Gerechtshof Amsterdam 02-06-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1476

Essentie (gemaakt door AI)

Klacht tegen notaris over depotakte en levering van een bedrijfspand binnen familiekring. Depotakte is toegestaan. Bij de levering schendt de notaris de zorgvuldigheidsnorm en de Novitaris‑maatstaf: ondanks signalen over beheer door een derde uit echtscheidingsbeschikking, mogelijke benadeling van erfgenamen en hogere taxatiewaarde, weigert of schort hij zijn ministerie niet op art. 21 lid 2 Wna. Had nader onderzoek moeten doen en administrateur betrekken. Klacht deels gegrond; berisping en proceskostenveroordeling.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Notaris had ministerieplicht moeten weigeren: 'alarmbellen' negeren levert berisping op
Notaris is door zoon erflaatster vooraf op de hoogte gebracht van problemen in familierechtelijke sfeer en mogelijke benadeling van hem en zijn broer als erfgenamen van moeder. Notarieel transport toch door laten gaan, is verwijtbaar.

Datum publicatie05-06-2026
Zaaknummer200.359.231
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid notaris;
Erfrecht;
Familievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Klacht tegen notaris. Depotakte. Ministerieverlening. Artikel 21 lid 2 Wna. Novitaris-maatstaf. Was prijs marktconform. Zorgvuldigheidsnorm. Had de notaris ministerie moeten weigeren? Medewerking levering. Klacht gegrond. Berisping en proceskostenveroordeling

Volledige uitspraak


beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.359.231/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/449370 KL RK 25-45

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 2 juni 2026

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellant,

gemachtigden: mrs. J.W.M. Hagelaars en R.M. Andes, advocaten te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde] ,

notaris te [plaats 2] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.P. Hieltjes, advocaat te Amsterdam.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1De zaak in het kort

In 2023 heeft de vader van klager in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap een bedrijfspand aan de broer van klager verkocht. Deze koopovereenkomst is gesloten buiten medeweten van de moeder van klager, van de twee overige kinderen (waaronder klager) en van de accountant onder wiens beheer de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap waarin de aandelen van de verkopende vennootschap (indirect) vielen stond. De notaris heeft, na overlijden van de moeder, in oktober 2024 de leveringsakte gepasseerd. Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn medewerking te verlenen aan de levering terwijl klager de notaris er vooraf op gewezen heeft dat hij en zijn andere broer (als twee van de drie erfgenamen van moeder) werden benadeeld omdat de verkoopprijs niet marktconform was. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof vernietigt deze beslissing en legt aan de notaris de maatregel van berisping op.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

Klager heeft op 16 september 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 19 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:42).

2.2.

De notaris heeft op 20 november 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

Klager heeft zijn beroepschrift op 3 maart 2026 aangevuld. De notaris is in de gelegenheid gesteld op deze aanvulling te reageren.

2.4.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

2.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2026. Klager, vergezeld van mr. Andes en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

3.1.

De ouders van klager waren getrouwd in gemeenschap van goederen. In deze gemeenschap vielen onder meer de aandelen in [bedrijf 2] , enig aandeelhoudster en bestuurder van [bedrijf 1] , waarvan de vader van klager enig bestuurder is en die eigenaresse van het onder 3.3. bedoelde bedrijfspand was.

3.2.

Op 1 juni 2022 is de echtscheiding tussen de ouders van klager door de rechtbank Gelderland uitgesproken. In de echtscheidingsbeschikking is, onder meer, het volgende opgenomen:

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij de ontbonden gemeenschap niet gaan verdelen. Partijen zijn overeengekomen dat de beheers- en bestuurshandelingen van de ontbonden gemeenschap zullen worden overgedragen aan een derde, te weten aan de [naam] van [hof: naam administratiekantoor]. De heer Lankhorst zal de huurpenningen van de gemeenschappelijke panden incasseren en zal hiervan alle noodzakelijke lasten, inclusief de kosten voor zijn werkzaamheden, voldoen. Partijen krijgen daarna de resterende inkomsten bij helfte uitgekeerd en zij zullen van die inkomsten hun eigen lasten voldoen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de heer Lankhorst geld kan reserveren indien hij dat nodig acht. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

3.3.

Op 15 juni 2023 heeft de notaris, op verzoek van de broer van klager (hierna: de broer), een akte gepasseerd waarbij een getekende koopovereenkomst met betrekking tot een bedrijfspand ‘en verdere aanhorigheden’ – waarmee wordt bedoeld enkele omliggende percelen die op naam van de vader stonden – tussen de vader en de broer werd gedeponeerd. De in de koopakte opgenomen koopsom voor het geheel bedroeg € 710.000,-.

3.4.

Op 4 januari 2024 is de moeder van klager (hierna: erflaatster) overleden.

3.5.

Op 27 augustus 2024 heeft klager aan de notaris een e-mailbericht gestuurd waarin, onder meer, het volgende staat:

In juni 2023 heeft u in opdracht van mijn broer en vader een zogenaamd “Akte van Depot” opgesteld. Deze heeft betrekking op de verkoop van een bedrijfspand aan de [hof: adres bedrijfspand]. Deze akte is in het geheim opgesteld zonder medeweten van onze moeder (mede vennoot) en de accountant van onze ouders.

Misschien dat levering van het goed technisch wel mogelijk is echter juridisch niet, aangezien onze ouders in 2022 zijn gescheiden en er toen een uitspraak is geweest (zie ook bijlage) waarin besloten is (zie punt 2.6) dat zowel vader als moeder niet meer zelfstandig beslissingen voor hun bedrijf mogen maken (…).

3.6.

Klager heeft op 18 september 2024 een e-mailbericht aan de notaris gestuurd waarin staat, voor zover van belang:

In aanvulling op mijn eerdere mail van 27-8 wil ik u nog mededelen dat mbt de in het akte van Depot genoemde pand aan [hof: adres bedrijfspand] op 10-4 in opdracht van Marco [hof: de broer], Ido [hof: de andere broer van klager], Hans-Jurgen [hof: klager] en vader Dick Wisselink door [hof: naam makelaar] getaxeerd is op een waarde van € 1.000.000,-.

Omdat de werkelijke waarde in mijn ogen nog vele tonnen hoger ligt (er volgen nog een of meer taxaties), heb ik alle belanghebbende partijen aangegeven dat ik het pand graag voor de getaxeerde maar ook voor meer per direct wil overnemen. Mocht er toch een overdracht plaatsvinden dan zijn niet alleen 2 van de drie erfgenamen van mijn moeder als aandeelhouder gedupeerd maar natuurlijk ook de belastingdienst (…).”

De notaris heeft de door klager in deze email genoemde taxatie niet opgevraagd bij klager.

3.7.

Op 8 oktober 2024 heeft de notaris de akte van levering met betrekking tot alleen het bedrijfspand gepasseerd. Ten behoeve van de overdrachtsbelasting is het geleverde deel op basis van een taxatierapport van 14 juni 2024 gewaardeerd op € 720.000,-. In de leveringsakte is als koopsom voor het bedrijfspand € 634.000,- vermeld.

4De klacht

Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, door:

a. op verzoek van de vader van klager de akte van depot/koopovereenkomst te passeren;

b. ondanks het feit dat vader onbevoegd was het pand te leveren, alsnog de akte van levering te passeren en zijn ministerie niet te weigeren. De notaris had moeten overleggen met de overige erfgenamen van erflaatster en de aandeelhouders van [bedrijf 1] alvorens tot levering over te gaan.

5Beoordeling

5.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel a: de notaris had geen depotakte mogen opstellen.

5.2.

Klager stelt dat de notaris niet zonder zijn medeweten en dat van zijn (inmiddels overleden) moeder en andere broer de akte van depot had mogen passeren. De notaris brengt naar voren dat door klager in beide instanties niet is toegelicht waarom hij dit niet had mogen doen.

5.3.

Met de kamer is het hof van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Klager heeft geen beletsel genoemd waarom de notaris een akte van depot met daaraan gehecht een koopovereenkomst niet zou mogen passeren. De notaris heeft geen bemoeienis gehad met de inhoud van de overeenkomst. Dat de opdracht tot passeren niet door vader, zoals door klager abusievelijk wordt gesteld, maar door de broer van klager is gegeven, is niet relevant. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waarom de notaris hier niet zijn medewerking aan had mogen verlenen. Klachtonderdeel a is ongegrond.

Klachtonderdeel b: de notaris had zijn medewerking niet mogen verlenen aan de leveringsakte.

5.4.

Ter ondersteuning van zijn klacht brengt klager het volgende naar voren. De ouders van klager waren in gemeenschap van goederen gehuwd. In 2022 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken waarbij de onder 3.2. genoemde afspraken zijn gemaakt inhoudende dat a) de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap niet zal worden verdeeld en b) de beheers- en bestuurshandelingen van de ontbonden gemeenschap zullen worden overgedragen aan een derde ( [naam] ). De notaris was op de hoogte van deze afspraken (vgl. 3.5.) en het had voor de notaris dus ook duidelijk moeten zijn dat hij niet zonder meer, buiten medeweten van [naam] en de overige deelgenoten, zijn medewerking had mogen verlenen aan de leveringsakte. Dat de afspraken uit de echtscheidingsbeschikking kennelijk niet strookten met de (ongewijzigde) gegevens in het handelsregister aangaande de formele vertegenwoordigingsbevoegdheid van vader had voor de notaris aanleiding moeten zijn voor het stellen van nadere vragen. Het is onzorgvuldig dat de notaris dit niet heeft gedaan. Klager heeft de notaris vervolgens nadrukkelijk gewezen (vgl. 3.6.) op een in opdracht van vader en de drie zonen opgesteld taxatierapport van 10 april 2024 waaruit blijkt dat de waarde van het bedrijfspand veel hoger (€ 1.000.000,-) is dan de door vader en een van de zonen overeengekomen koopprijs van € 634.000,-. Het is onbegrijpelijk dat de notaris ook daarin geen aanleiding heeft gezien om zijn ministerie te weigeren dan wel op te schorten. De notaris heeft, aldus klager, tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door ondanks de door klager verstrekte informatie zonder enig nader onderzoek zijn verdere medewerking te verlenen aan de leveringsakte.

5.5.

De notaris voert aan dat hij in juni 2024 opdracht heeft gekregen om uitvoering te geven aan de in 2023 tussen vader en zoon gesloten koopovereenkomst, doch alleen voor wat betreft de levering van het bedrijfspand. Hierbij kreeg hij een (in deze procedure niet overgelegd) taxatierapport van 23 mei 2023 toegestuurd, waarin het (gehele) verkochte was gewaardeerd op € 710.000,-. Ten behoeve van de vaststelling van de grondslag voor de overdrachtsbelasting heeft de notaris zelf een taxatie aangevraagd, die (per 14 juni 2024) uitkwam op € 720.000,- voor (alleen) het bedrijfspand. De notaris heeft het handelsregister geraadpleegd en hij heeft daarbij vastgesteld dat vader bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen. De notaris heeft kennisgenomen van de gemaakte afspraken in de echtscheidingsbeschikking. De notaris heeft verder, geheel onverplicht, de statuten van de vennootschappen bestudeerd. Uit deze statuten bleek evenmin dat er een beletsel was om de leveringsakte te kunnen passeren. Toen het de notaris duidelijk werd dat de op naam van de vader staande omliggende percelen buiten de levering moesten blijven, maar in de koopakte de koopprijs voor het bedrijfspand niet afzonderlijk was vermeld, heeft hij hierover navraag gedaan bij zijn opdrachtgevers, waarop de reactie was, dat nu het bedrijfspand een oppervlakte had van 5.237 m2 van de in totaal verkochte 5.997 m2, de koopsom voor het bedrijfspand € 634.000,- bedroeg. De berichten van klager voorafgaand aan de levering waren voor de notaris geen reden om een aanvullend onderzoek in te stellen. De notaris had zelf op basis van recente informatie een oordeel gevormd over de koopprijs en was hierbij tot de conclusie gekomen dat deze in lijn was met de taxatiewaarde volgens de rapporten die hem ter beschikking stonden. Uit de afspraken in de echtscheidingsbeschikking volgde niet dat de vader niet langer bevoegd was de verkopende vennootschap te vertegenwoordigen en dat stond ook niet vermeld in het handelsregister. Gelet op zijn geheimhoudingsplicht stond het de notaris daarnaast niet vrij om contact op te nemen met derden, waaronder klager. Klager kon geen rechten doen gelden ter zake van het bedrijfspand. Dat de transactie tegen de overeengekomen voorwaarden tot benadeling van klager zou leiden is evenmin komen vast te staan. De notaris betwist dan ook dat van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake is geweest.

5.6.

Het hof stelt voorop dat de functie van de notaris in het rechtsverkeer hem onder bijzondere omstandigheden verplicht tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wet op het notarisambt (Wna) om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Het hof is van oordeel dat de notaris dat in dit geval had moeten doen op grond van de volgende bijzondere omstandigheden.

5.7.

Voorafgaand aan de levering is de notaris door klager geïnformeerd over het feit dat:

- uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat de ouders van klager de beheers- en bestuurshandelingen van de ontbonden gemeenschap hebben overgedragen aan een administrateur ( [naam] );

- de koopovereenkomst tussen vader en een van de zonen nadien is gesloten buiten medeweten van moeder;

- [naam] evenmin van deze koopovereenkomst op de hoogte is gesteld;

- de koopovereenkomst betrekking heeft op de verkoop van onroerend goed binnen familierechtelijke sfeer.

De notaris is vervolgens door klager op de hoogte gesteld (vgl. 3.6.) van het feit dat:

- het over te dragen bedrijfspand in 2024 in gezamenlijke opdracht van vader en de drie zonen is getaxeerd waarbij de getaxeerde waarde veel hoger ligt (€ 1.000.000,-) dan de in 2023 overeengekomen koopprijs;

- moeder inmiddels was overleden;

- klager en zijn broer (twee van de drie erfgenamen van moeder) en de belastingdienst mogelijk ernstig benadeeld zouden worden indien de levering tegen de oorspronkelijke condities doorgang zou vinden.

5.8.

Bovendien had de notaris zich moeten realiseren dat het (economisch) belang bij het verkochte bedrijfspand (uiteindelijk) was gelegen bij de huwelijksgoederengemeenschap, zodat reeds hierom de toestemming van [naam] (mogelijk) was vereist (tenzij na het overlijden van moeder hiervoor een andere regeling was getroffen, of de nalatenschap al was verdeeld, maar niet blijkt dat de notaris hiernaar heeft gevraagd). Nu de eveneens verkochte omliggende percelen, die op naam van vader stonden en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden, van de levering werden uitgezonderd, had de notaris er bovendien rekening mee moeten houden dat dit kon zijn om het vereiste van medewerking van [naam] , ten aanzien van wie de notaris was geïnformeerd dat deze van de verkoop niet wist, te omzeilen.

5.9.

Ondanks al deze ‘alarmbellen’ heeft de notaris zonder meer zijn ministerie verleend, daarbij uitsluitend afgaande op de stukken die door de broer en de vader van klager waren aangeleverd en zonder nadere vragen te stellen of onderzoek te doen. De notaris, door klager vooraf op de hoogte gesteld van de problemen in de familierechtelijke sfeer en de mogelijke benadeling van klager en zijn broer als erfgenamen van moeder, had zijn ministerie moeten weigeren dan wel opschorten. De notaris had aanvullend onderzoek moeten doen naar de waarde van het bedrijfspand, in ieder geval door het in gezamenlijke opdracht uitgebrachte taxatierapport van 10 april 2024 op te vragen. Gelet hierop, kan verder in het midden blijven dat zonder nadere toelichting, die door de notaris niet is gegeven, de herleiding van een totale koopsom van € 710.000,- naar een koopsom voor alleen het bedrijfspand van € 634.000,- zoals hiervoor onder 5.2. vermeld, niet aanstonds begrijpelijk is. Ook had de notaris contact kunnen opnemen met [naam] , of in ieder geval aan zijn opdrachtgevers moeten aankondigen dat hij dit nodig achtte alvorens hij zijn ministerie kon verlenen. Het verweer van de notaris dat hij op grond van zijn geheimhoudingsplicht dit niet had mogen doen sorteert op grond van voormelde feiten en omstandigheden geen effect. Daarbij komt dat de notaris ook zelf, desgevraagd ter zitting, heeft erkend dat hij dit laatste wellicht had moeten doen. Door dit alles na te laten heeft de notaris zijn ambt niet in onafhankelijkheid en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uitgeoefend. Daarvan kan de notaris een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat vader in het handelsregister nog (steeds) vermeld stond als zelfstandig bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen doet aan het voorgaande niet af. De klacht is gegrond.

Conclusie en maatregel

5.10.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat klachtonderdeel a ongegrond is. Anders dan de kamer, is het hof van oordeel dat klachtonderdeel b gegrond is. Dit rechtvaardigt het opleggen van een maatregel, waarbij de ernst van het verwijt mede de zwaarte van de maatregel bepaalt. Door zijn handelwijze heeft de notaris kerntaken van het notarisambt – zorgvuldigheid en onafhankelijkheid – veronachtzaamd. Van een redelijk bekwaam en zorgvuldig handelend notaris had mogen worden verwacht dat deze adequater had gereageerd op de diverse e-mails van klager, meer onderzoek had gedaan en meer vragen had gesteld. De notaris had onder de gegeven omstandigheden veel meer moeten doen om aan zijn hierboven onder 5.6 bedoelde zorgplicht te voldoen alvorens zijn ministerie te verlenen, en indien daartoe aanleiding had bestaan deze moeten weigeren. Nu de notaris deze kerntaken van het notarisambt heeft veronachtzaamd is, een berisping passend en geboden.

5.11.

Omdat het hof grotendeels tot een ander oordeel komt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer geheel vernietigen.

Kostenveroordeling

5.12.

Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden.

5.13.

Omdat de uitspraak van de kamer wordt vernietigd en het hof de klacht (deels) gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klager in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 100,-, aan hem te vergoeden.

5.14.

Aangezien het hof de notaris wel een maatregel oplegt, wordt de notaris verder veroordeeld in de volgende kosten in hoger beroep waarbij wegingsfactor 1 overeenkomstig de richtlijn wordt toegepast op de laatstgenoemde post:

a. a) € 50,- kosten van klager;

b) € 1.050,- kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c) € 2.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.15.

De notaris dient het griffierecht en de kosten van klager binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager aan klager te voldoen. Klager geeft hiervoor een rekeningnummer op aan de notaris.

5.16.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De termijn waarbinnen en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan, worden door het LDCR schriftelijk aan de notaris meegedeeld.

6Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing,

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel a ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel b gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van berisping op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van de aan zijn zijde gevallen kosten griffierecht en kosten klager, bestaande uit € 100,- aan griffierecht eerste aanleg en hoger beroep en € 1.100,- kosten van klager, in totaal € 1.200,- binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,- aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris zal worden meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. O.J. van Leeuwen, C.H.M. van Altena en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door de rolraadsheer.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733