Rechtbank Midden-Nederland 27-05-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3077

Essentie (gemaakt door AI)

Zaak over gestelde geldlening tussen broers waarin [eiser] €17.312,50 terugvraagt. Kantonrechter honoreert het beroep van [gedaagde] op afstand van recht op basis van e-mail van [eiser]; vorderingsrecht is tenietgegaan (art. 6:160 lid 1 en 2 BW). Ten overvloede: lening van €15.000,00 wordt aannemelijk geacht; daarop strekt €5.000,00 (betaling door vader) en €600,00 in mindering. Vordering in conventie wordt afgewezen. Reconventie van [gedaagde] tot €3.171,00 uit nalatenschap moeder wordt wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Afstand van recht - broer kan geen aanspraak meer maken op terugbetaling lening
Uit art. 6:160 BW volgt dat een verbintenis teniet gaat door een overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar. Aanbod tot afstand is aanvaard als het niet direct is afgewezen. Bericht broer is duidelijk. En daad bij het woord gevoegd.

Datum publicatie09-06-2026
Zaaknummer11600383 \ MC EXPL 25-1481
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlmere
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

In conventie gaat het over geldlening tussen broers. beroep op afstand van recht slaagt. Vordering in conventie wordt afgewezen. Eis in reconventie wordt eveneens afgewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11600383 \ MC EXPL 25-1481

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. J. Wagenmakers (van De Rechtsagent B.V.),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. W.Y. Hofstra.

1De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van 23 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 11 december 2025 is bepaald;

- de akte(s) van [eiser] met producties 14A en 15;

- het verzoek van mr. Hofstra om aanhouding van de zaak wegens medische redenen;

- het bericht van de rechtbank dat de mondelinge behandeling op 11 december 2025 geen doorgang zal vinden. Partijen werd tevens verzocht of zij gebruik zouden willen maken van de mogelijkheid tot mediation;

- de aktes uitlating van partijen, waarin partijen hebben aangegeven af te zien van de mogelijkheid tot mediation;

- de brief van 29 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 9 maart 2026 is bepaald.

1.2

De zaak is op 9 maart 2026 bij de kantonrechter besproken. [eiser] is verschenen en bijgestaan door mr. Wagenmakers. [gedaagde] is verschenen en bijgestaan door mr. Hofstra. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2De verdere beoordeling

Over de vordering van [eiser] (in conventie)

2.1

[eiser] zegt dat hij in totaal € 17.312,50 aan [gedaagde] heeft geleend en wil dat [gedaagde] dit bedrag aan hem terugbetaalt. [gedaagde] is het daar om verschillende redenen niet mee eens. [gedaagde] meent dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht op terugbetaling dan wel zijn recht daarop heeft verwerkt. Volgens [gedaagde] gaat het daarnaast niet om leningen en klopt de hoogte van het gevorderde bedrag niet. De vraag is dus of [eiser] aan [gedaagde] geld heeft geleend, hoeveel geld er is geleend en of [gedaagde] , gelet op alles wat er is voorgevallen, (een deel van) dit bedrag nog aan [eiser] moet terugbetalen.

2.2

De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. Het beroep van [gedaagde] op afstand van recht slaagt. Dit betekent dat het vorderingsrecht van [eiser] teniet is gegaan. [gedaagde] hoeft niets aan [eiser] (terug) te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Waarom slaagt het beroep op afstand van recht?

2.3

[gedaagde] stelt dat, voor zover [eiser] een vorderingsrecht op hem heeft, [eiser] afstand van zijn recht tot terugbetaling van de verstrekte geldbedragen heeft gedaan (artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] afstand van zijn recht heeft gedaan en hij overweegt daartoe als volgt.

2.4

In artikel 6:160 lid 1 en 2 BW is bepaald dat een verbintenis teniet gaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen.

2.5

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het e-mailbericht van 17 oktober 2021 van [eiser] aan [gedaagde] en hun vader [vader] (hierna: [vader] ) (zie productie 3 van [eiser] ). Daarin heeft [eiser] geschreven:

Ik ben klaar met me kapot ergeren aan jullie en langs deze weg meld ik jullie dat je die in totaal 18500 euro mogen houden want ik ben klaar met dit gejank en jullie.(…) Ik heb allebei jullie nummers geblokkeerd dus contact hoeven jullie niet meer op te nemen met mij.(…)’.

[eiser] heeft daad bij zijn woord gevoegd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] hem nadien geruime tijd op alle mogelijke manieren geblokkeerd, zodat het voor [gedaagde] onmogelijk was contact met [eiser] op te nemen. [gedaagde] meent dan ook dat [eiser] hiermee afstand van zijn recht heeft gedaan.

2.6

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] met het voornoemde voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] een aanbod tot afstand heeft gedaan. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing heeft [eiser] onvoldoende ingebracht om daar anders over te denken. [eiser] zegt dat hij de e-mail in een hevige gemoedstoestand heeft geschreven. Dit is vanuit zijn perspectief invoelbaar, maar blijkt verder nergens uit. Het is bijvoorbeeld niet zo dat [eiser] korte tijd na het versturen van de e-mail op de inhoud ervan is teruggekomen. Ongeveer twee jaar later heeft [eiser] alsnog geld opgeëist. Omdat verder niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] het aanbod van [eiser] tot afstand van het geld onverwijld heeft afgewezen, is een eventuele terugbetalingsverplichting op grond van artikel 6:160 lid 1 en lid 2 BW teniet gegaan. De vordering van [eiser] tot betaling van € 17.312,50 wordt afgewezen. [gedaagde] hoeft dit bedrag van dus niet aan [eiser] (terug) te betalen.

Ten overvloede

2.7

Omdat het beroep op afstand van recht slaagt, komt de kantonrechter niet meer toe aan de bespreking van de overige verweren en de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser] . Echter, de kantonrechter ziet – gelet op de relatie tussen partijen en wat [eiser] naar voren heeft gebracht om toentertijd de bedragen aan [gedaagde] te verstrekken – toch aanleiding om de vordering van [eiser] inhoudelijk te bespreken. De kantonrechter wil benadrukken dat de bespreking van de vordering van [eiser] geen invloed heeft op de beslissing in deze zaak, maar wellicht dat dit partijen een opening geeft om alsnog (in de toekomst) met elkaar in gesprek te gaan.

2.8

[eiser] stelt dat hij in totaal € 17.312,50 aan [gedaagde] heeft uitgeleend. Het gaat daarbij om (i) leningen voor vaste lasten van in totaal € 800,00 (= 2 x € 400,00), (ii) de betaling van de rekening van € 1.512,50 voor het [sportschool] sportschoolabonnement en (iii) de aan [A] – de ex-schoonmoeder van [gedaagde] – overgemaakte bedragen van in totaal € 15.000,00 (3 x € 5.000,00) voor de aankoop van een aandeel in en verbouwing van de schuur. Hierna worden de voornoemde bedragen ieder afzonderlijk besproken.

(i) Vaste lasten

2.9

[gedaagde] heeft in het verleden diverse malen geld van [eiser] geleend, onder andere voor betaling van zijn vaste lasten. [gedaagde] heeft die geleende bedragen – in totaal € 3.016,00 – aan [eiser] terugbetaald. Dat volgt ook uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften (productie 1 van [gedaagde] ). De betalingen op de bankafschriften komen overeen met het overzicht dat [gedaagde] van [eiser] heeft ontvangen (productie 2 van [gedaagde] ). Dit verweer van [gedaagde] slaagt. [gedaagde] was het bedrag van € 800,00 niet meer aan [eiser] verschuldigd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

2.10

[eiser] heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat hij het overzicht in productie 2 heeft opgesteld, maar de in het overzicht in productie 2 van [gedaagde] genoemde posten komen wel overeen met het overzicht uit productie 13D van [eiser] zelf. Op basis van beide overzichten kan vastgesteld worden dat [eiser] in het verleden in ieder geval € 3.016,00 aan [gedaagde] heeft uitgeleend. Beide partijen betwisten dit ook niet. Dit (totaal)bedrag van € 3.016,00 ziet op de post ‘diverse leningen’ van € 1.456,00, de post ‘sportschool’ van € 1.510,00 en de post ‘stappen op 18-05’ van € 50,00. [gedaagde] heeft dit bedrag van € 3.016,00 aan [eiser] terugbetaald. Dat volgt uit punt 4 van de dagvaarding.

2.11

Niet kan worden uitgesloten dat de in deze procedure gevorderde leningen voor vaste lasten inbegrepen zijn in de post ‘diverse leningen’ en dus al zijn betaald. [eiser] heeft onvoldoende naar voren gebracht om daar anders over te denken. [gedaagde] is € 800,00 (= 2 x € 400,00) aan leningen voor de vaste lasten dan ook niet aan [eiser] meer verschuldigd.

(ii) Het [sportschool] sportschoolabonnement

2.12

[gedaagde] erkent dat [eiser] de kosten voor het [sportschool] sportschoolabonnement voor hem heeft voorgeschoten, maar die kosten heeft hij al aan [eiser] terugbetaald. Dit verweer van [gedaagde] slaagt. [gedaagde] is het bedrag van € 1.512,50 niet aan [eiser] verschuldigd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

2.13

Op de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat er slechts sprake is van één [sportschool] sportschoolabonnement dat [eiser] voor [gedaagde] heeft betaald. [eiser] heeft (in het verleden) geen andere sportschoolabonnementen voor [gedaagde] betaald, zodat er ook geen misverstand over kan bestaan over welke sportabonnement partijen het hebben. Zoals hiervoor is vastgesteld, zit in de door [gedaagde] betaalde lening van € 3.016,00 ook een post ‘sportschool’. Die post ‘sportschool’ kan dus alleen zien op het nu door [eiser] gevorderde bedrag voor het [sportschool] sportschoolabonnement. Met de volledige terugbetaling van de lening van € 3.016,00 heeft [gedaagde] de kosten voor het [sportschool] sportschoolabonnement al aan [eiser] terugbetaald. Omdat de kosten voor het [sportschool] sportschoolabonnement al door [gedaagde] zijn betaald kan [eiser] die nu niet nog een keer van [gedaagde] vorderen. [gedaagde] is het bedrag van € 1.512,50 voor het [sportschool] sportschoolabonnement daarom niet aan [eiser] verschuldigd.

(iii) De aan mevrouw [A] overgemaakte geldbedragen

2.14

[gedaagde] betwist dat hij een bedrag van € 15.000,00 van [eiser] heeft geleend. Het geld is bovendien aan mevrouw [A] overgemaakt en niet aan hem. Voor zover er wel sprake is van een geldlening dan moet er nog een bedrag van € 5.000,00 af, omdat [vader] dat bedrag voor hem aan [eiser] heeft betaald. Dit verweer van [gedaagde] slaagt deels. De kantonrechter is van oordeel dat er wel sprake is van een geldlening tussen partijen voor het bedrag van € 15.000,00. Op dit geleende geldbedrag strekt in mindering een betaling van € 5.000,00, die [vader] namens [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald, en een bedrag van € 600,00, die [gedaagde] te veel had terugbetaald in het kader van de eerdere geldlening van € 3.016,00. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

Waarom is er tussen [eiser] en [gedaagde] sprake van een geldlening van € 15.000,00?

2.15

[gedaagde] betwist dat hij voor de aankoop en verbouwing van de schuur in totaal € 15.000,00 van [eiser] heeft geleend. Die betwisting overtuigd niet. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld – en is door [gedaagde] onvoldoende betwist – dat [gedaagde] naar hem was toe gekomen met de vraag of hij geld kon lenen. [gedaagde] kon met zijn toenmalige vriendin [B] (hierna: [B] ) namelijk een schuur op het erf van de oma van [B] kopen. Met het geld zou [gedaagde] zijn aandeel in de schuur kunnen kopen en konden hij en [B] de schuur verbouwen tot een woning, zodat zij daar samen konden wonen. Op verzoek van [gedaagde] heeft [eiser] drie betalingen van € 5.000,00 naar de bankrekening van de toenmalige schoonmoeder van [gedaagde] – mevrouw [A] – overgemaakt. Verder blijkt uit de overgelegde e-mailwisseling en WhatsAppberichten tussen [eiser] en [gedaagde] dat [gedaagde] die overgemaakte geldbedragen ook heeft gezien als een geldlening aan hem, die hij nog aan [eiser] moest terugbetalen. Op 4 augustus 2018 heeft [eiser] per WhatsApp [gedaagde] geschreven:

Ok Regel jij wel dat ik uiterlijk volgende week zaterdag antwoord krijg van jou en [B] . Ik wil eind deze maand een gewoon hebben dat jullie een maandelijks bedrag gaan betalen.’(zie productie 13B van [eiser] ).

Hierop heeft [gedaagde] geantwoord:

Ja ik ga dr mailen en dan antwoord verwachten.’

Vervolgens heeft [gedaagde] op 4 augustus 2018 per e-mail [B] geschreven:

Het is tijd om concreet te worden over de financiële vwb de schuur. Uit mijn hoofd staat nog open een bedrag 1x 5000 euro (investering schuur), 1x10000 euro (inkoop 25% eigenaarsdeel) (…).Ik verwacht 15 augustus een concreet antwoord hoe deze openstaande bedragen maandelijks afgelost gaan worden door jullie.’ (zie productie 2 van [eiser] ).

Op 12 september 2018 heeft [eiser] per WhatsApp geschreven:

Al iets gehoord van [B] ?

En heeft [gedaagde] hierop gereageerd:

Ja maar niks zeggen de. Ik heb geleend dus mijn problerm.’ (zie productie 13D van [eiser] ).

Ook heeft [gedaagde] in reactie op het WhatsAppbericht van [eiser] , waarin [eiser] [gedaagde] had bericht dat [gedaagde] tot eind december de tijd zou krijgen om te regelen dat [B] zou gaan betalen en als [B] dat niet zou doen [gedaagde] vanaf januari maandelijks € 400,00 zou gaan terugbetalen, geantwoord dat hij het zou gaan regelen en dat [eiser] van hem zou gaan horen (zie productie 13E van [eiser] ).

2.16

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat de drie overgemaakte geldbedragen van in totaal € 15.000,00 in het kader van een geldlening aan [gedaagde] zijn verstrekt. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenovergesteld om daar anders over te denken. [gedaagde] is dit bedrag van € 15.000,00 in beginsel aan [eiser] verschuldigd.

Waarom moet de betaling van € 5.000,00 van [vader] in mindering gebracht worden op de geldlening van € 15.000,00?

2.17

[gedaagde] meent echter dat dit bedrag nog verminderd moet worden met een bedrag van € 5.000,00, omdat [vader] voor hem ter aflossing van de geldlening € 5.000,00 heeft betaald. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat de geldlening van € 15.000,00 verminderd moet worden met het bedrag van € 5.000,00 en wel om het volgende.

2.18

[eiser] heeft gesteld dat [vader] € 5.000,00 heeft betaald ter aflossing van zijn eigen schuld en niet ter aflossing van de schuld van [gedaagde] . [eiser] heeft zijn standpunt op dit punt echter onvoldoende onderbouwd. Daarentegen heeft [gedaagde] onderbouwd gesteld dat uit de gevoerde correspondentie tussen [eiser] en hem volgt dat [eiser] de door [vader] verrichte betaling van € 5.000,00 ook heeft aangemerkt als een betaling voor de schuld van [gedaagde] aan [eiser] . Dat volgt uit het e-mailbericht van 16 juni 2021 van [eiser] aan [gedaagde] , waarin [eiser] zelf heeft geschreven:

Maar zoals net al gezegd zijn we bijna 4 jaar verder en heb ik buiten de 5000 euro die jij vervolgens weer van papa leent NIKS mogen ontvangen en schuil jij achter een rechtszaak die er maar niet komt.’(zie productie 3 van [gedaagde] ).

[eiser] heeft dit nogmaals herhaald in zijn e-mail van 17 oktober 2021 aan [gedaagde] , waarin [eiser] heeft geschreven:

[gedaagde] leen ik (net als jou) GEHEEL ONBAATZUCHTIG 15000 euro omdat ik dat (net als jou) ook mijn broer gunde. Ik wacht inmiddels vier jaar op TIEN DUIZEND EURO maar het is allemaal niet zoals het lijk hoor nee.

Dat de betaling afkomstig is van [vader] maakt het oordeel niet anders, omdat een ander – in dit geval [vader] – ook voor een ander – [gedaagde] – kan betalen. Ook het feit dat [eiser] de betaling van € 5.000,00 van [vader] in mindering heeft gebracht op de vordering die hij had op [vader] , maakt het oordeel niet anders. Immers, het is de keuze van [eiser] geweest om die betaling van € 5.000,00 (ook) in mindering te strekken op zijn vordering op [vader] . [gedaagde] staat daar buiten. [eiser] kan dit [gedaagde] dan ook niet tegenwerpen.

Conclusie

2.19

Vaststaat dat [eiser] een geldlening van in totaal € 15.000,00 aan [gedaagde] heeft verstrekt. Op deze geldlening strekt in mindering een bedrag van € 5.000,00, dat [vader] namens [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald, en een bedrag van € 600,00 dat [gedaagde] te veel zou hebben betaald in het kader van een eerdere geldlening (zie punt 4 van de dagvaarding). Hierdoor resteert er van de geldlening nog een bedrag van € 9.400,00 (= € 15.000,00 -
€ 5.000,00 - € 600,00), dat [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd zou zijn als er geen sprake was van afstand van recht.

Over de vordering van [gedaagde] (in reconventie)

2.20

[gedaagde] vordert – samengevat – betaling van € 3.171,00. Dit bedrag ziet op de helft van de nalatenschap van hun moeder. [eiser] en hij zijn namelijk de enige erfgenamen van de nalatenschap van hun moeder. De nalatenschap van hun moeder bestond uit contanten van in totaal € 3.450,00 en sieraden, die in haar woning zijn aangetroffen. De waarde van die sieraden wordt door [gedaagde] geschat op € 3.492,00. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] het geld en de sieraden destijds in samenspraak meegenomen toen zij het huis van hun moeder leeghaalden. Hij heeft echter recht op de helft van die nalatenschap. Eerder had hij al € 300,00 uit de nalatenschap ontvangen, zodat hij van [eiser] nog een bedrag van € 3.171,00 (= (€ 3.450,00 + € 3.492,00) : 2 - € 300,00) tegoed heeft, aldus [gedaagde] .

2.21

[eiser] heeft de vordering van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Volgens [eiser] heeft hij de genoemde contanten en sieraden niet meegenomen en waren die ook niet aanwezig in de woning van hun moeder. Wel had hij de bankrekening van hun moeder in beheer, maar daarmee zijn de kosten van de uitvaart, de belastingaanslag en de laatste huur betaald. Daarnaast heeft hij alleen nog een kettinkje van zijn moeder, die [gedaagde] van hem mag hebben, aldus [eiser] .

2.22

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van € 3.171,00 af en wel om het volgende.

2.23

[eiser] heeft gemotiveerd de omvang en de aanwezigheid van de sieraden en contanten in de woning van hun moeder betwist. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen en aan te tonen dat de door hem gestelde hoeveelheid geld en sieraden in de woning van hun moeder aanwezig was én dat [gedaagde] die contanten en sieraden ook heeft meegenomen uit de woning van hun moeder. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Weliswaar heeft [gedaagde] verwezen naar de verklaringen van [C] en [D] (zus van hun moeder, hierna: [D] ) en mevrouw [E] (schoonzus, hierna: [E] ) (zie productie 5 van [gedaagde] ), echter die verklaringen bieden geen steun aan het standpunt van [gedaagde] . Uit de verklaring van [D] volgt hooguit dat er in de woning een blikje met geld (met briefjes van € 50,00) is aangetroffen, maar niet hoeveel er in het blikje zat en al helemaal niet het bedrag dat [gedaagde] heeft genoemd. Verder volgt uit de verklaring van [D] niet dat [eiser] het blikje met geld heeft meegenomen. Uit de verklaringen van [D] en [E] is af te leiden dat de moeder van [eiser] en [gedaagde] sieraden had, maar niet dat al die opgesomde sieraden ten tijde van haar overlijden ook aanwezig waren én dat [eiser] die zou hebben meegenomen. Ook het WhatsAppbericht in productie 6 van [gedaagde] , waarin het bedrag van € 3.450,00 wordt genoemd, biedt geen steun aan het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] het bedrag van € 3.450,00 aan contanten uit de woning van hun moeder heeft meegenomen. In het betreffende WhatsAppbericht wordt slechts het bedrag van € 3.450,00 genoemd zonder enige context. Daar komt bij dat [eiser] in zijn conclusie van antwoord in reconventie dit gemotiveerd heeft betwist. Volgens [eiser] zag het genoemde bedrag op de reissom die hij voor een pakketreis naar Thailand had betaald (zie punt 23 van conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht zodat de kantonrechter daarom niks met het bewijsaanbod van [gedaagde] – om [D] en [E] te horen – hoeft te doen.

2.24

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Dit betekent dat [eiser] het bedrag van € 3.171,00 niet aan [gedaagde] hoeft te betalen.

Waarom wordt de nevenvordering afgewezen?

2.25

Omdat de hoofdsom is afgewezen, wordt ook de nevenvordering die ziet op de wettelijke rente over de hoofdsom ook afgewezen.

In conventie en reconventie

Waarom worden de proceskosten gecompenseerd?

2.26

Omdat beide partijen ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1

wijst de vordering van [eiser] af,

in reconventie

3.2

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

in conventie en reconventie

3.3

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026.

HHt/37278



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733