Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4120

Essentie (gemaakt door AI)

OTS waarin spanningen tussen ouders, belastbaarheid van het kind en signalen van dwingend/controledrag van vader leiden tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Behoefte aan regie en zicht op thuissituatie vader, met nadruk op snelle MASIC om patronen en passende hulp te bepalen. Vrijwillige hulp schiet tekort. Doelen omvatten emotieregulatie kind, voorspelbare contacten, aanpak coercive control en passende oudercommunicatie. OTS voor twaalf maanden toegewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Dwingend en controlerend gedrag vader leidt tot ondertoezichtstelling kinderen
Spanningen tussen ouders, belastbaarheid kind en signalen van dwingend/controledrag vader leiden tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Behoefte aan regie en zicht op thuissituatie vader, met nadruk op snelle MASIC. OTS uitgesproken.

Datum publicatie08-06-2026
ZaaknummerC/02/445356 / JE RK 26-308
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

toewijzing eerste ots dwingende controle man noodzaak MASIC

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/445356 / JE RK 26-308

Datum uitspraak: 14 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M. Hofland uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen de GI.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;

  • het op 11 maart 2026 van de advocaat van de vader ontvangen stelbericht;

  • het op 12 maart 2026 van de advocaat van de moeder ontvangen stelbericht;

  • de brief van de griffier van 16 maart 2026 aan [minderjarige] , waarin haar de mogelijkheid is gegeven om haar mening kenbaar te maken;

  • het op 30 maart 2026 van de GI ontvangen verzoek om digitaal te mogen aansluiten bij de zitting.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

  • de moeder met haar advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de Raad,

  • de vertegenwoordigsters van de GI (via Teams).

1.3.

De behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de man, strekkende tot het vaststellen van een omgangsregeling. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/436090 / FA RK 25/2839. De beslissing op dit verzoek volgt in een aparte beschikking.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2De feiten

2.1.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.2.

[minderjarige] is erkend door de vader. [minderjarige] en de vader zien elkaar steeds op zaterdag van 14.00 uur tot 19.00 uur bij de vader thuis. De vader belt dagelijks met [minderjarige] .

3Het gewijzigde verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4De standpunten

4.1.

De Raad baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] is opgegroeid in een opvoedsituatie waarin er sprake is geweest van huiselijk geweld. [minderjarige] wordt door de ouders belast met volwassen zaken. Op school heeft [minderjarige] moeite met zich concentreren, wat invloed heeft op haar leerprestaties. Op school laat [minderjarige] bepalend gedrag zien. Ze moet hierin geremd en begrensd worden. De vader maakt zich zorgen over dat de moeder alcohol en drugs gebruikt. De moeder vindt dat de vader niet goed aansluit bij [minderjarige] en dat hij haar onder druk zet. De Raad vreest dat [minderjarige] zich uiteindelijk tegen een van haar ouders zal afzetten, om met de situatie om te kunnen gaan. [minderjarige] vertelt dat haar vader haar knijpt. Zij zegt te doen wat hij zegt, zodat hij haar niet hoeft te knijpen. De vader ontkent dit. Door de begeleiders van de omgang wordt gezien dat het de vader met momenten niet lukt om bij [minderjarige] aan te sluiten en zich aan te passen aan haar wensen. Dit is voor [minderjarige] verwarrend en stressvol. De Raad maakt zich verder zorgen over het controlerende en dwingende gedrag van de vader. Ook de hulpverlening, CJG en school hebben bij de vader signalen van dwingend gedrag gezien. Hoewel de moeder steeds beter haar grenzen stelt en bewaakt, maakt de Raad zich wel zorgen dat de moeder iemand nodig heeft om haar hierin te ondersteunen. De moeder staat wisselend ten opzichte van omgang tussen de vader en [minderjarige] . Het lukt de ouders onvoldoende om de opvoedsituatie voor [minderjarige] te veranderen, waarbij de spanningen tussen de ouders al geruime tijd aanwezig zijn. Daarnaast zijn er zorgen of het vader lukt om aan te sluiten bij wat nodig is voor [minderjarige] . De Raad vindt het dan ook nodig dat er zicht komt op de thuissituatie van vader, hoe hij de contactmomenten met [minderjarige] gedurende een langere periode vormgeeft en wat zijn mogelijkheden zijn om zich aan [minderjarige] aan te passen. De Raad kan zich tevens voorstellen dat er psycho-educatie aan vader gegeven wordt, zodat voor hem inzichtelijk wordt hoe hij het beste aan kan sluiten bij de (ontwikkel)behoeftes van [minderjarige] . De Raad vindt het tevens belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid gaat ervaren over de contacten met haar beide ouders. Het dient voor haar voorspelbaar en duidelijk te zijn op welke momenten zij contact heeft met haar vader en hoe deze contacten eruit zien. De Raad vindt het noodzakelijk dat er hulpverlening in de vorm van bijvoorbeeld

speltherapie wordt ingezet voor [minderjarige] , met expertise gericht op trauma en hechting.

Tot slot vindt de Raad het belangrijk dat ouders hulp krijgen gericht op het vormgeven van gezamenlijk ouderschap, zodat zij samen met een hulpverlenerspartij kunnen onderzoeken wat mogelijk is en welke afspraken gemaakt kunnen worden. Tevens is het belangrijk dat ouders psycho-educatie gaan krijgen over de invloed op [minderjarige] als zij betrokken wordt in hun ouderstrijd. Gelet op de wachtlijst bij de GI vraagt de Raad ter zitting om de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verlenen.

4.2.

De vader stemt in met het gewijzigde verzoek van de Raad. Hij vindt het ook verstandig dat er een professionele hulpverlener met de ouders gaat meekijken en ondersteuning gaat bieden. De vader hoort via derden dingen over het gezin van de moeder en maakt zich dan zorgen over [minderjarige] . De vader vindt dat de moeder omgaat met mensen die drugs dealen en een verkeerde invloed op haar hebben. Hij maakt zich grote zorgen om de veiligheid van [minderjarige] zij bij de moeder is. Hij uit dit via berichten, wat dan weer zorgt voor ergernis. De vader is bereid om mee te werken met de GI. De verzochte duur: twaalf maanden, is ook akkoord.

4.3.

De moeder stemt in met het gewijzigde verzoek van de Raad. Zij hoopt dat de ondertoezichtstelling rust zal brengen tussen de ouders. De moeder ontvangt dagelijks berichten van de vader, die voor onrust zorgen. Zij heeft het idee dat de vader haar het leven zuur wil maken. Ook stuurt de vader vervelende berichten aan haar familie en vrienden. Volgens de moeder moet de focus niet primair liggen op de oudercommunicatie, maar allereerst op het vinden van de oorzaak voor het gedrag van de vader. Daarna kan oudercommunicatie aandacht krijgen. De moeder is niet tegen omgang tussen [minderjarige] en de vader, maar wel tegen de ruis die daar omheen zit. De vader hoort [minderjarige] uit over de moeder. Volgens de moeder houdt de vader zich ook niet aan de afspraken voor de omgang. Hij brengt [minderjarige] eerder terug en verschijnt dan onverwachts aan de deur bij de moeder. Ook belt de vader [minderjarige] ook buiten de afgesproken tijdstippen. De moeder voelt zich erg onveilig door de gedragingen van de vader. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling kan onderzocht worden welke vormen van hulp er nodig zijn voor [minderjarige] en de ouders. Volgens de moeder blijft het CJG betrokken, ook als het verzoek wordt toegewezen. De financiering voor de ondersteuning vanuit mevrouw [persoon] kan in dit kader voorlopig nog worden voortgezet.

4.4.

De GI staat achter het verzoek van de Raad. Volgens de GI is het belangrijk dat de ouders niet meer rechtstreeks met elkaar communiceren, zonder dat er een derde meekijkt. De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige] een vertrouwenspersoon krijgt, bij wie zij haar verhaal kan doen. Daarnaast moeten er een ouderschapstraject en opvoedondersteuning worden ingezet in de opvoedsituaties bij de ouders. De GI zal zich inzetten om zo snel mogelijk een MASIC af te nemen, waarin de patronen tussen de ouders zichtbaar zullen worden. Daarna kan pas beslist worden hoe het ouderschapstraject vormgegeven moet worden. De GI heeft niet meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar. [minderjarige] wordt eerst gekoppeld aan een monitormedewerker, die haar binnen vijf dagen zal bezoeken. Deze medewerker zal in die periode ook contact opnemen met de ouders. De ondersteuning zal in de eerste periode minder intensief zijn. De GI zal bevorderen dat mevrouw [persoon] voor omganmgsbegeleiding en het CJG betrokken blijven, zeker gedurende de fase dat er nog geen vast medewerker van de GI beschikbaar zal zijn.

5De beoordeling

5.1.

In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat zij opgroeit in een situatie waarin er forse spanningen zijn tussen haar ouders. [minderjarige] wordt hiermee belast, wat zich op school uit in concentratie- en gedragsproblemen. Daarnaast heeft de vader moeite om tijdens de omgang op passende wijze om te gaan met [minderjarige] . De hulpverlening, het CJG en de school zien bij de vader signalen van dwingend gedrag. [minderjarige] past zich als gevolg hiervan aan aan de wensen van de vader. De vader is voor [minderjarige] op het ene moment een bron van steun en op het andere moment een bron van stress, wat voor haar verwarrend en stressvol is. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI op korte termijn een MASIC afneemt, zodat er zicht komt op de patronen tussen de ouders en welke hulpverlening daarbij passend is.

5.4.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Beide ouders hebben al een vorm van hulpverlening in het vrijwillig kader, maar dit is onvoldoende gebleken om de spanningen tussen de ouders weg te nemen. Het is belangrijk dat er daarom een neutrale professional mee gaat kijken met de ouders en hulpverlening gaat inzetten.

5.5.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden. De GI heeft beloofd er voor te zorgen dat de huidige omgangsbegeleiding door mevrouw [persoon] ( [zorgorganisatie] ) gecontinueerd zal worden, met betrokkenheid van het CJG daarbij.

5.6.

In die periode moet er worden gewerkt aan de volgende doelen:

- [minderjarige] kan op passende wijze haar emoties uiten;

- [minderjarige] groeit op in een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving: [minderjarige] weet wat zij kan verwachten in het contact met haar beide ouders;

- [minderjarige] voelt ontspanning en vrijheid om haar eigen behoeftes en gevoelens te uiten bij beide ouders;

- [minderjarige] kan zich cognitief en sociaal voldoende ontwikkelen op school; dit betekent dat zij zich kan concentreren op schoolse taken, voldoende vertrouwen in zichzelf heeft om deze taken te volbrengen en het contact met leeftijdsgenoten positief kan aangaan en onderhouden;

- De signalen die wijzen op coercive control vanuit de vader richting de moeder en [minderjarige] worden meegenomen in onderzoek en zo nodig behandeling;

- De ouders communiceren op een passende manier met elkaar over [minderjarige] .

5.7.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 1

5.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 14 april 2026 tot 14 april 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

1

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733