Rechtbank Noord-Holland 27-05-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5899

Essentie (gemaakt door AI)

Artt 3:166, 3:172, 3:178 BW Zaak waarin compensatie kinderopvangtoeslagaffaire en lasten gezamenlijke woning na relatiebreuk tussen samenwoners zonder overeenkomst worden verdeeld. Compensatie van € 152.500 vormt een eenvoudige gemeenschap die bij helfte wordt verdeeld; geen grond voor afwijking of toerekening van € 93.000 als bedrijfsschade aan man. Eerder ontvangen bedragen zijn opgegaan aan huishoudkosten en worden niet verdeeld. Vrouw moet meebetalen aan woonlasten; per saldo moet man vrouw € 3.404,77 betalen, met wettelijke rente.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Compensatie kinderopvangtoeslagaffaire ontvangen door man vormt 'eenvoudige gemeenschap' met vrouw
Man sluit vso met Staat. Vrouw maakt aanspraak op helft bedrag. Uit feiten en omstandigheden leidt Rb af dat bedoeling was gezamenlijk gecompenseerd te worden. Eenvoudige gemeenschap ex art. 3:166 BW. Bij helfte delen met vrouw.

Datum publicatie08-06-2026
ZaaknummerC/15/368598
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Goederenrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artt 3:166, 3:172, 3:178 BW Geschil tussen ex 'informeel' samenlevenden over verdeling van de Staat ontvangen compensatie kinderopvangtoeslagaffaire (o.a. Regieroute) en lasten verbonden aan de gezamenlijke woning na relatiebreuk. Hoewel de compensatie door de Staat enkel aan de man is toegekend komt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval de ontvangen compensatie een eenvoudige gemeenschap vormt die in beginsel bij helfte moet worden verdeeld. Er zijn geen andersluidende afspraken en ook geen redenen om van dit uitgangspunt af te wijken. De vrouw moet een deel van de kosten gerelateerd aan de voormalige gezamenlijke woning nog aan de man betalen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/368598 / HA ZA 25-477

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

[de man] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J. van Ommeren,

tegen

[de vrouw] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.H.M. de Boer,

procederend met toevoeging verleend door de Raad voor Rechtsbijstand met kenmerk 4QG9542.

De zaak in het kort

De man en de vrouw hebben samengewoond, zonder dat zij een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan. Na het einde van de relatie is € 152.500,00 toegekend aan compensatie voor fouten in de kinderopvangtoeslag. Dit bedrag is op een derdengeldrekening gestort. De man heeft gevorderd dat de vrouw eraan meewerkt dat van dit bedrag € 135.590,29 aan hem wordt uitbetaald. Hij zegt dat een groot deel van de compensatie ziet op gederfde winst van zijn onderneming en daarom aan hem toekomt. De vrouw vindt dat de helft van het bedrag van € 152.500,00 aan haar toekomt en vordert de man te veroordelen mee te werken aan het uitbetalen van die helft. Na aanvang van de procedure is het bedrag van de derdengeldrekening (in ongelijke verhouding) gestort naar rekeningen van partijen. De rechtbank begrijpt de vorderingen van partijen daarna zo dat zij vragen de andere partij te veroordelen een bedrag te betalen boven het bedrag dat naar hun rekeningen is gestort. De rechtbank komt tot het oordeel dat – anders dan de man stelt – sprake is van een gemeenschap die bij helfte moet worden verdeeld. Een eerder toegekend bedrag hoeft – anders dan de vrouw vordert – niet te worden verdeeld. De vrouw moet nog bijdragen in de kosten van de gezamenlijke woning. Bij elkaar genomen maakt dit dat de man de vrouw € 3.404,77 moet betalen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 december 2025 en de daarin genoemde processtukken

- twee B8-formulieren van de vrouw met elk een productie

- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een langdurige relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. Uit deze relatie zijn drie kinderen geboren. Er was geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Ook zijn de man en de vrouw geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst aangegaan. De relatie is midden 2024 geëindigd.

2.2.

De man en de vrouw waren samen eigenaar van een woning. In die woning leefden zij met hun kinderen. De woning is na het eindigen van de relatie van partijen verkocht en op 19 december 2024 geleverd aan de koper.

2.3.

De man exploiteerde gedurende relatie van partijen – en ook nu nog – een café. De vrouw heeft in dat café gewerkt.

2.4.

De man, de vrouw en hun kinderen zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. De man heeft de kinderopvangtoeslag aangevraagd.

2.5.

In de periode 20 december 2019 tot en met 26 juni 2023 heeft de man als compensatie voor de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire in zes betalingen in totaal € 62.530,00 van de Belastingdienst ontvangen.

2.6.

De man heeft voor het verkrijgen van aanvullende compensatie van werkelijke schade deelgenomen aan de zogeheten Regieroute. De man en de vrouw zijn in dit proces bijgestaan door mrs. Pasman, Wijling en Gonzalez-Perez.

2.7.

Het Ministerie van Financiën heeft met een brief van 29 mei 2024 een “Voorstel schadevergoeding werkelijke schade” gedaan. In de brief, gericht aan Pasman, Wijling en Gonzalez-Perez, stelt het Ministerie een totale aanvullende vergoeding aan van € 130.500,00 voor (hierna: het voorstel). In de onderbouwing van dit bedrag heeft het Ministerie onderscheid gemaakt tussen immateriële schade en materiële schade. Onder de post materiële schade is onder meer een bedrag van € 93.000,00 aan gederfde winst opgenomen. Daarover staat in het voorstel onder meer:

Gederfde winst/extra personeelskosten

Meneer [de man] heeft aangegeven dat hij in verband met de stopzetting van de kinderopvangtoeslag, vanaf januari 2015 tot en met december 2020 extra personeel heeft moeten aannemen, zodat hij en mevrouw [de vrouw] thuis bij zijn kinderen konden zijn. Deze arbeidskosten hebben over meerdere jaren geleid tot een veel lagere winst van het café. Meneer [de man] heeft winst- en verliesrekeningen van 2011 en 2016 overgelegd, waaruit dit blijkt.

Reactie

Het is duidelijk dat het uitbaten van een café in Amsterdam veel van meneer [de man] en mevrouw [de vrouw] vergt en heeft gevergd. Vanaf 2009 zijn daar de problemen met de B/T [Belastingdienst/Toeslagen, rb.] over het bepalen van het toetsingsinkomen voor de juiste hoogte van de kinderopvangtoeslag bijgekomen. In 2015 heeft meneer [de man] zelfs moeten besluiten extra personeel aan te nemen, zodat hij en mevrouw [de vrouw] – door de stopzetting KOT [kinderopvangtoeslag, rb]  (meer) thuis konden zijn met de kinderen. Wij vinden het aannemelijk dat dit tot schade heeft geleid, in die zin dat vanwege KOT-problematiek de winst van het bedrijf door (onder meer) extra arbeidskosten lager is uitgevallen.

Onder de post materiële schade is ook € 34.688,00 opgenomen voor vervangende opvangkosten. Daarover staat in het voorstel onder meer:

Vervangende opvangkosten

De kinderopvang via het gastouderbureau kon niet gecontinueerd worden. Door de inzet van de grootouders is de opvang van de kinderen gecontinueerd. Meneer [de man] stelt in voormelde brief dat de schade zo’n 45.000,-- bedraagt.

Reactie

Met of zonder kinderopvangtoeslag, de schoonouders van meneer [de man] hebben de kinderen op structurele basis voor vele jaren, voor aanzienlijke aantal uren per week opgevangen. Het is duidelijk dat hier een warme familieband aan ten grondslag ligt.

We zien hierin aanleiding om de vervangende opvangkosten te vergoeden aan de hand van de berekening van meneer [de man] . Hij is uitgegaan van een gemiddelde jaarlijkse uitkering kinderopvangtoeslag van € 15.000,--. Voor de begroting splitsen wij dit bedrag door drie (kinderen) en kennen een bedrag toe tot aan hun twaalfde levensjaar.

(…)

Het totaalbedrag komt hiermee op € 46.250,-. Wij stellen voor om 75% van dit bedrag te vergoeden, aangezien hetgeen door meneer [de man] is gesteld aannemelijk is, doch een schatting. Wij bieden een vergoeding van € 34.688,- aan.

2.8.

Op 4 maart 2025 heeft mr. Wijling (voor zover van belang) het volgende aan de man en de vrouw geschreven:

Beste beiden,

Jullie hebben beiden een akkoord gegeven op het schikkingsvoorstel zoals dat door MinFin is gedaan. Ook wij hebben het voorstel doorgenomen en hebben geen verdere punten van aandacht gevonden. Wij willen dan ook voorstellen om onderstaand bericht te verzenden aan MinFin en waarin jullie akkoord op het voorstel wordt neergelegd. Graag horen wij of dit bericht voor jullie akkoord is. Voor de goede orde merken wij wel nogmaals op dat de verdeling van het bedrag tussen jullie onderling geen onderdeel uitmaakt van de schikkingsovereenkomst.

“Beste (…),

Onder verwijzing naar bijgaand aangepast schikkingsvoorstel, kan ik je hierbij berichten dat zowel de heer [de man] als mevrouw [de vrouw] akkoord is met dit voorstel. Ik (…) ontvang graag de te ondertekenen VSO zodat ik die kan doorgeleiden.”

2.9.

Op 9 april 2025 heeft het Ministerie van Financiën daarop een ‘Vaststellingsovereenkomst ter toekenning van aanvullende compensatie voor werkelijke schade’ toegezonden. In die overeenkomst worden als partijen genoemd:

De heer [de man] (…) vertegenwoordigd door mevrouw mr. A. Pasman, advocaat te Amsterdam en de heer mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, (…);

en

de Staat der Nederlanden (…), hierna genoemd: de Staat,

In de overeenkomst staat onder meer dat partijen het volgende overeenkomen:

Partijen hebben in goed onderling overleg besloten onder welke concrete voorwaarden de onderhavige kwestie zal eindigen c.q. worden opgelost. De afspraken over deze voorwaarden zijn in deze vaststellingsovereenkomst vastgelegd en zijn individuele afspraken die passend zijn voor de specifieke situatie van de heer [de man] .

Tijdens de Regieroute bleek dat de heer [de man] :

    een aanvullende compensatie wenst voor immateriële schade;

    een aanvullende vergoeding wenst voor materiële schade.

De heer [de man] heeft toegelicht dat de compensatie voor immateriële en materiële schade zoals die door UHT is toegekend naar aanleiding van de integrale beoordeling (IB), onvoldoende zijn schade dekt. Door de heer [de man] zijn diverse schadeposten benoemd en onderbouwd. De Staat is bereid een aanvullende compensatie voor werkelijke schade te voldoen.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over een aanvullende compensatie voor werkelijke schade van € 152.500,-.

Dit bedrag zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer, rb.] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Castelijns Kaandorp Hoekstra, uiterlijk binnen zes (6) weken na afloop van de bedenktermijn van deze vaststellingsovereenkomst.

Het bedrag van € 152.500,00 is in de vaststellingsovereenkomst niet nader gespecificeerd. Het in de overeenkomst genoemde rekeningnummer was het rekeningnummer van de derdengeldrekening van CKH Advocaten te Alkmaar, het kantoor waar mr. De Boer destijds werkzaam was.

2.10.

Op 2 juni 2025 heeft de man na instemming van de vrouw de overeenkomst ondertekend. De Belastingdienst heeft vervolgens € 152.500,00 overgemaakt naar de derdengeldrekening van CKH Advocaten te Alkmaar. 1

2.11.

Mr. Wijling heeft mr. De Boer in juli 2025 onder meer geschreven:

Uw bericht ontvingen wij in goede orde. Wij merken op dat uw cliënte eerder zowel het bedrag als de vaststellingsovereenkomst waarin dit bedrag is opgenomen uitdrukkelijk schriftelijk heeft geaccordeerd.

Wij, mijn collega’s Gonzalez Perez en Pasman en ik, hebben als advocaten van mevrouw [de vrouw] nadat wij vernamen dat er sprake is van een scheiding expliciet met haar mondeling de gevolgen daarvan besproken voor onze werkzaamheden en bemiddeling bij de wijze van afronding van de VSO. Daar heeft zij mee ingestemd.

Voor de goede orde voeg ik de berichten waar dit uit blijkt, als ook die waarin dit akkoord is bevestigd.

Hiermee zijn onze werkzaamheden ook tot een einde gekomen en dienen partijen zelf  daartoe ondersteund door hun advocaten – tot een vergelijk te komen over de verdeling van het bedrag. Ook dit hebben wij indertijd schriftelijk aan haar bevestigd zoals ook uit de nogmaals bijgevoegde e-mailberichten blijkt.

3Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert  samengevat  de vrouw op straffe van een dwangsom te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan het uitbetalen van € 135.590,29 aan de man en haar advocaat opdracht te geven dit bedrag van haar derdenrekening over te schrijven op de bankrekening van de man. Voor het geval dit bedrag niet meer op de derdenrekening aanwezig is, maar is teruggestort naar de Belastingdienst, moet zij de Belastingdienst deze opdracht geven, aldus de man. Daarnaast vordert de man wettelijke rente over € 135.590,20 vanaf 29 juli 2025.

3.2.

De man voert, verkort weergegeven, het volgende aan. De vrouw heeft vanaf

1 juli 2024 geen bijdrage meer geleverd aan de gemeenschappelijke kosten van de woning, terwijl zij geen medewerking verleende aan de verkoop. Deze gemeenschappelijke kosten zijn € 16.180,58 en de vrouw is als gevolg hiervan € 8.090,29 aan de man verschuldigd. Daarbij komt dat met het Ministerie van Financiën is overeengekomen dat partijen een bedrag van € 152.000,00 ontvangen. Daarvan geldt € 93.000,00 als vergoeding voor bedrijfsschade van de man en het restant van € 59.000,00 als vergoeding voor immateriële en materiële schade van partijen samen. Van de vergoeding komt € 127.500,00 toe aan de man (de bedrijfsschade en de helft van de vergoeding voor immateriële en materiële schade). Verhoogd met het bedrag dat de vrouw aan hem verschuldigd is voor de gemeenschappelijke kosten van de woning, maakt de man aanspraak op € 135.590,29. De vrouw weigert mee te werken aan de uitbetaling van dit bedrag van de derdenrekening van haar advocaat. Daarom vordert de man nu in rechte om de vrouw te veroordelen zorg te dragen voor uitbetaling.

3.3.

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. Zij voert – kort weergegeven – het volgende aan. In de vaststellingsovereenkomst is niet opgenomen hoe de vergoeding is opgebouwd. Het gaat dan ook niet aan om € 93.000,00 toe te rekenen aan bedrijfsschade. De schadevergoeding moet worden gezien als een onverdeelde gemeenschap. Er zijn onderling geen verdelingsafspraken gemaakt, zodat verdeling bij helfte is aangewezen. Er is geen rechtsgrond voor een afwijkende verdeling. Zo heeft zij altijd veel in de onderneming gewerkt en daarvoor maar beperkt een vergoeding ontvangen. Daarbij komt dat de man zegt dat er extra personeel moest worden aangenomen zodat hij en de vrouw thuis konden zijn. Daarmee lijdt ook de vrouw schade. Van het bedrag op de derdenrekening komt daarom aan ieder van partijen € 76.250,00 toe.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De vrouw vordert  samengevat  dat de rechtbank voor recht verklaart dat het bedrag van € 152.500,00 aan partijen toekomt, ieder voor de helft en dat de rechtbank de man op straffe van een dwangsom veroordeelt mee te werken aan het uitbetalen van € 152.500,00, waarbij de vrouw en de man ieder € 76.250,00 ontvangen.

Daarnaast vordert de vrouw dat de rechtbank voor recht verklaart dat de eerder door de man van de Belastingdienst ontvangen schadevergoeding/compensatie van € 60.000,00 aan partijen toekomt, ieder voor de helft en dat de rechtbank de man veroordeelt om € 30.000,00, te weten de helft van deze eerdere compensatie aan de vrouw te betalen. Ook wil de vrouw dat de man vanaf 29 juli 2025 wettelijke rente vergoedt over de aan de vrouw toekomende bedragen en dat de man in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.6.

De vrouw voert ook hier – samengevat – aan dat het bedrag van € 152.500,00 van beide partijen samen is (een eenvoudige gemeenschap) en dat er onderling geen afspraken over verdeling zijn gemaakt, zodat verdeling bij helfte is aangewezen. Daarbij brengt de vrouw naar voren dat in de vaststellingsovereenkomst niet is opgenomen hoe de vergoeding is opgebouwd, zodat het niet aangaat om € 93.000,00 toe te rekenen aan bedrijfsschade. De bedrijfsschade is enkel opgenomen in een voorstel van april 2024, maar niet in de door partijen geaccordeerde vaststellingsovereenkomst. De vrouw was ten tijde van de ondertekening van die overeenkomst ook niet met het voorstel bekend.

Van het eerder aan de man betaalde bedrag komt € 30.000,00 aan de vrouw toe, omdat het bedrag ziet op de periode van samenleving en per gezin wordt uitgekeerd.

3.7.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Hij brengt onder meer naar voren dat de compensaties die hij eerder ontving volledig gebruikt zijn voor de kosten van de huishouding. Omdat deze bedragen niet meer aanwezig zijn kan van verdeling geen sprake zijn. Verder voert hij aan dat hij zakelijke schulden heeft die moeten worden voldaan uit de zakelijke vergoeding.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

De rechtbank zal de vorderingen van de man en de vrouw hierna gezamenlijk behandelen omdat zij nauw met elkaar samenhangen. Zo is het verweer van de vrouw tegen de vordering in conventie van de man grotendeels de grondslag van haar vorderingen in reconventie.

Vergoeding niet meer op derdengeldrekening

4.2.

Partijen hebben op de mondelinge behandeling toegelicht dat het bedrag van € 152.500,00 niet meer op de derdengeldrekening van CKH Advocaten staat. Na het vertrek van mr. De Boer bij dit kantoor waren er bij de Nederlandse orde van advocaten bezwaren tegen een voortgezet gebruik van de derdengeldrekening. Omdat mrs. Van Ommeren en De Boer zelf geen derdengeldrekening hebben, zijn partijen overeengekomen dat zij ieder op eigen naam een nieuwe bankrekening zouden openen, waarop een deel van het bedrag van € 152.500,00 zou worden overgemaakt. Nadat partijen een depotovereenkomst met elkaar hebben gesloten is € 66.250,00 overgemaakt op de bankrekening die de vrouw heeft geopend en € 86.250,00 op de rekening die de man heeft geopend. De bedragen staan nog op deze rekeningen en zouden pas na een oordeel van de rechtbank (of overeenstemming tussen partijen) kunnen worden uitbetaald.

4.3.

Partijen hebben beiden gezegd dat de door hen ingestelde vorderingen in het licht van deze wijzigingen moeten worden begrepen. De rechtbank begrijpt aldus dat de man wil dat de vrouw hem € 49.340,29 (€ 135.590,29 minus € 86.250,00) betaalt en dat de vrouw wil dat de man haar € 40.000,00 betaalt (€ 76.250,00 minus € 66.250,00 vermeerderd met € 30.000,00).

Eenvoudige gemeenschap

4.4.

De man was de aanvrager van de kinderopvangtoeslag. De man is ook partij bij de vaststellingsovereenkomst met het Ministerie van Financiën. Hij heeft die op 2 juni 2025 getekend. In die overeenkomst staat dat het Ministerie € 152.500,00 zal betalen aan de man. Hoewel het bedrag formeel aan de man is toegekend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de compensatie (in dit geval) moet worden aangemerkt als een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die moet worden verdeeld. De rechtbank licht dat hierna toe.

4.5.

Of het bedrag aan partijen gezamenlijk toekomt of uitsluitend aan de man moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Partijen hebben hier geen schriftelijke afspraken over gemaakt. Tussen partijen is echter niet in geschil dat zij samen opdracht hebben gegeven aan de advocaten Pasman, Wijling en Gonzalez-Perez om met het Ministerie van Financiën te onderhandelen over compensatie van de door hen geleden schade. Dat de advocaten in de onderhandelingen voor de man én de vrouw werkten komt ook naar voren uit de e-mail van mr. Wijling, waarin hij aan de man en de vrouw bevestigt dat zij beiden akkoord hebben gegeven op het voorstel van het Ministerie van Financiën. Ook het feit dat de vrouw tevoren gevraagd is akkoord te gaan met het voorstel wijst erop dat partijen bedoelden dat de compensatie (in ieder geval deels) ook aan de vrouw zou toekomen. Daarbij komt dat mr. Wijling in de mail van juli 2025 bevestigt dat eerder – al voor de toekenning van het bedrag – met partijen is besproken dat het aan partijen zelf is om – ondersteund door hun advocaten (bedoeld worden kennelijk de advocaten die partijen bijstaan in de afwikkeling van hun relatie) – tot een vergelijk te komen over een verdeling van het bedrag. De rechtbank gaat er bij die omstandigheden van uit dat het steeds de bedoeling van partijen was (en dat zij dat ook met de onderhandelende advocaten hebben besproken) om samen een compensatie te verkrijgen die later verdeeld zou worden.

Daarbij komt dat uit de stellingen van de man naar voren komt dat ook hij meent dat in ieder geval een deel van het bedrag gezamenlijk is en verdeeld moet worden. Dat partijen daarbij eerder afspraken hebben gemaakt dat de bedrijfsschade van de gemeenschap zouden zijn uitgesloten heeft de man niet gesteld of onderbouwd.

Verdeling bij helfte

4.6.

Iedere deelgenoot heeft in beginsel een gelijk aandeel in de gemeenschap. 2 Uit de rechtsverhouding tussen deelgenoten kan voortvloeien dat hun aandelen niet gelijk zijn. Daarbij dient de gehele rechtsverhouding te worden bezien. Als niet vastgesteld kan worden hoe groot de aandelen van de deelgenoten zijn, zijn hun aandelen gelijk.

4.7.

De rechtbank begrijpt de stellingen van de man als volgt. De vaststellingsovereenkomst van 2025 is gebaseerd op het voorstel van het Ministerie van Financiën van mei 2024. Daarom zijn partijen met de aanvaarding van de vaststellingsovereenkomst onderling overeengekomen om de compensatie overeenkomstig dat voorstel te verdelen. Dat betekent dat de € 93.000,00 aan de man toekomt omdat deze ziet op gederfde winst uit zijn onderneming. De vergoeding voor andere materiële en immateriële schade komt aan beide partijen toe (en hun kinderen).

4.8.

De man heeft daarmee niet voldoende onderbouwd dat partijen een andere verhouding dan gelijke aandelen zijn overeengekomen. Uit de onder 2.11. geciteerde e-mail van mr. Wijling komt naar voren dat partijen daarover geen overeenstemming hebben bereikt. Dit wordt versterkt door de e-mails van mr. Wijling van 18 mei 2025 en van mr. Pasman van 2 juni 2025, die de vrouw in de conclusie van antwoord heeft geciteerd (welke citaten niet door de man zijn betwist). Mr. Wijling deelt in zijn e-mail mee dat hij op voorhand wil benadrukken dat hij en zijn collega’s “zoals ook eerder hebben aangegeven” uitdrukkelijk niet gaan over de verdeling van het bedrag of de in dat verband te maken afspraken. Mr. Pasman schrijft in zijn e-mail dat hij en zijn collega’s zich “zoals wij medio vorig jaar schriftelijk kenbaar hebben gemaakt en waarmee uw cliënte heeft ingestemd” niet bemoeien met enige verdeling van het bedrag. Het was daarmee aan partijen om – ondersteund door hun advocaten – alsnog overeenstemming te bereiken. Dat is niet gelukt.

4.9.

Dat het Ministerie van Financiën in een eerder – niet door partijen geaccepteerd – voorstel een berekening van de bedrijfsschade heeft gemaakt maakt dat niet anders. In dit kader merkt de rechtbank allereerst op dat het Ministerie hier voorstelde om een bedrag van € 130.216,00 te betalen. In de uiteindelijke vaststellingsovereenkomst betaalt het Ministerie € 152.500,00. Omdat daarbij niet uiteengezet wordt hoe het Ministerie tot het hogere bedrag is gekomen, is de verhouding tussen (de uitsplitsing in) het eerdere voorstel en de overeengekomen compensatie niet duidelijk. Daarbij komt dat de vrouw onbetwist heeft aangevoerd dat een daling van de winst van de onderneming ook het gezin (en haar) hard heeft geraakt. Het volledige inkomen van het gezin kwam uit de onderneming, ook omdat zij daar (tegen een lage vergoeding) werkte.

4.10.

De man heeft daarmee onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te oordelen dat een andere verdeling dan bij helfte aan de orde is. Dat betekent dat de vrouw en de man ieder voor gelijke delen aanspraak kunnen maken op het bedrag van € 152.500,00.

De eerder ontvangen compensatie

4.11.

De man stelt dat de door hem in de periode 2019 tot en met 2024 vanwege de kinderopvangtoeslagaffaire ontvangen compensatie zijn gebruikt om te voorzien in de kosten van de dagelijkse huishouding. Deze gelden zijn niet meer aanwezig zodat er niets te verdelen is, aldus de man.

4.12.

Uit de door de man overgelegde bankafschriften komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende naar voren dat de eerdere compensaties (in hoge mate) zijn besteed aan de kosten van de huishouding van het gezin. De vrouw heeft dit weliswaar betwist, maar zij heeft niet aangegeven welke betalingen dan niet op de kosten van de huishouding zagen. Ook heeft zij naar voren gebracht dat het de verplichting van de man was om deze kosten zelf te dragen omdat partijen dat al jaren zo deden. De man heeft daarop aangegeven dat zijn café al vier jaar met verlies draait en hij een negatief ondernemersinkomen heeft en dat ook de vrouw geen inkomen had. De vrouw heeft dit onvoldoende weersproken. In die situatie ligt het voor de hand dat de gezamenlijke kosten uit de vergoeding zijn betaald. De vrouw heeft ter zake dan ook geen aanspraken meer.

Kosten huishouding na het eindigen van de relatie

4.13.

De man stelt dat de vrouw hem nog de helft moet betalen van de kosten die hij na relatiebreuk tot aan de levering van de woning heeft moeten dragen in verband met:

 6 6 x de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning (€ 1.344,05 per maand)

 6 6 x de overlijdensrisicoverzekering (€ 51,00 per maand)

 6 6 x energie (voorschot van € 270,00 per maand)

 6 6 x internet, tv en bellen (€ 111,43 per maand)

 6 6 x eindafrekening energie (€ 114,14)

 6 water (€ 93,00 van 8 juli tot 7 oktober 2024)

 6 aanbetaling verkoop ([bedrijf 1], € 395,00)

 6 kosten voor het verkrijgen van een energielabel (€ 351,62)

 6 verzekeringen ([bedrijf 3], twee kwartalen à € 428,17)

 6 zorgverzekering (juli en augustus 2024, € 803,16)

 6 ontruiming van de woning (€ 750,00, [bedrijf 2])

 6 Waterschapsbelasting (€ 558,89)

 6 Gemeentelijke belastingen (€ 911,18)

 6 CAI-bijdrage (€ 117,67)

Dit geeft een totaal van € 16.180,58 en ieder van de partijen moet daarvan de helft betalen, zijnde een bedrag van € 8.090,29.

4.14.

De vrouw heeft enkel in algemene betwist dat zij – na het einde van de relatie – gehouden was bij te dragen aan de kosten die voor de gezamenlijke woning werden gemaakt en aan de vaste lasten. Die algemene betwisting is niet voldoende. De vrouw heeft ook niet weersproken dat zij na de relatiebreuk nog van de woning gebruik bleef maken, ook al was zij er volgens de man vaak niet. De man heeft van de door hem gestelde betalingen weliswaar geen bankafschriften overgelegd, maar de genoemde crediteuren corresponderen wel met eerdere (periodieke) betalingen zoals die blijken uit de door de man in het geding gebrachte bankafschriften over de periode 2019-2024. Het ligt ook voor de hand dat de man de andere kosten in verband met de verkoop van de woning heeft gemaakt.

4.15.

Alleen voor de hypotheeklasten heeft de vrouw het concrete verweer naar voren gebracht dat niet duidelijk is of de man rekening heeft gehouden met te ontvangen hypotheekrenteaftrek. De advocaat van de man vond dat verweer te laat, maar daar gaat de rechtbank aan voorbij. De man heeft ter zitting toegelicht dat hij enkel de bruto hypotheekkosten heeft opgenomen en dat inderdaad gebruik wordt gemaakt van hypotheekrenteaftrek. Daarom zal de rechtbank de post hypotheekkosten met 30% verminderen.

4.16.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de man niet goed heeft uitgelegd waarom het bedrag van de eindafrekening van Essent (€ 114,14) net als de overige posten heeft te gelden als een periodieke, maandelijkse betaling. Dat heeft de man onvoldoende onderbouwd. De kosten voor de makelaar, het energielabel en de ontruiming liggen gelet op de verkoop van de woning (en het gebrek aan betwisting) wél voor de hand.

4.17.

Toepassing van deze twee correcties leidt ertoe dat de vrouw de man nog een bedrag van € 6.595,23 is verschuldigd uit hoofde van voor de woning en de huishouding gemaakte kosten.

De vorderingen

4.18.

De man heeft van de door het Ministerie van Financiën uitgekeerde € 152.500,00 € 86.250,00 ontvangen en de vrouw € 66.250,00. Aan ieder van partijen komt een bedrag van € 76.250,00 toe. De man heeft dus € 10.000,00 te veel ontvangen en de vrouw € 10.000,00 te weinig. De man zal de vrouw in het kader van de verdeling van de € 152.500,00 dus nog € 10.000,00 moeten betalen. Daarop mag hij een bedrag van € 6.595,23 in mindering brengen. Dat is de vrouw immers nog aan de man verschuldigd. In totaal zal de man de vrouw dus nog € 3.404,77 moeten betalen. Daartoe zal hij worden veroordeeld.

4.19.

Bij deze uitkomst van de procedure heeft de vrouw geen belang bij de gevorderde verklaringen voor recht. De door de vrouw gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden afgewezen.

4.20.

Beide partijen vorderen over en weer ook wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Partijen hebben de bedragen nu ongeveer vier maanden op hun eigen rekening en zullen daar rente over ontvangen. Over periode daarvoor is de rechtbank van oordeel dat partijen over en weer niet in verzuim waren, omdat zij niet gehouden waren mee te werken aan de uitbetaling onder de voorwaarden die de ander stelde. Wel zal de rechtbank de man veroordelen om wettelijke rente te betalen over het door hem aan de vrouw te betalen bedrag van € 3.404,77, gerekend vanaf de dag dat de € 152.500,00 is overgemaakt naar de bankrekeningen van partijen tot aan de dag van voldoening.

4.21.

Nu alleen de man aan de vrouw heeft te betalen en daarvoor door hem geen opdracht meer hoeft te worden gegeven aan CKH Advocaten bestaat er geen grond de door de vrouw gevorderde dwangsom toe te wijzen. Een dwangsom kan niet worden opgelegd bij de veroordeling tot betaling van een geldsom.

Proceskosten

4.22.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in zowel conventie als reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw € 3.404,77 te betalen, te vermeerderen met de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag dat de € 152.500,00 aan compensatie is overgemaakt naar de daarvoor geopende bankrekeningen van partijen tot de dag van voldoening,

5.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op

27 mei 2026.

1

De man noemt in de dagvaarding een bedrag van € 152.000,00. Hij verwijst daarbij echter naar de vaststellingsovereenkomst. Daarin is een bedrag van € 152.500,00 genoemd. Ook de vrouw gaat uit van dat bedrag. De som van de bij de zitting genoemde bedragen is ook € 152.500,00. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat aan de zijde van de man op dit punt sprake is van een verschrijving.

2

Artikel 3:166 lid 2 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733