet langer beschikt over een geldig identiteitsbewijs. Bovendien zal verzoeker in dat geval niet de door hem met zijn verzoek beoogde positieve gevolgen ervaren van de wijziging van zijn voornaam, aangezien hij zich dan nergens met zijn nieuwe naam kan legitimeren.

Verder merkt de rechtbank nog op dat een googlezoekopdracht op de naam [Voorletter en achternaam] weliswaar nog steeds tot resultaten leidt die verwijzen naar het door verzoeker begane ernstige strafbare feit, maar dat daarbij de naam [oude naam] naar voren komt en niet de naam [nieuwe voornaam] , zodat deze resultaten niet meer zijn te herleiden naar verzoeker nadat zijn voornaam is gewijzigd.

2.10.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de door verzoeker gewenste voornaam ongepast is in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW, noch dat deze overeenstemt met een bestaande geslachtsnaam die niet tevens een gebruikelijke voornaam is.

2.11.

De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.

3De beslissing

De rechtbank:

3.1.

gelast de wijziging van de voornaam van verzoeker van [oude naam] in [nieuwe voornaam] .

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, voorzitter, mr. V.R. de Meyere en mr. J.W. Brunt, als leden van de meervoudige kamer, allen rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 30 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof [geboorteplaats]
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733