Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-06-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3589

Essentie (gemaakt door AI)

Beroepsaansprakelijkheid advocaat, art. 7:401 BW. Cliënt stelt dat geen verjaringsverweer is gevoerd tegen vordering ex-partner uit uitkoopregeling. Hof oordeelt: geen beroepsfout; vordering niet verjaard. Maandelijkse betalingen vormen erkenning die stuiting oplevert, art. 3:318 BW. Daarnaast stuiting door brief aan toenmalig advocaat, die cliënt ontving, art. 3:317 BW. Schending waarheidsplicht, art. 21 Rv, leidt tot veroordeling in proceskosten in hoger beroep op hoger liquidatietarief.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man stelt eigen advocaat aansprakelijk: maar is hij wel eerlijk in zijn stellingen en verwijten?
Man stelt dat ten onrechte geen verjaringsverweer is gevoerd tegen vordering vrouw. Hof: geen beroepsfout; vordering niet verjaard. Man schendt waarheidsplicht door niet eerlijk te zijn over de feiten. Hogere proceskostenveroordeling.

Datum publicatie15-06-2026
Zaaknummer200.354.115
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat;
Familievermogensrecht;
Familieprocesrecht; Waarheidsvinding in het familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beroepsaansprakelijkheid advocaat, artikel 7:401 BW. Geen beroepsfout dat verjaringsverweer niet is gevoerd; vordering was niet verjaard. Verjaring bij termijnbetaling, artikel 3:318 BW, houdt betaling erkenning in? Ontvangst stuitingsbrief. Schending waarheidsplicht, artikel 21 Rv, proceskostenveroordeling tot hoger tarief.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.354.115

zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , 435885

arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. H. Loonstein

(hierna: [de cliënt] )

en

1 [verweerder1] B.V.

die is gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoor houdt in [plaats1]

2. [verweerster2]

die kantoor houdt in [plaats1]

advocaat: mr. W. Knoester

(hierna [het advocatenkantoor] respectievelijk [de advocaat] en tezamen [de advocaat c.s.] )

1Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

[de cliënt] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , op 8 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. 1

1.2.

Naar aanleiding van het arrest van 9 december 2025 heeft op 24 maart 2026 een (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2De kern van de zaak

2.1.

[de advocaat c.s.] heeft [de cliënt] als advocaat bijgestaan in een procedure die [de cliënt] voerde tegen zijn ex-partner en ex-medevennoot [de ex-partner] . [de cliënt] werd in die procedure door [de ex-partner] aangesproken tot betaling op grond van een uitkoopregeling. [de cliënt] verwijt [de advocaat c.s.] dat zij in die procedure geen beroep op verjaring heeft gedaan als verweer tegen de vordering van [de ex-partner] . Volgens [de cliënt] heeft [de advocaat c.s.] een beroepsfout gemaakt. Hij vordert een verklaring voor recht dat [de advocaat c.s.] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen hen en vergoeding van schade van € 106.740,89. [de advocaat c.s.] heeft betwist dat sprake is van tekortkoming – de vordering van [de ex-partner] was niet verjaard – en heeft ook het causaal verband en de schade betwist. Verder heeft [de advocaat] aangevoerd dat haar aansprakelijkheid in privé in de algemene voorwaarden is uitgesloten. [de advocaat c.s.] heeft ook aangevoerd dat [de cliënt] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden.

2.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van [de cliënt] afgewezen. Kort gezegd is geen sprake is van een beroepsfout omdat een beroep op verjaring van de vordering van [de ex-partner] geen kans van slagen had. De bedoeling van [de cliënt] ’s hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

2.3.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Van een beroepsfout is geen sprake. [de cliënt] wordt in de proceskosten in hoger beroep veroordeeld. Omdat [de cliënt] in de procedure herhaaldelijk niet naar waarheid heeft verklaard, veroordeelt het hof hem tot betaling van een hoger bedrag aan proceskosten dan gebruikelijk bij een vordering van deze omvang.

3De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en achtergronden

3.1.

De rechtbank heeft de voor haar beslissing relevante feiten vastgesteld in rov. 3.1 tot en met 3.10 van het vonnis. [de cliënt] heeft aangevoerd dat de rechtbank in rov. 3.7 ten onrechte heeft vastgesteld dat de algemene voorwaarden van [het advocatenkantoor] van toepassing zijn en overigens dat de feiten onvolledig zijn vastgesteld. Op de algemene voorwaarden komt het hof terug in rov. 3.27 hierna. De onvolledigheid heeft [de cliënt] onvoldoende toegelicht; afgezien van het navolgende ziet het hof geen aanleiding om de feiten aan te vullen. De door de rechtbank vastgestelde feiten, aangevuld met wat in hoger beroep verder is komen vast te staan, komen in het kort op het volgende neer.

3.2.

[de cliënt] en [de ex-partner] hadden een affectieve relatie en waren samen de vennoten van [naam1] VOF. Bij het einde van de relatie ontstonden verschillende geschillen, onder meer over de verkoop van de gezamenlijke woning en over de afwikkeling van de VOF. In een uitkoopregeling van 29 maart 2012 met betrekking tot de VOF zijn [de cliënt] en [de ex-partner] overeengekomen dat [de cliënt] € 180.000 aan [de ex-partner] zou voldoen in 60 maandelijkse termijnen van € 3.000. De relevante bepalingen luiden als volgt:

“1. De hoofdsom wordt afgelost met een bedrag van € 3000,00 (drieduizend euro) per maand, ingaande op 29-03-2012. De eerste betaling zal plaatsvinden op 25-04-2012 en vervolgens op de 25e van iedere maand. Deze bepaling vervalt op het moment dat de schuldeiser het bedrag onmiddellijk geheel opeist, zoals omschreven in bepaling 3. (…)

3. De hoofdsom of het restant daarvan is dadelijk opeisbaar als:

- de schuldenaar niet uiterlijk op de maandelijkse vervaldatum betaald; (…)”

3.3.

Uit de door [de cliënt] overgelegde bankafschriften volgt dat hij op 23 april 2012 één bedrag van € 3.000 heeft betaald en in de maanden erna, tot en met december 2014, telkens twee bedragen van € 1.500 (dus in totaal € 3.000), waarvan een doorgaans met een omschrijving als “salaris” of “loon”. De betalingen over november 2012 dateren van 19 en 26 november.

3.4.

[de ex-partner] heeft op 12 mei 2019 een brief gestuurd aan de toenmalige advocaat van [de cliënt] , [naam2] , die [de cliënt] bijstond in het geschil over de verkoop van de gezamenlijke woning. De tekst van de brief is vervat in een e-mail (met als onderwerp: “ [de cliënt] - [de ex-partner] ”) en luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De verkoopprijs van de woning wordt op dit moment getaxeerd op € 269.000,- inlc. Keuken, airco etc.

Zoals u waarschijnlijk weet, hebben we op 29 maart 2012 een uitkoopregeling overeenkomst gesloten i.v.m. het uitkopen van de onderneming genaamd [naam1] . Ter waarde van € 180.000,-. Tot op heden heb ik hiervan € 93.000,- ontvangen m.a.w. er staat nog € 87.000,- open.

Wanneer de woning wordt verkocht, zal ik dit bedrag direct via de notaris opeisen.

(…) zal bij verkoop van de woning € 39.000,- + € 32.121,62 = € 71.121,62 vrijkomen. Dit bedrag is voor 50% voor uw cliënt en de andere 50% voor mij.

Echter uw cliënt is € 87.000,- + € 25.000,- = € 112.000,- verschuldigd aan mij.

U begrijpt dit ik direct het deel van [de cliënt] opeis, zodat het openstaande bedrag vermindert wordt met € 35.560,81. Er blijft dan nog steeds € 76.439,19 open staan, wat direct opeisbaar zal zijn. (…)”

3.5.

[de advocaat c.s.] heeft als productie overgelegd een e-mail van 13 mei 2019, 12.45 uur, van [naam2] aan [de cliënt] (met als onderwerp: “FW: [de cliënt] - [de ex-partner] ”), waarin [naam2] schrijft:

“Geachte [de cliënt] ,

Hierbij de reactie van de wederpartij.

Zij stelt feitelijk: ik wil medewerking verlenen maar de vraagprijs moet zijn € 269.000,-- k.k. (vlg. taxatie!?).

Verder stelt zij dat als de zaak wordt afgewikkeld dat zij dan een vordering op u heeft van p.m. (!?)

Juistheid van bedragen kan ik thans niet controleren.

Om een en ander te verifiëren verneem ik graag uw reactie alsmede de volgende stukken:

- hoofdsom hypotheek + waarde belegging;

- samenlevingscontract;

- uitkoopregeling/-overeenkomst.”

In de productie is onder de e-mail van [naam2] de brief van [de ex-partner] van 12 mei 2019 opgenomen die hiervoor onder 3.4 is geciteerd.

3.6.

Op 21 mei 2019 stuurde [naam2] aan [de cliënt] een concept-reactie op de brief van [de ex-partner] . In de begeleidende e-mail staat, voor zover relevant:

“Verder bespraken wij hedenochtend het volgende.

(…)

Verder is u voor wat betreft de 'uitkoopregeling' alleen bekend dat er door u een geschrift is ondertekend waarin u de wederpartij het bedrag van € 93.000,- verschuldigd bent welk bedrag u heeft voldaan.”

3.7.

[de cliënt] antwoordde [naam2] op 22 mei 2019:

“Ik heb uw brief en voorstel doorgenomen en verklaar hiermede, dat ik met alle genoemde punten akkoord kan gaan.”

3.8.

Op 22 mei 2019 schreef [naam2] aan [de ex-partner] :

“In antwoord op uw brief van 12 mei jl. bericht ik u als volgt.

(…)

Cliënt betwist de vorderingen die u opsomt. Het is u bekend dat cliënt een fors bedrag heeft moeten betalen aan de Belastingdienst. Er is toentertijd een regeling met de Belastingdienst getroffen. Uw vermeende restantvordering is derhalve onjuist. Zij vermeld dat uw rekensom i.c. de bedragen mij ook niet duidelijk zijn. Dus dat er een bedrag of bedragen openstaan wordt betwist.

(…)

Cliënt kan kort zijn. Om een procedure te voorkomen is hij bereid om het volgende aanbod te doen:

-de opbrengst van de woning i.c. verschil tussen verkoopprijs en hypotheeksom wordt bij helfte verdeeld;

-de helft van de waarde p.m. van de polis [naam3] wordt bij helfte verdeeld;

-na de uitvoering van het vorenstaande hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen i.c. finale kwijting en onder vrijwaring. Dit beslaat dus ook uw vermeende vorderingen genoemd in uw brief van 12 mei 2019.”

3.9.

Bij brief van 2 januari 2020 heeft [de advocaat] namens [het advocatenkantoor] het aangaan van een overeenkomst van opdracht bevestigd aan [de cliënt] voor bijstand in zijn “zaak met betrekking tot het conservatoir beslag en [zijn] procedure tegen [de ex-partner] .” In die procedure vorderde [de ex-partner] betaling van € 87.000 ter nakoming van de uitkoopregeling. Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vordering van [de ex-partner] toegewezen. Bijgestaan door een andere advocaat, [de opvolgend advocaat] , heeft [de cliënt] op 20 maart 2023 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2022.

3.10.

Ook heeft [de cliënt] , bijgestaan door [de opvolgend advocaat] , een kort geding aanhangig gemaakt tegen [de ex-partner] om de executie van het vonnis van 21 december 2022 te verbieden. In dit executiegeschil heeft [de cliënt] geen beroep op verjaring gedaan. Na aanhouding van het kort geding is de vordering van [de cliënt] afgewezen bij vonnis van 22 mei 2023.

3.11.

Op 16 mei 2023 heeft [de cliënt] [de advocaat c.s.] aansprakelijk gesteld omdat zij in de procedure tegen [de ex-partner] geen verjaringsverweer heeft gevoerd. In de hoger beroepsprocedure hebben [de cliënt] en [de ex-partner] op de mondelinge behandeling na aanbrengen van 19 oktober 2023 een schikking getroffen.

Juridisch kader

3.12.

Bij de uitvoering van een opdracht moet de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Dat volgt uit artikel 7:401 BW. In de verhouding tussen een advocaat als opdrachtnemer en de cliënt betekent dit dat de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat een advocaat zijn cliënt bij het voeren van een procedure niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. 2 De zorgplicht van de advocaat brengt verder mee dat deze een eigen verantwoordelijkheid heeft, op grond waarvan de advocaat zich niet kan beperken tot wat de cliënt van hem vraagt, maar zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van belang is om daar vervolgens ook naar te handelen. Daarbij geldt dat minder snel aansprakelijkheid wordt aangenomen bij suboptimaal procederen dan bij bijvoorbeeld het laten verstrijken van een beroepstermijn. Bij suboptimaal procederen moet het optreden duidelijk ondermaats zijn. Voorts geldt dat een ongewenste of onverwachte uitkomst in een procedure niet zonder meer betekent dat daaraan een fout van de advocaat ten grondslag ligt. Beslissend is of het handelen van de advocaat op het moment van handelen al of niet in strijd was met de beroepsnorm. 3

3.13.

Rechtsvorderingen tot betaling van bedragen die bij het jaar of een kortere termijn moeten worden betaald, verjaren op grond van artikel 3:308 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, zoals is bepaald in artikel 3:317 BW. Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. 4

3.14.

Uit artikel 3:318 BW volgt dat ook een erkenning (van het recht tot bescherming waarvan een rechtsvordering dient) de verjaring van de rechtsvordering stuit. Betaling is een vorm van erkenning. In het algemeen houdt een deelbetaling geen erkenning in van meer dan wat daadwerkelijk is betaald. Onder omstandigheden kan een deelbetaling, zoals ook de betaling van een termijn, echter wel erkenning inhouden van de verschuldigdheid van een groter bedrag dan het betaalde bedrag of van andere termijnen dan de betaalde termijn. 5 Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer aan de deelbetaling correspondentie over een hoger, in termijnen te betalen bedrag is voorafgegaan en het betaalde bedrag gelijk is aan een in die correspondentie genoemd termijnbedrag. 6

3.15.

Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen in een procedure verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Doet een partij dat niet, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Beroepsfout door geen beroep op verjaring te doen?

3.16.

De vraag is of [de advocaat] als advocaat, gelet op de jegens [de cliënt] in acht te nemen zorgplicht, in de procedure waarin [de ex-partner] betaling vorderde, een beroep op verjaring van [de ex-partner] vordering had moeten doen. Dat had zij bijvoorbeeld moeten doen, of in ieder geval met [de cliënt] moeten bespreken, indien dat verjaringsverweer ten minste enige kans van slagen had. Indien sprake zou zijn van een beroepsfout door geen verjaringsverweer te voeren waar dat wel had gemoeten, dient de rechter in de aansprakelijkheidsprocedure te onderzoeken hoe de rechter in de eerste procedure had behoren te beslissen op dat verjaringsverweer. Aan de hand daarvan kan de schade worden vastgesteld. In dit geval had een verjaringsverweer echter geen kans van slagen; de rechter in de procedure tussen [de ex-partner] en [de cliënt] behoorde een hypothetisch gevoerd verjaringsverweer niet te honoreren. Van een beroepsfout is geen sprake. Dit zal het hof toelichten.

3.17.

[de cliënt] heeft aangevoerd dat door de te late betaling van de termijn van november 2012 (26 in plaats van 25 november), op grond van artikel 3 van de uitkoopregeling, het gehele nog verschuldigde bedrag opeisbaar werd. Vervolgens is de verjaringstermijn gaan lopen, en is de verjaring in november 2017 voltooid. [de advocaat c.s.] heeft aangevoerd dat de vordering niet was verjaard. Zij heeft aangevoerd dat het restantbedrag niet op 26 november 2012 opeisbaar is geworden althans dat de verjaring is gestuit. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de betalingen die [de cliënt] ook na november 2012, tot en met december 2014, heeft gedaan en op de brief van [de ex-partner] van 12 mei 2019. Zij heeft er verder op gewezen dat zij [de cliënt] op 27 maart 2020 heeft laten weten dat de vordering, gelet op de betalingen tot eind 2014 en de brief van 12 mei 2019, niet was verjaard.

3.18.

In het midden kan blijven of het restantbedrag in november 2012 opeisbaar werd of dat [de ex-partner] en [de cliënt] (stilzwijgend) een nieuwe afspraak maakten door het restantbedrag niet op te eisen respectievelijk verder te gaan met betalen. Ook de door [de advocaat c.s.] gevoerde verweren dat opeising door [de ex-partner] , terwijl [de cliënt] maandelijks doorbetaalde, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat een beroep op verjaring door [de cliënt] jegens [de ex-partner] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kunnen in het midden blijven. [de cliënt] heeft dat laatste verweer overigens niet weersproken.

3.19.

Zelfs als wordt aangenomen dat de restantvordering opeisbaar is geworden in november 2012 en de verjaringstermijn toen is gaan lopen, is die verjaring vervolgens gestuit doordat [de cliënt] iedere maand, tot en met december 2014, het afgesproken bedrag betaalde. Het gaat hier om een regeling tot betaling van een bepaald afgesproken totaalbedrag (van € 180.000) in vaste termijnen (van € 3.000) per maand. [de cliënt] betaalde ook iedere maand dat afgesproken bedrag. Dat maakt dat de betalingen hebben te gelden als erkenning van de verschuldigdheid van het gehele resterende bedrag. Dat het bedrag in twee delen werd betaald en één deel als omschrijving “salaris” of woorden van gelijke strekking meekreeg, maakt dit niet anders. [de cliënt] heeft betoogd dat de bedragen niet correspondeerden met de uitkoopregeling, maar dat hij [de ex-partner] betaalde op grond van een arbeidsovereenkomst en bovendien steeds op verschillende data. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de cliënt] verklaard dat het onder de uitkoopregeling te betalen bedrag deels met “loon” als omschrijving werd uitbetaald en dat daartoe ook een arbeidsovereenkomst was aangegaan, terwijl [de ex-partner] al lang niet meer in het bedrijf werkte. [de cliënt] beoogde daarmee de betalingen aan [de ex-partner] fiscaal beter in te kleden. Deze fiscale inkleding, wat daar ook van zij, maakt echter niet dat het maandelijks betaalde bedrag niet (meer) aansloot bij de uitkoopregeling. Dat de betalingen niet steeds op dezelfde dag van de maand zijn gedaan, is onvoldoende om aan te nemen dat zij niet correspondeerden met de uitkoopregeling.

3.20.

De laatste betaling door [de cliënt] dateert van december 2014. Daarna is een verjaringstermijn gaan lopen. Die is tijdig gestuit door de brief van [de ex-partner] van 12 mei 2019 aan [de cliënt] ’s toenmalige advocaat [naam2] .

3.21.

[de cliënt] heeft aangevoerd dat de brief geen schriftelijke mededeling inhoudt waarmee [de ex-partner] zich het recht op nakoming voorbehield. Dit betoog is onbegrijpelijk gelet op de hiervoor onder 3.4 aangehaalde bewoordingen van die brief. [de ex-partner] maakt zonneklaar dat zij aanspraak maakt op het restantbedrag van € 87.000, dat [de cliënt] dat bedrag verschuldigd is en zij dat bij verkoop van de woning zal opeisen. Dat [naam2] als getuige heeft verklaard dat hij de brief onduidelijk vond, ook omdat hij niet beschikte over de uitkoopregeling, maakt dit niet anders.

3.22.

[de cliënt] heeft ook aangevoerd dat de brief van 12 mei 2019 hem niet heeft bereikt (althans dat [de ex-partner] dat in de procedure tegen [de cliënt] niet zou hebben kunnen bewijzen) omdat deze naar [naam2] en niet naar hemzelf is verstuurd. Nadat [de advocaat c.s.] in haar conclusie van antwoord heeft gewezen op de e-mail van [naam2] aan [de cliënt] van 13 mei 2019 om 12.45 (maar deze niet had overgelegd), heeft [de cliënt] in de memorie van grieven volhard dat hij de brief niet heeft ontvangen. In de spreekaantekeningen van [de cliënt] ’s advocaat bij de mondelinge behandeling in hoger beroep betwist [de cliënt] dat hij de e-mail van 13 mei 2019 heeft ontvangen. Bij die mondelinge behandeling is [de cliënt] geconfronteerd met de bij memorie van antwoord overgelegde e-mail van 13 mei 2019. [de cliënt] heeft toen erkend dat hij die e-mail wel heeft ontvangen.

3.23.

[de cliënt] heeft verder verklaard dat hij dacht dat de brief van [de ex-partner] van 12 mei 2019 alleen over de verkoop van de woning ging en de reactie van [naam2] op die brief ook. Ermee geconfronteerd dat de brief van 12 mei 2019 ook over de uitkoopregeling ging, heeft [de cliënt] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de brief van 12 mei 2019 later onder de e-mail van 13 mei 2019 moet zijn gekopieerd. Dit betoog kan niet worden gevolgd. [de cliënt] heeft erkend dat hij de e-mail van 13 mei 2019 heeft ontvangen. In die e-mail verwijst [naam2] naar de brief van [de ex-partner] van 12 mei 2019, die er onder staat en vraagt hij naar de uitkoopregeling. Dat de brief zou zijn gekopieerd heeft [de cliënt] niet voldoende onderbouwd, gelet op de overeenkomende onderwerpregels en het feit dat de onderwerpregel van de e-mail van 13 mei 2019 begint met “FW” hetgeen erop duidt dat er een andere e-mail wordt doorgestuurd. Daarbij komt dat [de cliënt] wel wist van een brief over de verkoop van de woning, wat ongeloofwaardig maakt dat hij de brief van 12 mei 2019 in het geheel niet heeft gekregen. Verder heeft [naam2] vervolgens een concept-antwoord op de brief van [de ex-partner] voorgelegd aan [de cliënt] , waar [de cliënt] zich vervolgens in kon vinden, en heeft [naam2] dat antwoord aan [de ex-partner] gestuurd. In dat antwoord wordt niet alleen op de verkoop van de woning ingegaan maar ook op de vorderingen die [de ex-partner] verder in de brief van 12 mei 2019 benoemt, waaronder de restantvordering onder de uitkoopregeling. Daarmee heeft [de cliënt] , tegenover de gemotiveerde betwisting door [de advocaat c.s.] , onvoldoende onderbouwd dat de stuitingsbrief hem niet heeft bereikt.

3.24.

[de cliënt] heeft verder nog aangevoerd dat de brief hem niet heeft bereikt omdat [naam2] hem alleen bijstond in de zaak over de verkoop van de woning en niet zijn advocaat was wat betreft de uitkoopregeling, zodat [naam2] geen verklaringen daarover namens [de cliënt] in ontvangst kon nemen. Dat betoog is evenmin voldoende onderbouwd, gelet op de correspondentie tussen [naam2] en [de cliënt] waarin de uitkoopregeling expliciet aan bod komt en de brief van [naam2] aan [de ex-partner] waarin de vorderingen die [de ex-partner] op grond van de uitkoopregeling benoemt, van de hand worden gewezen. Daarmee worden niet alleen door [de ex-partner] maar ook door [naam2] beide kwesties met elkaar verbonden; in ieder geval mocht [de ex-partner] er bij die stand van zaken van uitgaan dat [naam2] [de cliënt] ook wat betreft de uitkoopregeling bijstond.

3.25.

Het hof constateert dat [de cliënt] in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij de brief van 12 mei 2019 en de e-mail van 13 mei 2019 niet heeft ontvangen. Het gaat hier om een feit dat van wezenlijk belang is voor de beslissing van de zaak. Immers, als geen sprake is van verjaring, behoefde [de advocaat] geen verjaringsverweer te voeren. Door niet volledig en naar waarheid te verklaren over de ontvangst van de stuitingsbrief heeft [de cliënt] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv geschonden.

3.26.

[de cliënt] heeft verder aangevoerd dat, ook al zou hij de brief van 12 mei 2019 hebben ontvangen, [de ex-partner] dat in de procedure tussen hen beiden niet zou hebben kunnen bewijzen, zodat een verjaringsverweer wel was geslaagd. [de cliënt] heeft betoogd dat [naam2] zich, bij een eventueel getuigenverhoor met betrekking tot de stuiting, op zijn verschoningsrecht zou hebben (moeten) beroepen en dat [de cliënt] zelf in de procedure tegen [de ex-partner] zou hebben verklaard de brief niet te hebben ontvangen. Dat betoog komt erop neer dat [de cliënt] ook in de procedure tegen [de ex-partner] de waarheidsplicht zou schenden en dat [de advocaat] daar als advocaat aan zou (moeten) meewerken. Dat standpunt is verwerpelijk en behoort niet te worden gevolgd. [de cliënt] mocht niet van [de advocaat c.s.] verlangen dat zij daar aan zou hebben meegewerkt. Voor zover nog nodig verbindt het hof aan de schending van artikel 21 Rv de gevolgtrekking dat [de cliënt] niet voldoende heeft toegelicht dat een verjaringsverweer in de procedure tegen [de ex-partner] kans van slagen zou hebben gehad. Van een beroepsfout is geen sprake.

3.27.

Het hof tekent hierbij aan dat dit niet de enige schending van de waarheidsplicht door [de cliënt] is in deze procedure. [de advocaat] heeft zich als verweer beroepen op het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van [het advocatenkantoor] , wat betreft haar aansprakelijkheid in privé. In de memorie van grieven heeft [de cliënt] aangevoerd dat hij geen algemene voorwaarden heeft ontvangen en dat hij die niet heeft ondertekend, zodat deze niet van toepassing zijn. Bij de dagvaarding in eerste aanleg heeft [de cliënt] de brief overgelegd waarin [de advocaat c.s.] de opdracht bevestigt. Onderaan die brief, onder de handtekening van [de advocaat] , staat: “Voor akkoord met de inhoud van deze brief, de inhoud van de algemene voorwaarden en ter bevestiging van de goede ontvangst van de algemene voorwaarden.” Onder die zin staat de naam van [de cliënt] ingevuld en heeft [de cliënt] zijn handtekening gezet. Bij de memorie van antwoord heeft [de advocaat c.s.] een kopie van het door [de cliënt] ondertekende exemplaar van de algemene voorwaarden overgelegd. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de cliënt] , hiermee geconfronteerd, verklaard dat hij de algemene voorwaarden wel heeft gekregen maar niet mee naar huis heeft genomen. Ook hier heeft [de cliënt] niet naar waarheid verklaard, totdat hij met stukken werd geconfronteerd die zijn verklaring onhoudbaar maakten. Het hof rekent [de cliënt] deze berekenende, kwalijke opstelling ernstig aan.

3.28.

Het hof verbindt aan beide schendingen van de waarheidsplicht het gevolg dat [de cliënt] , die de proceskosten van het hoger beroep moet dragen, wordt veroordeeld tot betaling van een hoger liquidatietarief (VII) dan gebruikelijk bij een vordering van deze omvang (V). Het hof, dat ambtshalve gevolgen mag verbinden aan de schending van artikel 21 Rv, gaat daarmee deels voorbij aan de verklaring van [de advocaat c.s.] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep dat zij, omdat zij haar aanspraak op vergoeding van de werkelijke proceskosten niet verder heeft onderbouwd, genoegen zal nemen met het liquidatietarief.

De conclusie

3.29.

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [de cliënt] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de cliënt] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Dat, zoals [de cliënt] heeft aangevoerd, [de advocaat c.s.] verzekerd is, maakt niet dat zij geen aanspraak kan maken op veroordeling in de proceskosten; artikel 237 Rv voorziet niet in een uitzondering van die strekking. Onder de te betalen proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 7

3.30.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4De beslissing

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 8 januari 2025;

4.2.

veroordeelt [de cliënt] tot betaling van de volgende proceskosten van [de advocaat c.s.] :

€ 6.803 aan griffierecht;

€ 11.238 aan salaris van de advocaat van [de advocaat c.s.] (2 procespunten x tarief VII à € 5.619 per punt);

4.3.

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

4.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, D. Visser en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

1

Zie (met datum 22 januari 2025) ECLI:NL:RBGEL:2025:1.

2

HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, rov. 3.4.1 en HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540, rov 3.2.

3

Gerechtshof Amsterdam, 14 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1747, rov. 3.8.

4

HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, rov. 3.3.

5

HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1180, rov 3.3 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8449, rov. 3.5.

6

Conclusie A-G Valk, 27 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:37 sub 2.15, voor HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:755 en Gerechtshof Amsterdam, 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3113, rov. 2.6.

7

HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733