Rechtbank Den Haag 28-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14048

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waarin vervangende toestemming voor verhuizing van minderjarige naar India is afgewezen na belangenafweging ([[ECLI:NL:HR:2008:BC5901]]). Hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader nu moeder naar India wil verhuizen. Zorgregeling: vijf weken zomervakantie bij moeder in India, videobellen ongelimiteerd en verblijf bij moeder tijdens haar Nederlandbezoeken. Partneralimentatie € 500 p.m. tot maximaal [dag 2] 2030. Geen huwelijksgemeenschap naar Indiaas recht; verdeling eenvoudige gemeenschap (echtelijke woning). Geen grondslag in

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Artikel 1:165 BW biedt geen grondslag om samen na echtscheiding in woning te blijven
Vrouw verzoekt om gedurende zes maanden na inschrijving echtscheidingsbeschikking samen met man in echtelijke woning te verblijven. Daar is geen wettelijke grondslag voor. Voortgezet gebruik zonder man evenmin gelet op hoofdverblijf kind.

Datum publicatie11-06-2026
ZaaknummerC/09/678650 / FA RK 25-306
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Familievermogensrecht; Gebruik woning
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding. Geen vervangende toestemming verhuizing naar India. Geen huwelijksgemeenschap naar Indiaas recht. Verdeling eenvoudige gemeenschap. Geen grondslag in art. 1:165 BW voor verzoek medebewoning echtelijke woning.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-306 (scheiding) en FA RK 25-5697 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/678650 (scheiding) en C/09/689199 (verdeling)

Datum beschikking: 28 april 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 15 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.C. Burger in Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.D. Haytink in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man;

  • de brief van 3 februari 2025, met bijlagen, namens de man;

  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw ingekomen op 1 april 2025;

  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met voorwaardelijke aanvullende verzoeken en met bijlagen, namens de man ingekomen op 8 mei 2025;

  • het verweer tegen de voorwaardelijke aanvullende verzoeken, met zelfstandig aanvullend verzoek en met bijlagen, namens de vrouw ingekomen op 30 juni 2025;

  • het verweer tegen het aanvullend zelfstandig verzoek, namens de man ingekomen op

17 juli 2025;

  • het bericht van 14 november 2025, met bijlagen, namens de vrouw;

  • de brief van 10 maart 2026, met aanvullend zelfstandig verzoek en met bijlagen, namens de vrouw;

  • het bericht van 19 maart 2026, met bijlagen, namens de man.

Op 31 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en tolk M. Bink, de vrouw met haar advocaat en tolk J.N. Bekker-Ouwendyk, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Door de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [dag 1] 2015 in [plaats 1] , India.

  • Zij zijn de ouders van het minderjarige kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .

  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

  • De man en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Indiase nationaliteit.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – na wijziging – echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] :

  • indien de vrouw besluit om in Nederland, meer in het bijzonder [plaats 2] , te blijven wonen, bij de vrouw;

  • indien de vrouw besluit om te verhuizen naar India, bij de man;

  • vaststelling van een zorgregeling:

  • indien de vrouw besluit om in Nederland, meer in het bijzonder [plaats 2] , te blijven wonen, waarbij sprake is van een co-ouderschap, waarbij [minderjarige] week op week af bij ieder van de ouders verblijft en met een evenredige verdeling van de vakanties en feestdagen;

  • indien en voor zover aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar India te verhuizen, waarbij de man gerechtigd in [minderjarige] gedurende vier aaneengesloten weken per jaar in de zomervakantie in Nederland of daarbuiten en bepaling dat de vrouw de vliegtickets voor de minderjarige voor haar rekening neemt, alsook bepaling dat de man gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben gedurende de perioden dat hij buiten de zomervakantie in India zal verblijven alsook bepaling dat de man ongelimiteerd FaceTime contact met [minderjarige] mag hebben;

  • verklaring voor recht dat, indien en voor zover de vrouw gerechtigd is tot de ontvangst van een bijdrage in haar levensonderhoud, de onderhoudsverplichting een maximale duur heeft tot [dag 2] 2030, zijnde de dag waarop [minderjarige] de leeftijd van twaalf jaar bereikt;

  • verklaring voor recht dat partijen naar Indiaas recht gerechtigd zijn tot de op zijn/haar naam staande vermogensbestanddelen, zonder nadere verrekening,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig – na wijziging – als de echtscheiding wordt uitgesproken om nevenvoorzieningen tot:

- primair: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw in [plaats 1] , India, en vervangende toestemming voor verhuizing van [minderjarige] met de vrouw naar [plaats 1] , India te verlenen;

subsidiair: vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] waarbij de minderjarige gedurende zes weken per jaar in de zomer bij de vrouw in India zal verblijven, en bepaling dat de man de kosten voor de vliegtickets van [minderjarige] voor zijn rekening neemt, de vrouw gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben gedurende de perioden dat zij buiten de zomervakantie in Nederland zal verblijven alsook bepaling dat de vrouw ongelimiteerd Facetime contact met [minderjarige] mag hebben;

- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van

€ 1.341,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van verhuizing van de vrouw naar India, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum;

- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van verhuizing van de vrouw naar India, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum;

  • bepaling dat de vrouw bevoegd is tot medebewoning naast de man van de echtelijke woning aan de [adres] , alsmede tot het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende zes maanden na inschrijving van de te wijzen echtscheidingsbeschikking;

  • vaststelling van de verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] , conform het voorstel van de vrouw,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om op het verzoek tot echtscheiding te beslissen.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie voor [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de ouders niet in staat waren om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank de man toch ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De man stelt zich op het standpunt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De vrouw betwistte in haar verweerschrift dat er sprake was van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij inmiddels berust in het verzoek tot echtscheiding en ook wil scheiden. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Vervangende toestemming verhuizing naar India

Omdat dit een verstrekkend verzoek is dat gevolgen heeft voor de beslissing over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie, ziet de rechtbank aanleiding eerst het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de door haar gewenste verhuizing naar India te bespreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het voorliggende verzoek.

Juridisch kader

Uit vaste jurisprudentie – onder meer het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 – volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van kinderen alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen en tegen elkaar moeten worden afgewogen. Dit kan er ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de kinderen. Het gaat dan onder andere om:

  • het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

  • de noodzaak om te verhuizen;

  • de mate waarin de verhuizing is doorgedacht en voorbereid;

  • de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  • de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in vertrouwde omgeving;

  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin hij is geworteld in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

De rechtbank benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden.

Bij het maken van een belangenafweging overweegt de rechtbank dat de vrouw in beginsel het recht heeft om in vrijheid haar leven opnieuw in te richten en samen met [minderjarige] een leven op te bouwen in India. Dit recht van de vrouw wordt echter begrensd door het belang van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader en het belang van de man om zorg te dragen voor [minderjarige] . Om deze redenen moet de rechtbank beoordelen of het belang van [minderjarige] zich tegen een verhuizing verzet en moet de rechtbank een afweging maken van de belangen van de ouders en [minderjarige] .

Standpunten partijen

De vrouw stelt dat zij geen zelfstandig bestaan in Nederland kan opbouwen, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en mede daardoor geen (geschikte) baan kan vinden. In India werkte de vrouw in de kantooradministratie, maar vanwege de taalbarrière lukt het haar in Nederland alleen om werk in de logistiek te vinden. Daarvoor is de vrouw niet opgeleid en het werk is voor haar fysiek erg zwaar. Inmiddels heeft zij geen baan meer, omdat haar contract niet is verlengd. Ook met eventuele kinderalimentatie en partneralimentatie kan de vrouw onvoldoende inkomen genereren om een particuliere woning te huren. De vrouw wil daarom sowieso terug naar India verhuizen, ook als er geen vervangende toestemming wordt verleend voor een verhuizing van [minderjarige] naar India. De vrouw kan met [minderjarige] in India bij haar moeder wonen en verwacht dat zij haar oude werkzaamheden als receptioniste daar weer kan oppakken.

De man verzet zich tegen een verhuizing van [minderjarige] naar India, omdat die niet in zijn belang is. De man ziet geen noodzaak voor de verhuizing. Dat de vrouw beperkt inkomen verwerft rechtvaardigt niet een verhuizing van [minderjarige] naar de andere kant van de wereld. De vrouw kan een taalcursus volgen. Daarnaast heeft de man aangeboden dat de vrouw twee jaar lang in de echtelijke woning mag verblijven terwijl zij een baan en woonruimte zoekt, waarbij de man de hypotheeklasten zal dragen. Bovendien is de verhuizing niet goed doordacht of voorbereid. Het is niet duidelijk waar [minderjarige] naar school zal gaan en of de vrouw in India makkelijk een baan kan vinden. Voor de man is terugverhuizen naar [plaats 1] geen optie. Het gezin woont al jarenlang in Nederland en de man en [minderjarige] zijn hier geworteld. [minderjarige] woont al vanaf zijn geboorte in Nederland, gaat hier naar school en heeft hier zijn vriendjes. Ook biedt zijn schoolgang hier hem veel betere studiekansen.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank zal de vrouw geen vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] naar India te verhuizen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De wens van de vrouw om terug te gaan naar India is invoelbaar. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarin de noodzaak tot verhuizing naar India is gelegen en dat zij niet haar leven in Nederland zou kunnen voortzetten. De vrouw heeft niet aangetoond dat het voor haar niet mogelijk is om een passende baan te vinden en/of een taalcursus Nederlands te volgen. Ook heeft de vrouw niet onderbouwd dat zij actie heeft ondernomen om haar leven hier op te bouwen. De stelling van de man dat de vrouw haar inburgeringscursus heeft afgebroken is niet door de vrouw betwist. Voor het door de vrouw geschetste probleem ten aanzien van het niet kunnen vinden van een woonruimte heeft de man aangeboden dat zij gedurende twee jaar in de voormalige echtelijke woning kan verblijven, maar de vrouw wil van dat aanbod geen gebruik maken. Verder neemt de rechtbank in haar oordeel mee dat er al langere tijd nauwelijks communicatie tussen partijen is, terwijl zij op dit moment nog in hetzelfde huis wonen. Zij communiceren alleen wanneer dat echt noodzakelijk is voor [minderjarige] . Partijen zijn daarom onvoldoende in staat om goed met elkaar te overleggen ten aanzien van alles dat voor [minderjarige] geregeld zou moeten worden bij een verhuizing naar het buitenland.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft doordacht hoe zij haar leven in India met [minderjarige] vorm zal gaan geven. De vrouw heeft niet aangetoond waar zij feitelijk zal wonen, los van de stelling dat zij bij haar moeder zal intrekken. Ook heeft de vrouw niet onderbouwd waar [minderjarige] naar school zou gaan, wat de baankansen van de vrouw in India zijn en hoe zij haar werk zou combineren met de zorg voor [minderjarige] . De vrouw heeft aangegeven dat zij met een internationale school contact heeft opgenomen, maar zij heeft niet genoemd welke school dit is of hiervan stukken overgelegd. Op de zitting heeft de vrouw ook gezegd dat zij zich nog geen voorstelling kan maken van hoe haar leven en dat van [minderjarige] er in India uit zou zien. Bovendien lijkt de vrouw niet na te hebben gedacht over wat een goed moment voor [minderjarige] zou zijn om te vertrekken naar India, mede gelet op zijn schoolgang. Beide ouders hebben op de zitting aangegeven dat [minderjarige] het erg leuk vindt op school en dat hij leuke vriendjes heeft. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij binnen anderhalve maand na de beschikking naar India wil vertrekken en dat zij het moment daarvoor laat afhangen van de prijzen voor vliegtickets. Daarmee lijkt de vrouw onvoldoende rekening te houden met de belangen van [minderjarige] .

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bij deze stand van zaken niet in belang van [minderjarige] is om naar India te verhuizen. Het verzoek van de vrouw voor vervangende toestemming hiervoor zal daarom worden afgewezen.

Hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .

Inhoudelijke beoordeling

Aangezien het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar India te verhuizen wordt afgewezen en de vrouw heeft verklaard ook zonder [minderjarige] naar India te zullen verhuizen, zal de rechtbank in het belang van [minderjarige] bepalen dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft. Het verzoek van de man hiertoe zal daarom worden toegewezen.

Zorgregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige] .

Inhoudelijke beoordeling

De ouders zijn het erover eens dat, wanneer de vrouw naar India is verhuisd, [minderjarige] een groot gedeelte van de zomervakantie bij de vrouw zal doorbrengen. Zij zijn het er alleen niet over eens hoe lang die periode zal zijn. De vrouw wil graag dat [minderjarige] zes weken bij haar doorbrengt en de man stelt een vakantie van vier weken voor. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om [minderjarige] zo lang mogelijk bij zich te hebben in de zomervakantie. Aangezien de zomervakantie zes weken duurt, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat hij niet direct uit school op een vlucht naar India moet stappen en direct na de terugvlucht weer naar school moet. De rechtbank zal daarom vaststellen dat [minderjarige] in de zomervakantie vijf weken bij de vrouw (in India) is. Daarmee heeft hij even de tijd om zich voor te bereiden op de vakantie en/of te acclimatiseren bij terugkomst in Nederland.

Verder zijn de ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] ongelimiteerd met de vrouw kan videobellen. Ook hebben zij afgesproken dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft gedurende de perioden dat zij buiten de zomervakantie in Nederland zal verblijven. De rechtbank zal conform deze overeenstemming tussen de ouders beslissen, omdat zij deze afspraken ook in het belang van [minderjarige] acht.

De rechtbank wijst de ouders er nogmaals op dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders zullen proberen om samen afspraken te maken over hun onderlinge contact en het contact tussen de vrouw en [minderjarige] wanneer zij inderdaad naar India verhuist. Zoals ook al op de zitting is besproken lijkt het de rechtbank raadzaam dat de ouders zich hiervoor wenden tot het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering voor deelname aan crossborder mediation.

Kindbrief

De (kinder)rechters hebben in deze procedure niet met [minderjarige] gesproken. Gelet op de ingrijpende verandering die de verhuizing van de vrouw naar India op het leven van [minderjarige] heeft vindt de rechtbank het wel belangrijk om haar beslissingen over de verhuizing, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan [minderjarige] uit te leggen. De rechtbank heeft daarom besloten om hierover een brief aan [minderjarige] te sturen, ook zodat hij dit eventueel later kan teruglezen. Aangezien [minderjarige] met beide ouders Engels spreekt en naar een internationale school gaat, heeft de rechtbank besloten om hem deze brief in het Engels te schrijven. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige] heeft ontvangen. Deze brief wordt op dezelfde dag verzonden als de beschikking.

Dear [minderjarige] ,

You don’t know us, but we are three judges at the family court in The Hague. Your parents are separating and have asked us to help them making decisions regarding their divorce.

One of these decisions is whether you will move to India with your mother or whether you’ll stay in the Netherlands with your father. Your mother wants to move back to India and she really wants you to move with her. Your father thinks it is best for you to stay in the Netherlands. We have talked to both your parents about this and we have decided that it is best for you to stay in the Netherlands. We know this is a really big decision in your life and that is why we think it is important to explain to you why we have made this decision.

You were born in India, just like your parents, but you have lived with your parents in the Netherlands as a family most of your life. Your parents told us that you really enjoy your international school here and that you have a lot of friends. Since your parents are getting a divorce, your mother wants to move back to India. Moving to India would be a great change for you. You would live very far away from your father and see him a lot less. You would also have to move to a different house, go to a different school and live in another culture. We are of the opinion that a possible move to India hasn’t been prepared well enough. It is not clear where you will go to school and how your mother will arrange the combination of work and taking care of you., We see this as a problem, especially taking into account the impact this move would have on your life. That is why we have decided that for now it is best for you to stay in the Netherlands, so you can keep going to the same school and stay with your friends.

However, your mother will move to India, even if you cannot come with her. That means that you will remain here with your father. It also means that you will see your mother a lot less than you do now. Your parents have agreed that you can (video)call your mother anytime that you want. During the summer holidays you will stay with her in India for five weeks. Your parents have also agreed that when your mother is in the Netherlands, you will stay with her.

We realize that it will be a big change for you when your mother moves to India. We wish you all the best adjusting to the new situation.

Kind regards,

The family court judges

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de ouders en [minderjarige] in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft een door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie verzocht voor het geval dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar India te verhuizen. Nu dat verzoek wordt afgewezen komt de rechtbank niet toe aan het beoordelen van het verzoek voor kinderalimentatie.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie kennis te nemen.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 Nederlands recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank neemt bij de berekening en vaststelling van de partneralimentatie als uitgangspunt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport). De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.

De vrouw verzoekt een bijdrage in haar levensonderhoud van € 500,- bruto per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd en verzoekt een bedrag van € 227,- per maand vast te stellen.

Ingangsdatum

Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de ingangsdatum gewijzigd naar de datum van haar verhuizing naar India. De rechtbank zal bepalen dat als ingangsdatum van de partneralimentatie de datum van inschrijving van de echtscheiding of de datum van de verhuizing van de vrouw naar India zal gelden, waarbij bepalend is welk moment eerder komt.

Behoefte vrouw en draagkracht man

De rechtbank zal de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van de zogeheten hofnorm, inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan. Voor het bepalen van de behoefte van de vrouw berekent de rechtbank, conform de hierover bereikte overeenstemming van partijen op de zitting, eerst het NBI van partijen in 2025, uitgaande van de tarieven van de periode 2025-I.

Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 328,- per week, zoals blijkt uit de loonstroken van augustus tot en met november 2024. Daarbij gaat de rechtbank ook uit van 8% vakantiegeld, de aanvullende ziektewet premie van € 2,- per week en de WGA premie van € 4,- per week. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 1.454,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Aan de zijde van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 121.430,- per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 5.974,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Het NBGI van partijen bedraagt daarmee (€ 1.454,- + € 5.974,- =) € 7.428,- per maand. Daarop moeten de kosten voor [minderjarige] in mindering worden gebracht. Volgens de alimentatieberekening bedragen de kosten van [minderjarige] € 981,- per maand, zodat er bij de berekening van de behoefte van de vrouw uit wordt gegaan van een NBGI van € 6.447,- per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 3.868,- netto per maand (60% van € 6.447,-). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw

€ 4.046,- netto per maand.

De man stelt dat het leven in India goedkoper is dan in Nederland en dat daarom de Big Mac index moet worden toegepast op de behoefte van de vrouw. De rechtbank volgt de man hierin niet, omdat partijen gewend zijn te leven op het (prijspeil)niveau van een expat. Deze levensstandaard moet de vrouw na het huwelijk voort kunnen zetten. De rechtbank is van oordeel dat niet is aangetoond dat de levensstandaard van een expat in India aanmerkelijk lager ligt dan het door de vrouw verzochte bedrag van € 500,- per maand.

Uit de door de man overgelegde berekening van zijn draagkracht volgt dat hij ruimschoots voldoende draagkracht heeft om het bedrag van € 500,- per maand te voldoen. Aangezien de vrouw niet meer heeft verzocht dan € 500,- per maand aan partneralimentatie komt de rechtbank niet aan een berekening van het meerdere toe.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding, dan wel de datum van verhuizing van de vrouw naar India als die datum eerder valt, de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 500,- bruto per maand zal betalen. Daarbij zal de rechtbank bepalen, conform de overeenstemming van partijen, dat de onderhoudsverplichting een maximale duur heeft tot

[dag 2] 2030.

Afwikkeling huwelijksvermogen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen.

De huwelijksdatum van partijen ligt tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019, namelijk op [dag 1] 2015. Daardoor is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing.

Artikel 4 van het Verdrag luidt als volgt:

  • Indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen.

  • Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit:

  1. indien door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;

  2. indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:

a. in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of

b. in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;

3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.

(3) Bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden.

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht, zodat hun huwelijksvermogensregime in beginsel wordt beheerst door het recht van de staat waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden. Tussen partijen is niet in geschil dat zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in India hebben gevestigd. Hoewel ook niet in geschil is dat partijen tijdens de huwelijkssluiting de Indiase nationaliteit gemeenschappelijk hadden, doet zich geen van de in artikel 4 lid 2 van het Verdrag genoemde uitzonderingen voor. Op grond daarvan overweegt de rechtbank dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking wordt beheerst door het Indiase recht.

Partijen zijn gehuwd onder de Hindu Marriage Act 1955. Ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht bevat deze wet geen regels. Daaruit kan worden afgeleid dat het huwelijk van partijen geen rechtsgevolg heeft voor de vermogens van partijen, wat overeenkomt met een volledige uitsluiting van enige vorm van gemeenschap van goederen. Wel is het naar het toepasselijke Indiase recht mogelijk om goederen in gemeenschappelijke eigendom te hebben. Die gemeenschap is dan niet het gevolg van het huwelijk, maar eerder vergelijkbaar met een gemeenschap van Boek 3 Titel 7 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek.

Aangezien partijen gezamenlijk een koopwoning bezitten, merkt de rechtbank dit aan als een dergelijke gemeenschap die tussen partijen verdeeld moet worden.

Echtelijke koopwoning

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de echtelijke koopwoning wordt verdeeld aan de hand van het door de vrouw daarvoor opgestelde spoorboekje. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Over twee punten in dit spoorboekje bestaat een geschil tussen partijen, zodat de rechtbank daarop zal beslissen. De rechtbank zal bepalen dat de man binnen twee maanden na de taxatie, dan wel uiterlijk twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als dit op een later moment is, aan de vrouw zal laten weten of hij in staat is om de woning over te nemen, gelet op de overige bepalingen in het spoorboekje waar partijen het wel over eens zijn. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat ook een eventuele onderwaarde door beide partijen gedragen moet worden. Dat is het uitgangspunt en de rechtbank ziet in dat wat door de vrouw hierover is aangevoerd geen reden om daarvan af te wijken.

Gebruik echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De echtelijke woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4 lid 3 aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek over het gebruik van de echtelijke woning.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt om te bepalen dat zij gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mede met de man de echtelijke woning mag bewonen. Zij beroept zich hiervoor op artikel 1:165 BW. De man verweert zich hiertegen en geeft aan dat het gelet op de spanningen tussen partijen niet wenselijk is om nog langer gezamenlijk in de woning te verblijven. Daarnaast twijfelt de man aan de wettelijke grondslag van dit verzoek.

De rechtbank kan op grond van artikel 1:165 lid 1 BW op verzoek van een echtgenoot bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 1:165 BW geen wettelijke grondslag biedt voor het verzoek van de vrouw. Aangezien de wettekst spreekt over het “jegens de andere echtgenoot” bevoegd zijn tot bewoning, oordeelt de rechtbank dat dit artikel alleen ziet op de situatie dat één van de echtgenoten bevoegd is tot de bewoning van de woning en niet ziet op medebewoning. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de vrouw afwijzen.

Voor zover de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning heeft willen verzoeken acht de rechtbank dat gelet op de bepaalde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man niet aangewezen. De rechtbank merkt verder op dat de man in de stukken en op de zitting heeft aangeboden om mee te denken over een oplossing voor de huisvesting van de vrouw. De rechtbank gaat ervan uit dat de man dit zal doen, zodat de vrouw in ieder geval een onderkomen heeft voor de tijd dat zij nog in Nederland is en partijen in mediation gaan.

Proceskosten

Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag 1] 2015 in [plaats 1] , India;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

*

stelt vast dat [minderjarige] bij de vrouw in India zal zijn gedurende vijf weken in de zomervakantie en gedurende de perioden dat de vrouw buiten de zomervakantie in Nederland zal verblijven, en stelt vast dat [minderjarige] ongelimiteerd met de vrouw kan videobellen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dan wel de datum van verhuizing van de vrouw naar India als die datum eerder valt, tot maximaal [dag 2] 2030, een partneralimentatie van € 500,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;

b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie, dan wel uiterlijk twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als dit op een later moment is, aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;

c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de eventueel aan de woning gekoppelde beleggingsverzekering ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de eventueel aan de woning gekoppelde beleggingsverzekering ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. de Jong-Kwestro, C.L. Strop en T.M. Coppes, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733