Rechtbank Den Haag 21-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13058

Essentie (gemaakt door AI)

Beperking van het recht op inzage en/of afschrift van processtukken (art. 811 Rv) – Verzoek toegewezen. In OTS‑kader verzoekt de Raad om het schaduwrekest en begeleidende brief niet te delen met moeder. De kinderrechter acht zich voorlopig bevoegd en weegt het recht van moeder op inzage en hoor en wederhoor af tegen de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van de minderjarigen. De belangen van de kinderen prevaleren, mede omdat moeder het herstelrekest ontvangt. Bepaald wordt dat het schaduwrekest en de brief niet worden verstrekt.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Moeder krijgt geen afschrift van schaduwrekest: belangen kinderen prevaleren
Beperking van het recht op inzage en/of afschrift van processtukken (art. 811 Rv). In OTS‑kader verzoekt RvdK om zhn. schaduwrekest en begeleidende brief niet te delen met moeder. Kinderrechter acht dat in belang kinderen.

Datum publicatie05-06-2026
ZaaknummerC/09/703693 / JE RK 26-662
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Privacy in de jeugdhulp; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beperking van het recht op inzage en/of afschrift van processtukken (art. 811 Rv) - Verzoek toegewezen

Volledige uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/703693 / JE RK 26-662

Datum uitspraak: 21 april 2026

Beschikking tot beperking van het recht op inzage en/of afschrift van processtukken (art 811 Rv)

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

volgens de Registratie Niet-Ingezetenen verblijvende in het Verenigd Koninkrijk.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift (herstelrekest ondertoezichtstelling), ontvangen op 20 april 2026;

  • het schaduwrekest en de begeleidende brief (aanvulling rekest ondertoezichtstelling), ontvangen op 20 april 2026.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

2.2.

Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden, verblijven [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met hun moeder in het buitenland.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld van 10 april 2025 tot 10 april 2026 en een machtiging verleend om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 10 april 2025 tot 10 oktober 2025.

3Het verzoek

De Raad verzoekt om het ingediende schaduwrekest en de begeleidende brief niet te delen met de ouders, op grond van artikel 811 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarigen noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid.

4De beoordeling

Absolute bevoegdheid

De kinderrechter maakt uit het verzoekschrift van de Raad het volgende op. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verbleven in Nederland, [de minderjarige 2] bij haar moeder en [de minderjarige 1] met een machtiging tot uithuisplaatsing bij Ipse de Bruggen. Op 27 juni 2025 ontving de jeugdbeschermer een melding van het crisisinterventieteam (CIT) dat [de minderjarige 1] zich in het buitenland zou bevinden (vermoedelijk met de moeder en [de minderjarige 2] ). De moeder is sindsdien niet teruggekeerd naar Nederland met de kinderen.

Op grond van artikel 5 Rv heeft de Nederlands rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.

Op basis van de - summiere - beschikbare informatie, gaat de kinderrechter er voorlopig, in afwachting van nadere informatie, van uit dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Volgens toelichting van de Raad is in dit geval sprake van een uitzonderlijk geval van verbondenheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de rechtssfeer van Nederland. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn allebei geboren in Nederland en hebben de Nederlandse nationaliteit. Voor zover bekend hebben zij tot juni 2025 in Nederland gewoond. Tot 10 april 2026 waren zij ook onder toezicht gesteld in Nederland. De kinderrechter acht zich bij de aldus aangedragen omstandigheden vooralsnog bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. De kinderrechter verzoekt de Raad om vóór de mondelinge behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling nader te onderbouwen waarom de Raad van oordeel is dat de Nederlandse rechter in die zaak bevoegd is.

Het juridisch kader – Beperking van het recht tot inzage/afschrift van processtukken

De kinderrechter heeft de moeder in de procedure tot ondertoezichtstelling aangemerkt als belanghebbende. Op grond van artikel 290, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben de verzoeker en iedere belanghebbende recht op inzage en afschrift van het verzoekschrift, het verweerschrift, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal. Dit vloeit mede voort uit het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermde recht op een eerlijk proces en het beginsel van hoor en wederhoor.

Op grond van artikel 811, tweede lid, Rv kan inzage en/of afschrift aan een belanghebbende van stukken die door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), het Openbaar Ministerie of een deskundige aan een rechter zijn verstrekt worden geweigerd op een van de gronden genoemd in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e en lid 5 van de Wet open overheid. Het verstrekken van de stukken kan achterwege blijven voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en/of openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt.

Aldus dient de kinderrechter een afweging te maken tussen enerzijds de belangen die gediend zijn met het niet verstrekken van de informatie, en anderzijds de belangen van de moeder die recht heeft op deze informatie, daarbij inbegrepen het recht op hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces.

De inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is, na een zorgvuldige afweging van de belangen van de moeder en de belangen van de kinderen, van oordeel dat het verstrekken van het schaduwrekest aan de moeder achterwege moet blijven. In de afweging van het belang van de moeder tegenover het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer en veiligheid, prevaleren de belangen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarbij weegt mee dat de moeder wel het herstelrekest en de daarin opgenomen onderbouwing ontvangt.

5De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

wijst het verzoek van de Raad om toepassing te geven aan artikel 811, tweede lid, Rv toe;

5.2.

bepaalt dat het schaduwrekest en de begeleidende brief, ingediend op 20 april 2026, niet aan de moeder zullen worden verstrekt.

Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.T. Verlinde als griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733