Essentie (gemaakt door AI)
Kinderalimentatie. Ontvankelijkheid, draagkracht en schulden. Man ontvankelijk in hoger beroep ondanks eerdere instemming, onder verwijzing naar HR [[ECLI:HR:2024:968]]. Behoefte kinderen vastgesteld aan de hand van inkomens 2018; indexering tot 2024/2025. Inkomensgrondslag man: loon €56.000 uit eigen B.V.; geen dividendruimte. Rekening-courantschuld buiten beschouwing; coronabelastingschuld wel meegewogen. Vanaf 17 juni 2025 rekening met omvangrijke belastingschuld; minimale draagkracht. Kinderbijdrage verlaagd naar €195, €147, €157, €25 en €26 per maand per dataNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 08-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.355.365/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Wijziging van omstandigheden; Familieprocesrecht; Ontvankelijkheid |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kinderalimentatie. Ontvankelijkheid. Draagkracht, schulden.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.365/01
zaaknummer rechtbank: C/15/351656/FA RK 24-2016
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: aanvankelijk mr. A.H.J.M. van Hoof te Laren, nu zonder advocaat,
en
[de vrouw] ,
wonende te [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. F.S.C. Thijsse te Den Helder.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en de opvoeding (hierna: de kinderalimentatie) ten behoeve van de kinderen van partijen.
De rechtbank heeft op verzoek van partijen de door de man te betalen kinderalimentatie gewijzigd met ingang van 12 april 2024. De man is het daar niet mee eens en stelt dat hij de (door partijen overeengekomen) bijdrage niet kan voldoen. Volgens de man heeft hij geen enkele draagkracht voor een kinderbijdrage.
De vrouw is van mening dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven..
2De procedure in hoger beroep
De man is op 5 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 6 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
De vrouw heeft op 28 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 14 november 2025 met bijlagen (prod. H26-H40),
- een bericht van de zijde van de vrouw van 21 november 2025 met bijlagen (prod. 5 t/m 7),
- een bericht van de zijde van de man van 28 november 2025 met bijlagen (prod. H35 en H41);
- een bericht van de zijde van de vrouw van 4 februari 2026 met bijlagen (prod. 8 t/m 10),
- een bericht van de zijde van de man van 6 februari 2026 met bijlage (aanvulling prod. H28).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Mr. van Hoof heeft zich bij bericht van 19 februari 2026 onttrokken als advocaat van de man.
3De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [gemeente] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 te [gemeente] .
De ouders hebben tot eind 2018 een relatie met elkaar gehad.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man heeft al langere tijd geen contact met de kinderen.
Bij beschikking van 6 mei 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw aan kinderalimentatie moet voldoen:
- € 147,- per kind per maand met ingang van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021;
- € 151,41 per kind per maand met ingang van 1 januari 2021 tot 1 maart 2021;
- € 105,- per kind per maand met ingang van 1 maart 2021.
Deze alimentatie bedraagt vanwege de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2024 € 117,50 per kind per maand en per 1 januari 2025 € 125,14 per kind per maand.
De man heeft sinds 14 augustus 2020 een geregistreerd partnerschap met [naam] . Zij zijn samen de ouders van:
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2021;
- [minderjarige 4] , geboren [in] 2024.
4De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van partijen en met wijziging van de beschikking van 6 mei 2021, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 12 april 2024 bepaald op € 509,- per kind per maand en met ingang van 11 november 2024 op € 383,- per kind per maand.
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 12 april 2024 op nihil wordt gesteld, althans in goede justitie een bedrag en ingangsdatum te bepalen.
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Aan de orde is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep bespreken.
Ontvankelijkheid
Het hof dient allereerst te beoordelen of de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Volgens de vrouw dient de man niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn hoger beroep omdat partijen gezamenlijk de rechtbank hebben verzocht de bijdrage te wijzigen en het verzoek van de man in eerste aanleg dus is toegewezen. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er volgens de vrouw niet toe om in een dergelijk geval gelegenheid te geven om de beschikking waarbij het verzoek is toegewezen, ongedaan te maken. De man heeft betwist dat hij niet-ontvankelijk zou zijn.
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in eerste aanleg een dag voor de zitting ingestemd met de door de vrouw verzochte hogere bijdrage, ondanks het feit dat hij eerder in de procedure had verzocht om verlaging van de bijdrage. De man stelt in hoger beroep dat kort na de beschikking gebleken is dat hij de vastgestelde bijdrage vanwege een gebrek aan draagkracht niet kan voldoen. Daarnaast stelt hij dat na de bestreden beschikking een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan zijn draagkracht verder is verlaagd. Het hof is van oordeel dat de man belang heeft bij zijn hoger beroep. Dat hij zijn verzoek in eerste aanleg heeft aangepast aan de in die procedure door de vrouw verzochte bijdrage doet daar niet aan af. Ook als een verzoek van een partij in eerste aanleg is toegewezen kan deze partij belang hebben bij het instellen van hoger beroep, het hoger beroep kan immers ook uitsluitend dienen tot verandering of vermeerdering van verzoek, zie Hoge Raad 28 juni 2024 (ECLI:HR:2024:968). Uit het voorgaande volgt dat de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Het hof zal hierna de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen inhoudelijk beoordelen. Het hof zal daarbij achtereenvolgens de ingangsdatum, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen bespreken.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft (op verzoek van partijen) de bijdrage voor twee periodes vastgesteld, te weten met ingang van 12 april 2024 en met ingang van 11 november 2024 (de geboorte van [minderjarige 4] ). De man verzoekt in hoger beroep een nihilstelling van de bijdrage met ingang van 12 april 2024. Omdat partijen verder geen debat over de ingangsdatum hebben gevoerd zal het hof van deze ingangsdatum uitgaan en de bijdrage opnieuw beoordelen met ingang van 12 april 2024 (hierna ook: periode I) en - voor zover nodig- met ingang van 11 november 2024 (hierna ook: periode II). De man heeft in zijn nagekomen stukken van 14 november 2025 aangevoerd dat met ingang van 17 juni 2025 rekening moet worden gehouden met nieuwe gegevens. Dit zal hieronder bij de draagkracht van de man worden besproken.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Tussen partijen is de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in geschil.
De man stelt dat aan de bij de rechtbank overeengekomen bijdrage een onjuiste behoefte van de kinderen van € 1.740,- per maand ten grondslag ligt. Hij voert hiertoe het volgende aan. De behoefte is gebaseerd op de inkomens van partijen in 2018. De man is ondernemer en volgens hem moet voor de vaststelling van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) gekeken worden naar het gemiddelde resultaat van meerdere jaren, omdat één jaar geen representatief beeld geeft van (de bestendige lijn in) zijn inkomen. De man gaat bij de berekening van het NBI uit van de winst uit onderneming over de jaren 2015 t/m 2018, te weten: € 37.195,- (2015), € 99.843,- (2016), € 72.483,- (2017) en € 82.141,- (2018). Daaruit volgt een gemiddelde fiscale winst uit onderneming van € 72.916,-. Dit resulteert in een NBI van € 4.168,- per maand. De vrouw was in 2018 in loondienst en genoot een bruto jaarinkomen van € 9.508,-. Dit resulteert in een NBI van € 792,- per maand. Het NBI bedroeg ten tijde van de samenleving dus € 4.960,- per maand. Geïndexeerd naar 2024 komt de man tot een behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.434,- per maand.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man hier aan toegevoegd dat hij ook in 2014 een lagere winst had en dat in ieder geval van het gemiddelde over de jaren 2015 t/m 2018 moet worden uitgegaan, althans van het gemiddelde over de jaren 2014 t/m 2018.
De vrouw is het niet eens met de berekening van de man. Partijen zijn eind 2018 uit elkaar gegaan, zodat de inkomensgegevens van partijen uit dat jaar relevant zijn voor het bepalen van de behoefte van de kinderen. De man had in 2018 een winst uit onderneming voor ondernemersaftrek ten bedrage van € 82.141,-. De vrouw had in 2018 een belastbaar jaarinkomen van € 9.508,-. Uitgaande van deze gegevens bedroeg de behoefte van de kinderen in 2018 € 1.356,- oftewel € 678,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen thans € 870,- per kind per maand. Als uit zou worden gegaan van een gemiddelde winst aan de zijde van de man is het gebruikelijk om het gemiddelde te nemen van drie jaar. De gemiddelde winst over de periode 2016 t/m 2018 is € 84.822,-. Dit betekent dat het peiljaar van 2018 (€ 82.141,-) wel representatief is. Sterker nog, het gemiddelde van de winst in de laatste drie jaren dat partijen in gezinsverband hebben samengeleefd lag zelfs iets hoger. Door 2015 mee te nemen bij de berekening van het gemiddelde wordt juist geen representatief beeld gegeven, aldus de vrouw.
Het hof zal de vrouw volgen in de berekening van het netto gezinsinkomen en de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en overweegt daartoe als volgt. De behoefte van de kinderen wordt gerelateerd aan de welstand waarin het gezin tijdens de samenwoning leefde. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in 2018 uit elkaar zijn gegaan en dat in beginsel van de inkomensgegevens van dat jaar moeten worden uitgegaan voor het bepalen van het gezinsinkomen en de daaruit volgende behoefte van de kinderen. Het inkomen van de vrouw in 2018 is evenmin tussen partijen in geschil. Wel in geschil is van welk inkomen aan de zijde van de man moet worden uitgegaan. Bij ondernemers is het niet ongebruikelijk om een gemiddelde van de laatste drie jaar als uitgangspunt te nemen omdat het resultaat per jaar aanmerkelijk kan verschillen. Als uit wordt gegaan van de laatste drie jaar (2016 t/m 2018) sluit dat gemiddelde inkomen van de man aan bij het resultaat uit 2018, het is zelfs nog iets hoger. De man heeft onvoldoende toegelicht waarom in het onderhavige geval vier jaar of zelfs vijf jaar moet worden meegenomen bij de bepaling van zijn gemiddelde inkomen. Dat het resultaat in 2014 en 2015 lager is geweest dan de drie jaren erna, is hiertoe onvoldoende, omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom die oude jaren nog relevant zijn voor de bepaling van de welstand van het gezin in 2018. Het hof merkt daarbij bovendien nog op dat [minderjarige 2] pas in 2017 is geboren. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om ook de winst uit de jaren 2014 en 2015 bij de berekening van het gezinsinkomen mee te nemen. Op grond van de inkomensgegevens van partijen uit 2018 bedroeg het gezinsinkomen, conform de berekening van de vrouw, € 5.602,- per maand en de daarmee corresponderende behoefte van de kinderen op grond van de behoeftetabel 2018 € 1.356,- per maand. Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.634,- per maand en in 2025 € 1.740,- per maand.
Behoefte [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
De man is daarnaast onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , zijn kinderen met zijn huidige partner. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de draagkracht van de man gelijkelijk over vier kinderen verdeeld kan worden. Gelet hierop behoeft de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en de draagkracht van de huidige partner van de man geen verdere bespreking.
Draagkracht
Om het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen vast te stellen moet de draagkracht van beiden worden berekend. Het hof ziet aanleiding eerst de draagkracht van de man te bespreken.
Draagkracht man
De man stelt dat hij geen draagkracht (meer) heeft om een bijdrage te voldoen. Hij voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Er is bij de afgesproken bijdrage uitgegaan van een te gunstige winst uit zijn onderneming. De man heeft een eenmanszaak en hij is DGA van [X] B.V. De jaarrekening over 2024 was ten tijde van indiening van het beroepschrift nog niet gereed, maar volgens de man heeft hij in dat jaar verlies geleden. De voorafgaande jaren was het resultaat wisselend, dit is volgens de man onder andere te verklaren door het ingrijpende verlies dat de man en zijn partner hebben geleden na het overlijden van hun pasgeboren dochter in 2022 waarvan de man de gevolgen in zijn dagelijks functioneren heeft ervaren en wat nog altijd zijn weerslag op zijn functioneren heeft.
De man keert zich met ingang van 2024 een salaris uit zijn B.V. uit van € 56.000,- bruto per jaar. Hij stelt, gelet op het resultaat, niet in staat te zijn zich een hoger salaris en/of dividend uit te keren. In de eenmanszaak vinden geen activiteiten meer plaats. Daarnaast is er sprake van schulden waar rekening mee moet worden gehouden. De man heeft een forse rekening-courantschuld aan zijn B.V. Deze bedroeg op 31 december 2023 € 83.550,-. Gelet op deze schuld acht de man het redelijk rekening te houden met een aflossingsverplichting van € 1.525,09 per maand, zodat hij in staat is deze schuld af te lossen in vijf jaar. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een rentepercentage van 2,5% per jaar, oftewel € 174,06 per maand. Dit levert ten tijde van het indienen van het appelschrift een totaalbedrag aan rente en aflossing op van € 1.699,15 per maand. Uitgaande van het inkomen van € 56.000,- en voornoemde rente en aflossing op de rekening-courant schuld heeft hij met ingang van 12 april 2024 geen enkele draagkracht om een bijdrage te voldoen.
Daarnaast stelt de man in zijn nagekomen stukken van 14 november 2025 dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, als gevolg waarvan zijn financiële situatie nog nijpender is geworden. Er heeft een boekenonderzoek door de belastingdienst plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de belastingdienst op 17 juni 2025 een aantal correcties opgelegd, zowel aan de man in privé als aan zijn besloten vennootschap. Mede als gevolg van deze naheffingen en boetes bedraagt de belastingschuld van de man in privé per 24 augustus 2025 € 167.461,- en de B.V. heeft een belastingschuld van € 24.297,50. De man verzoekt daarom om met nog een periode rekening te houden, te weten met ingang van 17 juni 2025, de datum van het rapport van de belastingdienst (hierna: periode III). Hij maakt een onderscheid in zijn lasten in de periode I en II en periode III.
Voor periode I en II handhaaft hij zijn standpunt dat rekening gehouden moet worden met de rekening-courantschuld. Hij wijzigt zijn standpunt in die zin dat hij van mening is dat rekening gehouden moet worden met een (hoger) rentepercentage van 4, in plaats van 2,5. Hoewel de belastingdienst heeft besloten voor het jaar 2021 met terugwerkende kracht een dividenduitkering op te leggen aan de man en de schuld met dat bedrag is verminderd, moet volgens de man toch rekening worden gehouden met de rekening-courantschuld van € 83.550,- omdat hij die schuld destijds feitelijk had. Daarnaast had de man een schuld aan de belastingdienst in verband met de in coronatijd verstrekte betalingsregelingen. Deze schuld bedroeg op 31 maart 2024 € 22.150,-. De man is een betalingsregeling met de belastingdienst overeengekomen waarbij hij vanaf februari 2023 maandelijks € 534,- aflost op de schuld. In de periode met ingang van 12 april 2024 (en de periode met ingang van november 2024) dient volgens de man dan ook rekening te worden gehouden met de volgende lasten:
- aflossing en rente rekening-courantschuld van € 1.671,- per maand;
- aflossing (en rente) belastingschuld € 534,- per maand.
Voor periode III is de man van mening dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de forse schuld die als gevolg van het boekenonderzoek aan de man is opgelegd. De nieuwe financieel adviseur van de man heeft een voorstel aan de belastingdienst gedaan om met € 2.000,- per maand op deze schuld af te lossen, zodat de schuld in acht jaar is afgelost, maar het is de vraag of de belastingdienst dit accepteert. In periode III moet bij de berekening van de draagkracht van de man daarom rekening worden gehouden met een aflossing op de schulden van tenminste € 2.000,- per maand.
De man heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat de rekening-courantschuld zo is opgelopen omdat hij opnames heeft gedaan om zijn hoofd boven water te kunnen houden.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. De vrouw wist dat de man een eenmanszaak had, zij was er echter niet van op de hoogte dat hij daarnaast ook een B.V. exploiteerde. Zij is primair van mening dat bij het berekenen van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van de verdiencapaciteit die hij had toen zijn inkomen volledig uit zijn eenmanszaak kwam.
Uit het oorspronkelijke verweerschrift van de man in eerste aanleg bleek dat het de afgelopen jaren erg goed ging met zijn onderneming. In 2022 bedroeg zijn winst uit onderneming voor ondernemersaftrek nog € 83.838,-. De te verwachten winst uit onderneming voor ondernemersaftrek over 2023 was destijds naar schatting van de accountant van de man zelfs € 100.000,-. Helaas zijn de uiteindelijke gegevens over het jaar 2023 in eerste aanleg niet door de man overgelegd. Uit zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2023 blijkt thans dat de man in 2023 een winst uit onderneming voor ondernemersaftrek had ten bedrage van € 72.286.- en dat hij zichzelf daarnaast nog een loon uit de B.V. heeft uitgekeerd ten bedrage van € 30.000,-.
Bij het bepalen van het inkomen van de man dient volgens de vrouw, naast het salaris, ook rekening te worden gehouden met het resultaat van de besloten vennootschap. Bij het bepalen van het inkomen van de man gaat het niet alleen om het salaris, maar ook om de inkomsten die hij als DGA redelijkerwijs kan verwerven, bijvoorbeeld door dividend uit te keren. Het is bovendien onduidelijk of de man in 2024 ook nog een inkomen uit zijn eenmanszaak heeft genoten. De man heeft ten tijde van het indienen van het verweerschrift de jaarrekening 2024 van zijn B.V. en zijn aangifte inkomstenbelasting 2024 niet overgelegd.
De vrouw is verder van mening dat bij het berekenen van de kinderbijdrage geen rekening gehouden dient te worden met de rekening-courantschuld van de man aan zijn besloten vennootschap. Het is onduidelijk hoeveel de schuld op dit moment nog bedraagt, mede gelet op het feit dat er een door de belastingdienst gecorrigeerde dividenduitkering heeft plaatsgehad, en in hoeverre hierop is afgelost. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de man structureel op deze schuld aflost zodat onduidelijk is of hierdoor zijn draagkracht daadwerkelijk vermindert. Daarnaast is dit volgens de vrouw een schuld van de man aan zichzelf aangezien hij ook DGA van de besloten vennootschap is. Bovendien is onvoldoende gesteld en bewezen waarom deze schuld niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is. Vanaf 1 juli 2025 wordt kinderalimentatie gezien als een 'preferente schuld'. Dat houdt in dat kinderalimentatie thans voorrang krijgt op andere schulden. Overige schulden van de man dienen dan ook geen voorrang te krijgen ten opzichte van zijn alimentatieverplichting.
De vrouw wijst erop dat de man met zijn stellingen eraan voorbij gaat dat er in beginsel altijd van uit wordt gegaan dat er een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee kinderen of meer is.
De vrouw heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat ook de schulden aan de belastingdienst als gevolg van het boekenonderzoek vermijdbaar en verwijtbaar zijn. De man had zijn cijfers op orde moeten hebben, de kinderen moeten niet de dupe worden van het handelen van de man, aldus de vrouw.
Het hof overweegt als volgt. De man is ondernemer. Aanvankelijk had hij zijn activiteiten ondergebracht in zijn eenmanszaak [XX] . In 2017 heeft hij [X] B.V. opgericht, waarvan hij 100% van de aandelen houdt. Per 1 januari 2024 zijn alle werkzaamheden ondergebracht in de besloten vennootschap en niet langer in de eenmanszaak. Sindsdien is de man formeel in loondienst bij zijn B.V. Zijn huidige jaarinkomen bedraagt € 56.000,- bruto.
De man heeft bij de nagekomen stukken van 14 november 2025 de jaarrekeningen van de B.V. en van de eenmanszaak van 2024 overgelegd. Volgens de jaarrekening van de B.V. bedroeg het bedrijfsresultaat (voor belastingen) in 2024 € 22.959,-. De eenmanszaak had in 2024 een negatief resultaat en een negatief eigen vermogen. Het hof zal gelet hierop met betrekking tot het inkomen van de man uitgaan van het salaris dat hij uit de B.V. ontvangt. De resultaten over 2024 zijn naar het oordeel van het hof niet zodanig dat de man zich naast zijn salaris dividend kan uitkeren. Het hof ziet ook geen aanleiding om, zoals de vrouw stelt, uit te gaan van de verdiencapaciteit die de man had toen hij nog een eenmanszaak had. De man heeft weliswaar in het verleden een hoger inkomen gehad, maar hij heeft toegelicht dat het resultaat van zijn onderneming wisselend is geweest en om verschillende redenen lager is geworden.
Ten aanzien van de door de man gestelde schulden overweegt het hof als volgt. Het hof zal in periode I en II geen rekening houden met de door de man gestelde rekening-courantschuld. De reden daarvoor is dat de belastingdienst een correctie heeft toegepast en voor het jaar 2021 met terugwerkende kracht een dividenduitkering heeft opgelegd aan de man van € 81.800,-, met welk bedrag de rekening-courantschuld is verminderd. De man stelt dat hij deze schuld in 2024 feitelijk wel had, maar hij heeft in die periode geen rente en aflossing op de schuld betaald. De schuld heeft dan ook niet geleid tot een beperking van zijn draagkracht voor deze periode in het verleden; daarnaast wordt die schuld in 2024 geacht bijna volledig te zijn ingelost met de door de belastingdienst opgelegde dividenduitkering voor 2021. Het hof acht het om die redenen redelijk om in de periode I en II geen rekening te houden met deze schuld. De stelling van de vrouw dat deze schuld verwijtbaar en vermijdbaar is hoeft daarom geen bespreking. De man heeft in periode I en II daarnaast een schuld opgevoerd aan de belastingdienst in verband met betalingsregelingen voor de coronaperiode. Hoewel de man deze schuld pas in de nagekomen stukken van 14 november 2025 heeft opgevoerd, is het hof van oordeel dat hij deze schuld voldoende (met stukken) heeft onderbouwd. Deze schuld is ook niet door de vrouw betwist. Daarnaast is deze schuld niet verwijtbaar of vermijdbaar zodat hiermee, te weten met een maandelijkse aflossing van € 534,-, rekening zal worden gehouden. Het hof houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting.
Uitgaande van voornoemde gegevens berekent het hof de draagkracht van de man voor periode I en II op € 293,- per maand. In periode I moet zijn draagkracht over drie kinderen worden verdeeld. Hij heeft dan beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 195,- per maand. In periode II moet de draagkracht van de man over vier kinderen verdeeld worden. De beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt in die periode (afgerond) € 147,- per maand.
Voor de periode met ingang van 17 juni 2025 (periode III) zal het hof aan de zijde van de man eveneens uitgaan van een bruto-inkomen van 56.000,- per jaar.
Ten aanzien van de lasten van de man in deze periode overweegt het hof als volgt. Uit de door de man op 14 november 2025 overgelegde stukken met betrekking tot het onderzoek van de belastingdienst blijkt dat aan de man (en aan de B.V.) verschillende boetes en naheffingen zijn opgelegd. Uit de door de man overgelegde overzichten blijkt dat zijn persoonlijke schuld aan de belastingdienst op 24 augustus 2025 in totaal € 167.461,- bedroeg en dat de schuld van de B.V. aan de belastingdienst op 29 oktober 2025 € 24.297,50 bedroeg. De man is nog in onderhandeling met de belastingdienst over een betalingsregeling. De man heeft in periode III geen rekening gehouden met een aflossing op de rekening-courantschuld, alleen met een aflossing aan de belastingdienst.
De vrouw heeft gesteld dat de schulden aan de belastingdienst verwijtbaar en vermijdbaar zijn en daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het hof overweegt dat een vermijdbare last een last is waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden, bijvoorbeeld wanneer deze schuld (geheel) met spaargeld kan worden afgelost of als hij de maandelijkse aflossingen kan verlagen en zich zo gedeeltelijk van die last kan bevrijden. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Het hof acht het, gelet op de omvang van de belastingschuld(en) van de man, niet aannemelijk dat de man zich van deze schuldenlast zou kunnen bevrijden. Ten aanzien van de verwijtbaarheid van de schulden overweegt het hof dat (een deel van) de schuldenlast van de man in die zin verwijtbaar lijkt te zijn, dat de jaarcijfers van zijn eenmanszaak en de B.V. door de belastingdienst zijn gecorrigeerd als gevolg waarvan naheffingen zijn opgelegd. Deze cijfers waren opgesteld door de voormalig financieel adviseur van de man. Uit het onderzoeksrapport van de belastingdienst blijkt dat de afspraken voor een slotbespreking door de financieel adviseur zijn geannuleerd. De financieel adviseur heeft blijkens het rapport op 11 juni 2025 als volgt op het rapport gereageerd: “Het zijn ontzettend veel correcties om na te kijken. Dit is vrijwel niet te doen zonder dat de klant hier dikke facturen voor krijgt. Ik ga ervanuit dat u uw werk goed heeft gedaan en zie de gecorrigeerde aanslagen wel tegemoet.” De man heeft de samenwerking met zijn financieel adviseur naar aanleiding van het boekenonderzoek per direct beëindigd en heeft aangegeven dat hij de financieel adviseur aansprakelijk zal stellen. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat onvoldoende gebleken is van zodanige verwijtbaarheid aan de zijde van de man dat de schuld buiten beschouwing moet blijven. Het hof zal bij de berekening van de kinderalimentatie dan ook rekening houden met deze schuld. Hoewel nog geen betalingsregeling is afgesproken met de belastingdienst, is het hof van oordeel dat de schuld van de man aan de belastingdienst dermate hoog is dat voldoende is onderbouwd dat de man met ingang van 17 juni 2025 een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand, die over vier kinderen verdeeld moet worden. Dat de man ook niet over deze minimale draagkracht zou beschikken, is door hem onvoldoende onderbouwd. Het hof zal voor periode III daarom uitgaan van een beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,- per maand.
Draagkracht vrouw
Ten aanzien van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens. Zij was in loondienst bij de Stichting Omring. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave 2024 in dat jaar € 28.897,-. Het hof berekent haar draagkracht op grond van deze gegevens in periode I en II op € 626,- per maand.
Met ingang van 1 november 2025 is zij in dienst bij de Stichting Zorggroep Tellus. De man heeft ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat het salaris van de vrouw iets lager is geworden, dat onduidelijk is waarom dit lager is zodat van een hogere verdiencapaciteit moet worden uitgegaan. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding en zal uitgaan van de gegevens zoals deze blijken uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van november 2025 t/m januari 2026.
Haar salaris bedraagt volgens de salarisstroken € 2.197,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering (8,3%). Het hof houdt verder rekening met een pensioenpremie en WGA hiaat premie, het kindgebonden budget, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het hof berekent haar draagkracht in periode III op grond van voornoemde gegevens op € 594,- per maand.
Aandeel ouders in de kosten van de kinderen
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de draagkracht van partijen zal het hof ieders aandeel in de kosten van de kinderen vaststellen. Het hof zal geen zorgkorting toepassen nu niet in geschil is dat de man al langere tijd geen contact heeft met de kinderen.
Periode I (met ingang van 12 april 2024)
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt € 1.634,- per maand. De voor hen beschikbare draagkracht van de man is € 195,- per maand.
De draagkracht van de vrouw is € 626,- per maand.
Partijen kunnen niet in de behoefte van de kinderen voorzien zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Het hof zal dan ook bepalen dat de man in deze periode een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van (in totaal) € 195,- per maand.
Periode II (met ingang van 11 november 2024)
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt € 1.634,- per maand. De voor hen beschikbare draagkracht van de man is € 147,- per maand.
De draagkracht van de vrouw is € 626,- per maand.
Partijen kunnen niet in de behoefte van de kinderen voorzien zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Het hof zal dan ook bepalen dat de man in deze periode een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van (in totaal) € 147,- per maand.
Het hof zal ambtshalve de wettelijke indexering toepassen en bepalen dat de bijdrage met ingang van 1 januari 2025 (afgerond) € 157,- per maand bedraagt. Het hof zal dit ook in het dictum opnemen.
Periode III (met ingang van 17 juni 2025)
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt € 1.740,- per maand. De voor hen beschikbare draagkracht van de man is € 25,- per maand.
De draagkracht van de vrouw is tot 1 november 2025 € 626,- per maand en met ingang van 1 november 2025 € 594,- per maand.
Partijen kunnen niet in de behoefte van de kinderen voorzien zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Het hof zal dan ook bepalen dat de man in deze periode een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van (in totaal) € 25,- per maand.
Het hof zal ambtshalve de wettelijke indexering toepassen en bepalen dat de bijdrage met ingang van 1 januari 2026 (afgerond) € 26,- bedraagt. Het hof zal dit ook in het dictum opnemen.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te voldoen van:
- met ingang van 12 april 2024 van € 195,- per maand;
- met ingang van 11 november 2024 van € 147,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 van € 157,- per maand;
- met ingang van 17 juni 2025 van € 25,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 van € 26,- per maand.
Het hof heeft draagkrachtberekeningen gemaakt. Deze berekeningen worden aan de beschikking gehecht en maken daar deel van uit.
Het hof stelt vast dat de in deze beschikking berekende bijdragen aanzienlijk lager zijn dan de op verzoek van partijen bepaalde bijdrage in de bestreden beschikking. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man voor het laatst in januari 2025 een bijdrage ten behoeve van de kinderen aan de vrouw heeft betaald. Dit was de bijdrage zoals deze gold op basis van de beschikking van 6 mei 2021. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze beschikking niet zal leiden tot een terugbetalingsverplichting voor de vrouw. Het hof merkt hierbij op dat voor zover dat wel het geval zou zijn, het hof van oordeel is dat niet van de vrouw gevergd kan worden dat zij een mogelijk te veel ontvangen bedrag terugbetaalt aan de man omdat het hof ervan uit gaat dat de kinderalimentatie maandelijks wordt verbruikt.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 6 mei 2021, dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te voldoen:
- met ingang van 12 april 2024 van € 195,- per maand;
- met ingang van 11 november 2024 van € 147,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 van € 157,- per maand;
- met ingang van 17 juni 2025 van € 25,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 van € 26,- per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.T. Hoogland, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
