Rechtbank Rotterdam 21-05-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6869

Essentie (gemaakt door AI)

Vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, waarin hoofdverblijfplaats van de minderjarigen definitief bij vader is bepaald. Ouders wonen in verschillende landen (vader in Nederland, moeder in Zwitserland). Co-ouderschap is onhaalbaar door afstand. Raad adviseert verblijf bij vader; kinderen ontwikkelen zich goed en hebben hun leven in Nederland. Zorgregeling wordt vastgesteld conform voorlopige regeling met strakkere kaders voor belmomenten, neutraliteit van ouders en vakanties bij moeder.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vader in Nederland, moeder in Zwitserland: is co-ouderschap haalbaar?
Co-ouderschap is praktisch onhaalbaar: ouders wonen niet bij elkaar in de buurt en kunnen de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen daarom niet kunnen delen. Hoofdverblijf bij vader; beperkte zorgregeling voor moeder.

Datum publicatie15-06-2026
ZaaknummerC/10/643497 / FA RK 22-5860
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Co-ouderschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, waarbij één van de ouders in Nederlands en de andere in Zwitserland woont.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/643497 / FA RK 22-5860

Beschikking van 21 mei 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. P. Celikkal te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. Ch.M. van Beuningen te Den Haag.

De zaak gaat om de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).

1De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • de beschikking van 25 juni 2025;

  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 28 mei 2025;

  • de berichten (met bijlagen) van de man van 5 juni 2025 en 15 april 2026;

  • de berichten (met bijlagen) van de vrouw van 2 april 2026 en 15 april 2026.

1.2.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op

16 april 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

1.4.

De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2De verdere vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van 25 juni 2024 heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang, een voorlopige zorgregeling in de beschikking opgenomen en de raad verzocht om onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de rechtbank daarover te berichten. In afwachting van het raadsrapport is de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de definitieve de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).

3De beoordeling

3.1.

De rechtbank verwijst naar wat over de hoofdverblijfplaats en de (voorlopige) zorgregeling is opgenomen in voornoemde (tussen)beschikking.

3.2.

Hoofdverblijfplaats

3.2.1.

Beide partijen verzoeken te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem/haar zal zijn. Zij voeren over en weer gemotiveerd verweer.

3.2.2.

De raad adviseert de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man te bepalen.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.

3.2.4.

De rechtbank stelt voorop dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van minderjarige kinderen een dusdanig ingrijpende gebeurtenis voor hen is, dat hiertoe slechts moet worden overgegaan indien voldoende vast staat dat de huidige verblijfplaats een directe bedreiging voor een gezonde ontwikkeling oplevert of anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de minderjarigen hun eerste levensjaren afwisselend bij de man in Nederland en de vrouw in Zwitserland hebben gewoond. Hoewel partijen van mening verschillen hoe de verhuizing naar Nederland is gegaan, staat vast dat de minderjarigen sinds september 2021 bij de man in Nederland wonen en dat zij, in het kader van de voorlopige zorgregeling, een (groot) deel van alle schoolvakanties bij de vrouw in Zwitserland verblijven. De minderjarigen wonen derhalve al langere tijd met de man in Nederland. Uit het raadsrapport blijkt dat de minderjarigen zich leeftijdsadequaat ontwikkelen en dat zij gewend zijn aan de situatie die hun ouders hebben gecreëerd. De minderjarigen ervaren stabiliteit, veiligheid en structuur bij de man en genieten van het contact met de vrouw in de vakanties. Zij hebben hun leven in Nederland opgebouwd. De minderjarigen zijn tweetalig opgevoed, gaan in Nederland naar school en hebben hier hun vriendjes en sport en hebben op regelmatige basis contact met hun moeder. De minderjarigen lijken geen onduidelijkheid te ervaren over hun toekomstperspectief.

3.2.5.

Gebleken is verder dat de ouders beiden betrokken ouders zijn die het beste met de minderjarigen voor hebben en hun leefsituatie op orde hebben. Feit is echter dat de ouders niet bij elkaar in de buurt wonen en daarom de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen niet kunnen delen. Co-ouderschap is praktisch gezien gewoon niet haalbaar; de afstand tussen de woonplaatsen van partijen is daarvoor te groot. Dit heeft tot gevolg dat waar de minderjarigen ook zouden wonen zij een ouder in hun dagelijks leven moeten missen. Omdat de minderjarigen al langere tijd bij de man wonen, er geen zorgen zijn over deze opvoedsituatie en zij zich leeftijdsadequaat ontwikkelen, acht de rechtbank wijziging van het verblijf van de minderjarigen niet in hun belang. Dat zou een te grote impact op de minderjarigen hebben. Bovendien is de man voldoende in staat het contact tussen de minderjarigen en de vrouw te onderhouden en stimuleren, ook al lopen partijen in de praktijk tegen problemen in de uitvoering aan. In de situatie dat de minderjarigen bij de vrouw zouden wonen, is nog maar de vraag of de vrouw het contact tussen de man en de kinderen in dezelfde mate zou kunnen stimuleren en onderhouden. Zoals uit het raadsrapport blijkt, maar ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, zit de vrouw hoog in haar emotie als het gaat over wat zich tussen partijen in hun huwelijk en daarna heeft afgespeeld.

3.2.6.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen definitief bij de man bepalen. De rechtbank benadrukt dat het van groot belang is dat beide ouders naar de minderjarigen uitstralen dat de minderjarigen bij de man kunnen blijven wonen. Het is van belang dat de minderjarigen die emotionele toestemming van beide ouders voelen. Immers, de minderjarigen hebben niet gekozen voor de situatie dat hun ouders in verschillende landen wonen. Op die manier kunnen de minderjarigen onbelast contact met hun beide ouders (blijven) onderhouden, zonder het gevoel te hebben dat zij toch moeten kiezen. Dit vraagt van de ouders, en met name van de vrouw, de nodige acceptatie en begrip. Een goede communicatie is verder, gezien de omstandigheid dat de vrouw op afstand betrokken is en dus in grote mate afhankelijk is van de informatie die zij van de man krijgt, in deze situatie extra belangrijk.

3.3.

Zorgregeling

3.3.1.

Volgens de man is de voorlopige zorgregeling niet goed verlopen, omdat de vrouw deze zorgregeling niet strikt nakomt. De man verwijt de vrouw – kort geformuleerd - dat zij plots in Nederland verschijnt om de minderjarigen te zien dan wel de vakanties van de minderjarigen bij de vrouw inkort. De man handhaaft dan ook zijn verzoek te bepalen dat de vrouw één keer per vier weken een weekend contact heeft met de minderjarigen in Nederland en de vrouw beslist waar zij dat weekend met de minderjarigen doorbrengt in Nederland. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij kan een dergelijke zorgregeling niet nakomen, omdat zij daartoe de financiële middelen niet heeft. Ook verwijt de vrouw de man dat zij geen ongestoord contact kan hebben met de minderjarigen, omdat de man aanwezig is of wil zijn tijdens het contact van de vrouw met de minderjarigen. Hoewel de huidige voorlopige zorgregeling niet vlekkeloos verloopt, moet die volgens de vrouw wel als definitieve zorgregeling worden vastgesteld. De rechtbank overweegt over de (definitieve) zorgregeling als volgt.

3.3.2.

De rechtbank acht de door de man verzochte zorgregeling, gelet op de betwisting door de vrouw, niet haalbaar. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij iedere maand voor een weekend naar Nederland afreist als zij daarvoor onvoldoende financiële middelen heeft. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat partijen wel hun best doen om uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling, maar daarbij een strakker kader nodig hebben, omdat de onderlinge communicatie te wensen overlaat en het wederzijdse vertrouwen wankel is. De rechtbank acht het daarom in het belang van de minderjarigen dat de voorlopige zorgregeling als een definitieve zorgregeling wordt vastgesteld met de volgende aanvullingen:

  • de vrouw belt alleen op de vastgestelde belmomenten met de minderjarigen;

  • de telefoongesprekken duren minimaal 15 minuten en maximaal 30 minuten, waarbij de inmenging van de man tot een minimum beperkt moet blijven. Dit is voor de vrouw tenslotte het moment om met de minderjarigen te praten en het is begrijpelijk dat het voor haar lastig is als de man op dat moment bij het gesprek betrokken wordt;

  • de vrouw praat in het contact met de minderjarigen niet negatief over de man;

  • de man praat in het contact met de minderjarigen niet negatief over de vrouw;

  • de vrouw bespreekt niet met de minderjarigen dat zij (op enig moment) bij haar zullen wonen, ook als de vrouw die wens (nog) heeft;

  • de man is niet aanwezig tijdens het contact tussen de vrouw en de minderjarigen op vakanties; en

  • partijen stellen elkaar tijdig op de hoogte van de vakanties. De man geeft aan het begin van ieder schooljaar de vakanties van de minderjarigen door aan de vrouw. Dit voorkomt tenslotte de nodige onenigheid op dit gebied.

3.3.3.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de voorgenomen vakanties bij de vrouw zoveel als gezien de afstand tussen de woonplaatsen mogelijk is, strikt nagekomen moeten worden en dat het verblijf bij de vrouw in beginsel boven andere verplichtingen van de minderjarigen moet voorgaan. Dit houdt dus in dat eventuele andere (sociale en sportieve) verplichtingen van de minderjarigen buiten de afgesproken vakanties bij de vrouw gepland worden. Het staat partijen uiteraard vrij om daarover in onderling overleg andere afspraken te maken. De rechtbank geeft partijen mee dat crossborder mediation, zoals geadviseerd door de raad, daarbij helpend kan zijn.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).

bij de man zal zijn;

4.2.

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw zullen zijn als volgt, met de aanvulling zoals overwogen in rechtsoverweging 3.3.2.:

  • de vrouw belt de minderjarigen iedere maandag, woensdag en vrijdagavond om 19:00 uur; indien dit de vrouw niet lukt, laat zij dit de man weten en belt zij de minderjarigen de volgende ochtend om 7:15 uur;

  • de minderjarigen zullen jaarlijks de voorjaars- en herfstvakantie bij de vrouw in Zwitserland doorbrengen alsmede in de oneven jaren de laatste helft van de vakanties die uit meer dan een week bestaan en in de even weken de eerste helft van de vakanties die uit meer dan een week bestaan;

  • de man zal de minderjarigen in verband met de vakanties bij de vrouw naar Schiphol brengen en hen daar ook weer ophalen;

4.3.

verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Ü. Gümüş, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J. Don-van Loopik, griffier, op 21 mei 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733