Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht; vereffening nalatenschap. Verzoekers 1-3 hebben de nalatenschap verworpen en zijn geen erfgenaam/vereffenaar; zij zijn niet-ontvankelijk. Verzoekers 4-5 zijn wel belanghebbenden. Klacht over onbekende kinderen in Marokko faalt wegens gebrek aan onderbouwing en herstel in hoger beroep van hoor en wederhoor. Toepassing art. 4:198 BW conform HR 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:662): bij onenigheid kan de kantonrechter taken/bevoegdheden herverdelen. Machtiging aan verweerders om namens de nalatenschap een procedure tegen verzoeker 1 te startenNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.354.920/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Vereffening nalatenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht; vereffening nalatenschap; ontvankelijkheid; onbekende kinderen?; onenigheid tussen vereffenaars; art. 4:198 BW; andere verdeling van de werkzaamheden en bevoegdheden van de vereffenaars; toepassing HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:662; verlening machtiging om namens de nalatenschap van de erflater een procedure te starten tegen een dochter van erflater.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.354.920/01
zaaknummer rechtbank : 11288678
rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 24-80522
beschikking van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
inzake
1. [verzoeker 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 2] ;
3. [verzoeker 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 3] ;
4. [verzoeker 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 4] ;
5. [verzoeker 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 5] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna tezamen te noemen: de verzoekers,
advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 1] ;
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ;
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
4. [verweerder 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 4] ,
5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 5] ,
verweerders in hoger beroep,
hierna tezamen te noemen: de verweerders,
advocaat mr. A.H. van Haga te Den Haag.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, van 8 mei 2025, hersteld bij beschikking van 12 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De verzoekers zijn op 20 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De verweerders hebben op 18 september 2025 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
-
een journaalbericht van de zijde van de verzoekers van 5 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
-
een journaalbericht van de zijde van de verweerders van 6 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden.
Van de zijde van de verzoekers zijn verschenen:
-
[verzoeker 1] ;
-
[verzoeker 2] ;
-
[verzoeker 3] ;
-
[verzoeker 4] ;
-
de heer [de vader] , zijnde de vader van [verzoeker 4] en [verzoeker 5] , als gemachtigde voor [verzoeker 5] ,
bijgestaan door hun advocaat.
Van de zijde van de verweerders zijn verschenen:
-
[verweerder 1] ;
-
[verweerder 2] ;
-
[verweerder 3] ;
-
[verweerder 4] ;
bijgestaan door hun advocaat.
[verweerder 5] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Daarnaast zijn verschenen:
-
[de kleindochter van de erflater] (hierna te noemen: [de kleindochter van de erflater] ), kleindochter van de hierna te noemen erflater;
-
een stagiaire van de advocaat van de verzoekers, [stagiaire] ;
-
een kantoorgenoot van de advocaat van de verweerders, [kantoorgenoot] .
De advocaat van de verzoekers heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd.
3De feiten
In hoger beroep is van de volgende feiten gebleken.
Op 25 april 2018 is te Den Haag overleden [de erflater] , geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] , Marokko (hierna te noemen: de erflater).
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] en [verweerder 5] zijn kinderen van de erflater.
De erflater heeft daarnaast nog een dochter, [de dochter van de erflater] (hierna te noemen: [de dochter van de erflater] ).
[de kleindochter van de erflater] is de dochter van [de dochter van de erflater] en de kleindochter van de erflater.
[verzoeker 4] en [verzoeker 5] zijn de kinderen van [verzoeker 1] en derhalve eveneens de kleinkinderen van de erflater.
Tijdens zijn leven was de erflater, bij beschikking van 5 januari 2018, onder curatele gesteld met aanstelling van [verzoeker 1] als curator.
De erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt.
[verweerder 1] en [verweerder 4] hebben op 20 februari 2019 de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard. [verweerder 3] en [verweerder 5] hebben de nalatenschap van de erflater op 16 maart 2023 respectievelijk 1 februari 2024 beneficiair aanvaard.
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [de dochter van de erflater] hebben op 31 januari 2020 de nalatenschap van de erflater verworpen.
[verzoeker 4] en [verzoeker 5] hebben de nalatenschap van de erflater op 5 augustus 2022 beneficiair aanvaard.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is aan de verweerders machtiging verleend om namens de nalatenschap van de erflater een procedure te starten tegen [verzoeker 1] , de verzoeker onder 1, en zijn de proceskosten in die procedure tussen partijen gecompenseerd.
De verzoekers verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen. Kosten rechtens.
Verweerders verzoeken het hof [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Inleiding
De verweerders willen, vanwege door hen vermeend door [verzoeker 1] in haar hoedanigheid van curator van de erflater handelen in strijd met hetgeen van een curator mag worden verwacht en/of vermeend onrechtmatig handelen, tegen haar procederen. De verzoekers zijn het daarmee niet eens.
Is [verzoeker 1] belanghebbende? En de ontvankelijkheid van de overige verzoekers
Om proceseconomische redenen zal het hof eerst grief 2 van de verzoekers omtrent de ontvankelijkheid van [verzoeker 1] behandelen. Het hof betrekt daarbij ook de ontvankelijkheid van de overige verzoekers.
Standpunten
De verzoekers komen door middel van grief 2 op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker 1] geen belanghebbende is en haar verweer op het verzoek in eerste aanleg daarom wordt gepasseerd. De verzoekers menen dat [verzoeker 1] wel degelijk belanghebbende is. Dat zij op dit moment geen erfgenaam is, doet daar volgens hen niets aan af. Temeer, nu [verzoeker 1] mogelijk nog wel erfgenaam zal worden. Dat laatste geldt in de visie van de verzoekers ook ten aanzien van [verzoeker 2] en [verzoeker 3] . Zij hebben inmiddels hoger beroep ingesteld van het vonnis waarbij hun vordering om voor recht te verklaren dat hun verwerpingen van de nalatenschap van de erflater tot stand zijn gekomen door bedreiging en dat deze vernietigbaar zijn en/of de verwerpingen door hen te vernietigen, is afgewezen.
De verweerders stellen dat [verzoeker 1] geen belanghebbende is in deze procedure. Zij is immers geen erfgenaam en dus geen vereffenaar. Deze procedure gaat haar dus niet direct aan. Dit geldt volgens de verweerders ook voor [verzoeker 3] en [verzoeker 2] . Hun vordering tot vernietiging van de verwerping is ook afgewezen. Dat zij tegen het desbetreffende vonnis hoger beroep hebben ingesteld, doet aan voorgaande niets af en is wat de verweerders betreft juist reden temeer een machtiging af te geven.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:190 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) is een eenmaal gedane keuze met betrekking tot de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap onherroepelijk en werkt deze terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Dit betekent dat (in beginsel) slechts eenmaal een keuze met betrekking tot de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap kan worden uitgebracht en daarop dus (in beginsel) later niet kan worden teruggekomen. Ook betekent dit dat een eenmaal gedane keuze tot verwerping, vanwege de terugwerkende kracht daarvan, tot gevolg heeft dat degene die de nalatenschap heeft verworpen achteraf gezien nooit erfgenaam is geworden en dus ook niet deelgenoot van de te verdelen nalatenschap is geweest.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] (alsmede [de dochter van de erflater] ) de nalatenschap van de erflater op 31 januari 2020 hebben verworpen. Gelet op het hiervoor overwogene, leidt dit ertoe dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] (alsmede [de dochter van de erflater] ) achteraf gezien nooit erfgenaam/vereffenaar zijn geworden en dus ook niet deelgenoot van de te verdelen nalatenschap zijn geweest. Dat [verzoeker 2] en [verzoeker 3] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis waarbij hun vordering om voor recht te verklaren dat hun verwerpingen van de nalatenschap van de erflater tot stand zijn gekomen door bedreiging en dat deze vernietigbaar zijn en/of de verwerpingen door hen te vernietigen is afgewezen, maakt dat voor hen niet anders.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [verweerder 1] en [verweerder 4] de nalatenschap van de erflater op 20 februari 2019 beneficiair hebben aanvaard. Indien een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, moet deze op grond van artikel 4:202 lid 1 onder a BW en artikel 4:195 lid 1 BW overeenkomstig afdeling 4.6.3 van voornoemd BW worden vereffend en zijn alle erfgenamen vereffenaar. Zoals hiervoor overwogen, zijn [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen erfgenaam. Dit betekent dat zij dus ook geen vereffenaar van de nalatenschap van de erflater zijn.
Nu [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen erfgenaam en geen vereffenaar van de nalatenschap van de erflater zijn, zijn zij naar het oordeel van het hof geen belanghebbenden in deze procedure. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor zover het het oordeel van de kantonrechter over de procespositie van [verzoeker 1] betreft bekrachtigen en [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Nu [verzoeker 4] en [verzoeker 5] wel erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van de erflater zijn, zijn zij naar het oordeel van het hof wel belanghebbende in deze procedure. Het hof zal hen daarom ontvangen in hun hoger beroep en het hoger beroep van [verzoeker 4] en [verzoeker 5] tegen de bestreden beschikking hierna verder beoordelen.
Onbekende kinderen?
Standpunten
[verzoeker 4] en [verzoeker 5] brengen door middel van grief 4 naar voren dat de kantonrechter in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft beslist doordat de (nog) onbekende kinderen van de erflater in Marokko in die procedure niet zijn opgeroepen en/of verschenen. Zij hebben zich dan ook niet kunnen uitlaten over het inleidend verzoek van de verweerders. [verzoeker 4] en [verzoeker 5] wijzen er in dit kader op dat aantoonbaar is dat er (nog) onbekende kinderen van de erflater in Marokko zijn, die dus ook erfgenaam van de erflater zijn. Dit ging niet alleen ‘rond’ in de familie, maar ook is hierover door [verzoeker 1] en [verweerder 1] via Whatsapp gesproken. Daarbij komt dat [verweerder 3] in 2016 met de erflater naar Marokko is afgereisd en aldaar met de erflater bij een vrouw en de andere kinderen van de erflater in Marokko heeft verbleven.
De verweerders betwisten dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Volgens hen waren alle belanghebbenden in deze procedure opgeroepen en/of van de procedure op de hoogte. Zij stellen dat geen sprake is van (nog) onbekende kinderen van de erflater in Marokko. Dat zulks het geval is hebben [verzoeker 4] en [verzoeker 5] volgens hen ook niet onderbouwd. Dit terwijl [verzoeker 1] meerdere malen per jaar naar Marokko reist en daarom ruimschoots in de gelegenheid is geweest aldaar bewijs te verzamelen en dit standpunt wel te onderbouwen. Bovendien menen de verweerders dat, als al sprake zou zijn van kinderen van de erflater in Marokko, dit niet betekent dat zij per definitie erfgenaam en/of vereffenaar van de nalatenschap van de erflater zijn.
Oordeel hof
Op grond van artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering stelt de rechter partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.
Het hof overweegt als volgt. Bij de door de verzoekers en de verweerders in deze procedure overgelegde stukken bevindt zich geen notariële verklaring van erfrecht. Het hof is gebleken dat in dezen ook geen verklaring van erfrecht is opgesteld. Zowel de verzoekers als de verweerders hebben dit ter mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd. Het hof heeft het vaststellen en oproepen van de belanghebbenden in deze procedure, dan ook niet aan de hand van een verklaring van erfrecht, waarin in beginsel is opgenomen wie de erfgenamen van de erflater zijn, kunnen doen. Het hof heeft zich daarvoor dus moeten baseren op de voornoemde overgelegde stukken. Het hof heeft aan de hand van die overgelegde stukken niet kunnen vaststellen dat, naast de in deze procedure opgeroepen belanghebbenden, sprake is van andere erfgenamen van de nalatenschap van de erflater en daarmee nog sprake is van andere belanghebbenden in deze procedure. Dat het beginsel van hoor en wederhoor door de kantonrechter is geschonden doordat niet alle belanghebbenden, zijnde de vermeende kinderen van de erflater in Marokko, in de procedure in eerste aanleg zijn betrokken, kan het hof derhalve evenmin vaststellen. Voor zover de kantonrechter in de procedure in eerste aanleg niet alle door het hof in deze procedure aangemerkte belanghebbenden in die procedure heeft betrokken, geldt dat die belanghebbenden zich wel in deze procedure over het inleidend verzoek hebben kunnen uitlaten, zodat een schending van het beginsel van hoor en wederhoor daarmee is hersteld. Het hof concludeert dan ook dat grief 4 van [verzoeker 4] en [verzoeker 5] faalt.
Artikel 4:198 BW en Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:662)
Standpunten
[verzoeker 4] en [verzoeker 5] komen door middel van grieven 1 en 3 op tegen het oordeel en de beslissing van de kantonrechter om de verweerders machtiging te verlenen om namens de nalatenschap van de erflater een procedure te starten tegen [verzoeker 1] . Volgens [verzoeker 4] en [verzoeker 5] is het uitgangspunt dat de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uitoefenen en biedt artikel 4:198 BW slechts beperkte mogelijkheid om daarvan af te wijken. Zij menen dat van die beperkte mogelijkheid in dezen geen gebruik kan en mag worden gemaakt, nu onduidelijk is of en in hoeverre alle erfgenamen in deze procedure zijn betrokken en de inhoud en omvang van de middels de machtiging in te stellen vordering onvoldoende omlijnd en onderbouwd is. Of en in hoeverre een dergelijke in te stellen vordering kans van slagen heeft en de nalatenschap van de erflater daarbij is gebaat, is dan ook onvoldoende duidelijk. In de visie van [verzoeker 4] en [verzoeker 5] is de nalatenschap van de erflater er juist bij gebaat om een professionele vereffenaar te benoemen die de vereffening van de nalatenschap voor zijn rekening kan nemen en daarmee ook kostenbesparend kan werken.
De verweerders menen dat de kantonrechter terecht machtiging heeft verleend om namens de nalatenschap van de erflater een procedure te starten tegen [verzoeker 1] . Volgens hen biedt artikel 4:198 BW daartoe voldoende mogelijkheid en is dat ook in het belang van de nalatenschap van de erflater en de erfnamen. De nalatenschap van de erflater heeft namelijk belang bij een schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad, gepleegd door [verzoeker 1] in haar hoedanigheid van curator van de erflater, en daarmee een hoger saldo van die nalatenschap. Daarvoor is de desbetreffende machtiging ook verleend. De verweerders wijzen er daarbij op dat reeds in verschillende procedures is vastgesteld dat [verzoeker 1] in haar hoedanigheid van curator van de erflater niet heeft gehandeld zoals van een curator mag worden verwacht. De verweerders stellen daarnaast dat de verzoekers geen verzoek hebben ingediend tot de benoeming van een professioneel vereffenaar en een dergelijke benoeming dus ook niet aan de orde is. Bovendien staat een dergelijk verzoek niet in de weg aan het verlenen van een machtiging als de onderhavige.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt. Artikel 4:198 BW luidt als volgt: ‘Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen, en in het algemeen daden die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig worden verricht.’
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:662) volgt dat ingeval van onenigheid tussen de vereffenaars niet alleen de weg van artikel 4:203 BW openstaat (op grond waarvan de rechtbank na beneficiaire aanvaarding een vereffenaar kan benoemen die in de plaats treedt van de erfgenamen als vereffenaars), maar dat ingeval van onenigheid tussen de vereffenaars ook op de voet van artikel 4:198 BW de kantonrechter de werkzaamheden en bevoegdheden van de vereffenaars anders kan verdelen. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat artikel 4:198 BW in het onderhavig geval, waarin er sprake is van onenigheid tussen de vereffenaars, weldegelijk een wettelijke grondslag biedt om aan de verweerders een machtiging te verlenen om namens de nalatenschap van de erflater een procedure tegen [verzoeker 1] in te stellen. Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter op dit punt terecht en op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na een eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook voor wat betreft het oordeel van de kantonrechter omtrent het evidente belang van de verweerders bij het verlenen van voornoemde machtiging. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve in zoverre bekrachtigen en het verzoek van [verzoeker 4] en [verzoeker 5] op dit punt afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
6De beslissing
Het hof:
verklaart [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. M.N.C. Zuiderwijk als griffier, en is op 11 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
