Essentie (gemaakt door AI)
Erflater laat drie kinderen na; eiser doet een beroep op zijn legitieme portie. Na derdenbeslag op rekening van gedaagde (zoon van vereffenaar) wordt in tussenvonnis een gerechtelijke verklaring verlangd met stukken. Gedaagde verklaart zonder onderbouwing en onjuist over door hem voor moeder gehouden gelden. Onder verwijzing naar art. 477a Rv wordt gedaagde veroordeeld het door moeder aan eiser verschuldigde bedrag (€ 246.909,52, plus rente) aan de deurwaarder te betalen als ware het zijn eigen schuld. Gedaagde wordt in de proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 11-06-2026 |
| Zaaknummer | C/13/763855 / HA ZA 25-241 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Legitieme portie; Familieprocesrecht; Beslag |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Gerechtelijke verklaring derde-beslagene is onvolledig/onjuist. In het tussenvonnis van 12 november 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de juistheid van de verklaring van gedaagde kan worden getwijfeld. Zij heeft gedaagde daarom veroordeeld een gerechtelijke verklaring af te leggen, onderbouwd met stukken, van wat hij voor zijn moeder in privé onder zich houdt. De gedaagde heeft een gerechtelijke verklaring afgelegd die niet voldoet aan de wettelijke eisen. In dit eindvonnis veroordeelt de rechtbank daarom gedaagde om het door zijn moeder aan eiser verschuldigde bedrag aan de deurwaarder te voldoen als ware het zijn eigen schuld.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763855 / HA ZA 25-241
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. A.J. van de Graaf,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. C. Ravesteijn.
De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en [gedaagde] .
1Deze zaak in het kort
[eiser] , [naam 2] en [naam 3] zijn de kinderen van erflater [erflater] . [naam 3] is enig erfgenaam en [eiser] en [naam 2] zijn onterfd. [naam 3] was vereffenaar van de nalatenschap. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie.
[eiser] heeft vorderingen op de nalatenschap in verband met zijn legitieme portie. De rechtbank heeft [naam 3] op vordering van [eiser] onder dwangsom veroordeeld om een aantal documenten aan [eiser] te verstrekken en de rechtbank heeft [naam 3] veroordeeld om een voorschot op de legitieme portie te betalen. Omdat [naam 3] hier niet aan voldeed, heeft [eiser] verschillende keren (derden)beslag gelegd op bankrekeningen van erflater en van [naam 3] . Hij heeft ook beslag gelegd op een bankrekening van [gedaagde] , de zoon van [naam 3] , die met haar een bewaarnemingsovereenkomst had gesloten. [gedaagde] heeft een verklaring moeten afleggen van wat hij van [naam 3] onder zich had.
In het tussenvonnis van 12 november 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de juistheid van de verklaring van [gedaagde] kan worden getwijfeld. Zij heeft [gedaagde] daarom veroordeeld een gerechtelijke verklaring af te leggen, onderbouwd met stukken, van wat hij voor [naam 3] in privé onder zich houdt. [gedaagde] heeft een gerechtelijke verklaring afgelegd die niet voldoet aan de wettelijke eisen. In dit eindvonnis veroordeelt de rechtbank daarom [gedaagde] om het door [naam 3] verschuldigde bedrag aan de deurwaarder te voldoen als ware het zijn eigen schuld.
2Het verdere verloop van de procedure
In het dossier zitten:
- het tussenvonnis van 12 november 2025 met de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis),
- de gerechtelijke verklaring van [gedaagde] van 3 december 2025,
- de akte uitlating van [eiser] van 28 januari 2026 met producties,
- de akte uitlating gedaagde van [gedaagde] van 25 februari 2026.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.
3Feiten
De rechtbank verwijst voor de relevante feiten naar paragraaf 3 van het tussenvonnis.
4Het geschil
De rechtbank heeft in het tussenvonnis de vordering onder I van [eiser] toegewezen. Zij heeft [gedaagde] veroordeeld om:
“(…) binnen vier weken een schriftelijke en door hem ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen hij ( [gedaagde] ) van [naam 3] in privé onder zich heeft en/of aan [naam 3] in privé verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [naam 3] in privé zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [naam 3] in privé verschuldigd zal worden (…)”.
[gedaagde] heeft bedoelde gerechtelijke verklaring afgelegd. Daarin staat onder andere:
“ (…) [gedaagde] (…) verklaart en belooft, dat:
Hij niets van [naam 3] in privé onder zich heeft;
Hij niets aan [naam 3] in privé verschuldigd is;
Hij niets zal verkrijgen van [naam 3] in privé uit een reeds bestaande rechtsverhouding;
Hij niets verschuldigd zal worden aan [naam 3] in privé uit een reeds bestaande rechtsverhouding. (…)”
De rechtbank constateert dat hij bij zijn gerechtelijke verklaring geen stukken heeft overgelegd.
In dit eindvonnis beoordeelt de rechtbank de andere vorderingen van [eiser] . Samengevat vordert hij verder dat de rechtbank:
II. Nadat de gerechtelijke verklaring door [gedaagde] is afgelegd en door de rechtbank is vastgesteld wat [gedaagde] van [naam 3] in privé heeft of aan haar verschuldigd is, [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van het bedrag dat [eiser] van [naam 3] in privé te vorderen heeft op grond van het vonnis in incident van 22 maart 2023;
III en IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] betwist de gerechtelijke verklaring van [gedaagde] . Volgens hem is deze verklaring, net als de eerdere verklaring, onvolledig, feitelijk onjuist en niet onderbouwd. De toelichting van [gedaagde] is bovendien onbegrijpelijk, aldus [eiser] . De gerechtelijke verklaring voldoet daarom niet aan de wettelijke vereisten, zodat de rechtbank de vorderingen II, III en IV ook moet toewijzen.
[gedaagde] voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.
5De verdere beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] het bedrag dat [naam 3] verschuldigd is aan [eiser] moet betalen, omdat de gerechtelijke verklaring in strijd met de wet niet met bewijsstukken is onderbouwd. Doordat bewijsstukken ontbreken kan zij bovendien niet vaststellen dat het bedrag dat op de rekening van [gedaagde] stond van de nalatenschap afkomstig was of van [naam 3] in privé. De rechtbank volgt dus het standpunt van [eiser] en legt dat hieronder verder uit.
Zoals de rechtbank heeft overwogen in het tussenvonnis ontstaat bij derdenbeslag voor de derde-beslagene ( [gedaagde] ) de verplichting om buitengerechtelijk een verklaring af te leggen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Deze verklaring moet voldoen aan de eisen die in de wet staan.
1 Dit betekent dat de verklaring volledig moet zijn en zoveel mogelijk onderbouwd moet zijn met schriftelijke bewijzen.
2 [gedaagde] had weliswaar een dergelijke verklaring afgelegd, maar deze was niet compleet.
Nadat de rechter tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak [gedaagde] had meegedeeld dat hij nog niet aan zijn wettelijke verplichtingen had voldaan, heeft zij in het tussenvonnis [gedaagde] opgedragen een nieuwe verklaring op te stellen, ditmaal voorzien van een onderbouwing. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk meegedeeld dat [gedaagde] stukken moet laten zien waaruit blijkt of het bedrag van € 700.000 dat op zijn rekening stond afkomstig is van [naam 3] in privé of van de nalatenschap. In het tussenvonnis staat daarover verder: “Daarbij dient [gedaagde] er rekening mee te houden dat hij ook voor die verklaring de verplichting van artikel 476b Rv heeft, dat zijn verklaring op de waarheid berust en de inhoud ervan waar mogelijk moet worden onderbouwd met schriftelijke stukken waaruit de juistheid van de inhoud van de verklaring blijkt.” [gedaagde] heeft desondanks zijn gerechtelijke verklaring niet onderbouwd met stukken. Dat hierover niets is opgenomen in het dictum (‘6. de beslissing’) ontslaat [gedaagde] niet van deze wettelijke verplichting. De rechtbank heeft [gedaagde] in het tussenvonnis uitdrukkelijk op de wettelijke verplichting gewezen. Er ontbreekt ook een duidelijke toelichting bij de gerechtelijke verklaring van [gedaagde] .
De door de rechtbank in het tussenvonnis geconstateerde onduidelijkheden zijn er dus nog steeds.
3 Er zijn bovendien aanwijzingen dat de gerechtelijke verklaring onwaar is.
Zo blijkt uit de volledige versie van de overeenkomst van bewaarneming van 28 februari 2019 dat [gedaagde] € 1.331.524,99 van [naam 3] in bewaring heeft gekregen. De eerder door [gedaagde] genoemde bedragen van € 700.000 (genoemd in de buitengerechtelijke verklaring) en € 626.000 (genoemd in de akte van 10 september 2025) zijn dus onjuist.
In de overeenkomst staat weliswaar dat het gaat om gelden van de nalatenschap maar dat blijkt verder nergens uit. In de overeenkomst staat verder in artikel 2: “(…) Het Geldbedrag blijft de volle eigendom van [naam 3] , die daarover te allen tijde geheel of gedeeltelijk zal kunnen beschikken. (…)” Hierin leest de rechtbank juist een aanwijzing dat het in bewaring gegeven bedrag van [naam 3] in privé was. De herkomst van dit geldbedrag is dus nog steeds onduidelijk.
Verder blijkt uit een iets vollediger versie van het door [gedaagde] overgelegde afschrift van diens bankrekening eindigend op . [nummer 1] dat [gedaagde] in de periode 25 augustus 2024 tot en met 28 maart 2025 vanaf zijn rekening bedragen van in totaal € 23.964 heeft (terug)gestort op de privé bankrekening van [naam 3] eindigend op . [nummer 2] . Terecht wijst [eiser] er op dat dit een aanwijzing is dat [gedaagde] de betreffende bedragen in eerste instantie ook van [naam 3] in privé heeft ontvangen en dat hij het geld dus ook ten tijde van het beslag (16 juli 2024) voor [naam 3] in privé onder zich hield.
In het licht van de onderbouwing door [eiser] van zijn stelling dat [naam 3] een vordering op [gedaagde] heeft
4, heeft [gedaagde] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd.
5 Het lag op de weg van [gedaagde] om dit te doen, ook omdat het gaat om informatie waarover hij alleen beschikt, onder meer afschriften van zijn bankrekening en de bewaarrekening. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, heeft hij de stelling van [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bedrag op de rekening van [gedaagde] van [naam 3] in privé was en niet tot het nalatenschapsgeld behoorde. Dit betekent dat op het moment van de beslaglegging [naam 3] een vordering had op [gedaagde] om het geld dat hij voor haar bewaarde terug te betalen. Het bedrag dat door de beslaglegging is getroffen op 16 juli 2024 wordt geacht ten minste € 700.000,- te zijn. Bij gebrek aan een juiste en volledige verklaring stelt de rechtbank het bedrag dat door het beslag is getroffen hierop vast.
De conclusie is dat [gedaagde] in gebreke is door geen onderbouwende stukken over te leggen en door een onjuiste verklaring af te leggen, wat in strijd is met artikel 477a Rv. Niet is gesteld of gebleken dat de verklaring “door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd”.
6 Dus [gedaagde] wordt verantwoordelijk gehouden voor de niet nakoming van de verplichtingen uit de wet. De conclusie is dat [gedaagde] zijn verplichting tot het afleggen van een juiste verklaring niet is nagekomen.
Gevolgen onjuiste verklaring
Terecht stelt [eiser] dat een gerechtelijke verklaring die niet voldoet aan de wettelijke eisen in haar gevolgen gelijk wordt gesteld aan het geval dat in het geheel geen verklaring is afgelegd. Artikel 477a lid 1 Rv bepaalt dat indien de derde-beslagene in gebreke blijft een verklaring te doen, hij op vordering van de executant ( [eiser] ) wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar. Verder komen de kosten volgens deze bepaling voor rekening van de derde-beslagene (“De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.”).
Het gevolg van een en ander is dat [gedaagde] , als de derde-beslagene, het bedrag waarvoor beslag is gelegd zelf moet afgeven aan de beslaglegger.
7 De rechtbank houdt er daarbij geen rekening mee dat [gedaagde] het bedrag al heeft afgegeven aan de vereffenaar, want dat mocht hij niet doen. In het beslagexploot is namelijk zoals bepaald in de wet het bevel opgenomen dat [gedaagde] “het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte”.
8 Dat hij zich niet heeft gehouden aan dit bevel komt voor zijn rekening en risico.
9 Het bedrag van € 246.909,52 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2024 en de kosten dient [gedaagde] aan de beslagleggende deurwaarder over te maken. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] onder II toe zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten (vordering III en IV)
[gedaagde] krijgt ongelijk. In afwijking van het uitgangspunt dat ieder de eigen kosten betaalt als het een rechtszaak tussen familieleden is, oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] de proceskosten van [eiser] moet betalen. Aanleiding daarvoor is dat [gedaagde] in weerwil van zijn wettelijke plicht tot twee keer toe een onjuiste verklaring (zonder stukken) heeft afgelegd terwijl deze procedure niet nodig was geweest als hij meteen een deugdelijke verklaring had afgelegd.
De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser] op:
- dagvaarding € 146,14
- griffierecht € 331,-
- salaris advocaat € 2.285,50 (3,5 punten × tarief II € 653,-)
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.951,64
De rechtbank wijst ten slotte de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten ook toe.
6De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 246.909,52 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 juli 2024 en de kosten, door dit bedrag aan de beslagleggende deurwaarder over te maken ten behoeve van [eiser] ;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.951,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Zie alinea 5.3 van het tussenvonnis.
Zie alinea 5.4 van het tussenvonnis.
Zie alinea’s 5.4 en 5.5 van dit eindvonnis en alinea 5.4 van het tussenvonnis.
Zie r.o. 3.3. van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).
Zie artikel 154 Rv.
Zie productie 18 bij dagvaarding en artikel 475 lid 1 onder a Rv.
Zie alinea 5.6 van het tussenvonnis.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
