Hoge Raad 05-06-2026, ECLI:NL:HR:2026:845

Essentie (gemaakt door AI)

Personen- en familierecht. art. 1:253a BW. Verhuiszaak. Hoge Raad vernietigt beslissing waarin hof verzoeken en standpunten van vader uit e-mails buiten beschouwing laat met beroep op tweeconclusieregel. Bij art. 1:253a BW rechtvaardigt de aard van het geschil een uitzondering: rechter moet rekening houden met later aangevoerde grieven/veranderingen. Tevens had het hof moeten toetsen of goede procesorde zich verzet tegen terzijde leggen van te laat ingediende producties art. 87 lid 6 Rv jo. art. 362 Rv. Verwijzing.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Te late stukken man ten onrechte geweigerd: Hof had strijd met goede procesorde moeten onderzoeken
Hoge Raad vernietigt beschikking in verhuiszaak: Hof paste tweeconclusieregel te streng toe, gelet op aard zaak. Een verhuisbeschikking dient immers zoveel mogelijk gebaseerd zijn op recente omstandigheden, en in belang kind te zijn.

Datum publicatie05-06-2026
Zaaknummer25/01264
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:49; In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2025:19
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Familieprocesrecht; Twee-conclusieregel
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Art. 1:253a BW. Verhuiszaak. Uitzondering op tweeconclusieregel? Verzet goede procesorde zich ertegen dat stukken die later dan tien dagen voor zitting zijn ingebracht, buiten beschouwing worden gelaten (art. 87 lid 6 Rv in verbinding met art. 279 lid 6 Rv en art. 362 Rv) ?

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/01264

Datum 5 juni 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de vader,

advocaat: M.W. van der Heijden,

tegen

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de moeder,

niet verschenen,

2. STICHTING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL,

gevestigd te [plaats],

BELANGHEBBENDE in cassatie,

hierna: de GI,

niet verschenen.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaak C/05/421546 / FA RK 23-2077 van de rechtbank Gelderland van 23 oktober 2023 en 12 februari 2024;

b. de beschikkingen in de zaak 200.341.212 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025 en 17 juni 2025 (aanvullingsbeschikking).

De vader heeft tegen de beschikking van het hof van 7 januari 2025 beroep in cassatie ingesteld.

De moeder en de GI hebben geen verweerschriften ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof van 7 januari 2025, zoals aangevuld bij beschikking van 17 juni 2025, en tot verwijzing.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader en de moeder zijn de ouders van een zoon, geboren in 2010 (hierna: de zoon), en een dochter, geboren in 2011 (hierna: de dochter). De vader heeft de kinderen erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.

(ii) De ouders zijn in juli 2021 een ouderschapsplan overeengekomen dat een gelijkwaardig co-ouderschap inhoudt. Voor zover van belang zijn de ouders in het ouderschapsplan verder het volgende overeengekomen:

Hoofdverblijf
3. Het oudste kind zal ingeschreven worden op het hoofdverblijf van vader en het jongste kind zal ingeschreven worden op het hoofdverblijf van moeder. Indien nodig zal er een wijziging van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) plaatsvinden.

3.1

Ouders spreken hierbij af om beiden in de omgeving binnen een straal van 10 km van de huidige school te blijven wonen, zodat de kinderen naar de huidige school kunnen blijven gaan en om onderstaande zorgverdeling te kunnen blijven effectueren. Van deze bepaling kan enkel worden afgeweken als blijkt dat binnen 6 maanden, gerekend vanaf het moment dat partijen geen gezamenlijke huishouding meer voeren, het niet mogelijk is gebleken om binnen bovengenoemde straal passende woonruimte te kunnen betrekken. Ouders zullen dan gezamenlijk bespreken in hoeverre bovengenoemde afspraak aangepast gaat worden.”

(iii) De zoon woont sinds september 2022 bij de vader en diens partner. De zoon heeft vanaf dat moment geen contact meer met de moeder. Sinds mei 2023 woont de dochter bij de vader. Sinds juli 2023 heeft de dochter geen contact meer met de moeder.

2.2

In deze procedure heeft de vader verzocht, voor zover in cassatie van belang, te bepalen dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft en dat de toestemming van de moeder voor de door de vader voorgenomen verhuizing met de kinderen naar de omgeving van [plaats] wordt vervangen door toestemming van de rechtbank.

De moeder heeft als zelfstandig verzoek verzocht, voor zover in cassatie van belang, de vader te verbieden om met de kinderen te verhuizen buiten een straal van 10 kilometer van zijn huidige woning in [woonplaats], op straffe van verbeurte van een dwangsom, en een opbouwregeling vast te stellen voor het contactherstel tussen de moeder en beide kinderen.

2.3

De rechtbank 1 heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, aan de vader vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar de omgeving van [plaats] te verhuizen, en de verzoeken van de moeder afgewezen.

2.4

Het hof 2 heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de dochter, de vervangende toestemming tot verhuizing en de zorgregeling. Het hof heeft (i) afgewezen de verzoeken van de vader om te bepalen dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en om hem vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar de omgeving van [plaats], (ii) bepaald dat de vader uiterlijk op 1 augustus 2025 met de kinderen moet zijn terugverhuisd naar een woning in de omgeving van [woonplaats] en binnen een straal van 10 km van de in het ouderschapsplan bedoelde school, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en (iii) als zorgregeling een opbouwregeling vastgesteld waarbij wordt toegewerkt naar het in het ouderschapsplan genoemde co-ouderschap.

In zijn beschikking heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“2.2 De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen acceptatie door het hof van de door de vader aan het hof gezonden e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november [2024] met producties. Deze e-mails zijn volgens haar in strijd met de goede procesorde door vader zelf, zonder tussenkomst van een advocaat, ingediend. Zoals het hof op de mondelinge behandeling heeft beslist, worden de bij het e-mailbericht van de vader van 29 oktober 2024 gevoegde producties wel aan het procesdossier toegevoegd, omdat de vader zelf producties in het geding mag brengen ter ondersteuning van zijn ter zitting te voeren mondelinge verweer, mits deze niet later zijn ingediend dan op de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven genoemde tiende kalenderdag voor de mondelinge behandeling. Op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties wordt dan ook geen acht geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend. Hetzelfde geldt voor de namens de moeder bij journaalbericht van 13 november 2024 overgelegde productie XXI.

Het hof slaat voorts geen acht op de verzoeken en standpunten, voor zover deze door de vader zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024. Het hof verwijst in dat verband naar de zogenoemde ‘twee-conclusieregel’. Deze regel houdt in dat partijen in één schriftelijk stuk hun standpunt moeten uiteenzetten en dat het aanvoeren van standpunten in nadere stukken in beginsel niet mogelijk is (artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding gelezen met artikel 362 Rv) .”

3Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1.4 van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.2) dat het, gelet op de tweeconclusieregel, geen acht slaat op de verzoeken en standpunten van de vader voor zover deze zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof hiermee miskent dat bij de geschillenregeling van art. 1:253a BW de aard van het geschil met zich brengt dat een uitzondering op de tweeconclusieregel moet worden aanvaard, omdat het hof in dat geval een zodanige beslissing moet nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.1.2

Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. Voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen en voor een beslissing op een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen, geldt dat deze zoveel mogelijk dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW) . Om deze redenen mag de rechter ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of bij de beslissing op een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen, rekening houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt, en dient hij dit in beginsel ook te doen. 3

3.1.3

Uit hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen volgt dat de aard van het geschil in dit geval een uitzondering rechtvaardigt op de tweeconclusieregel. Het hof had dus niet op grond van die regel de verzoeken en standpunten van de vader die zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024, buiten beschouwing mogen laten. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht slaagt.

3.2.1

Onderdeel 1.2 bestrijdt het oordeel van het hof (in rov. 2.2) dat op de producties gevoegd bij het e-mailbericht van de vader van 13 november 2024 geen acht wordt geslagen omdat deze later zijn ingediend dan op de tiende kalenderdag voor de mondelinge behandeling. Het onderdeel klaagt onder meer dat uit art. 87 lid 6 Rv voortvloeit dat producties die na het verstrijken van de termijn van tien dagen genoemd in deze bepaling zijn ingediend, niet buiten beschouwing mogen worden gelaten indien de goede procesorde zich daartegen verzet. Het hof heeft niet kenbaar onderzocht of het buiten beschouwing laten van de door de vader ingediende producties in strijd is met de goede procesorde en heeft daarmee het wettelijk kader miskend, onder meer in het licht van de aard van de onderhavige procedure, aldus het onderdeel.

3.2.2

Deze klacht slaagt. Het hof had dienen te beoordelen of de goede procesorde zich verzet tegen het buiten beschouwing laten van de producties die de vader niet uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht. Daarbij diende het hof mede in aanmerking te nemen dat het in deze zaak gaat om een procedure op de voet van art. 1:253a BW over een verhuizing met minderjarigen, waarin de rechter zijn beslissing zoveel mogelijk dient te baseren op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak en een grote vrijheid heeft om alles wat door partijen is aangevoerd, in zijn beoordeling te betrekken 4 (zie ook hiervoor in 3.1.2). De aard van deze procedure zal in de regel meebrengen dat ook producties die later dan op de tiende dag voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht en die van belang zijn voor de beoordeling van de omstandigheden ten tijde van de uitspraak, door de rechter in zijn beoordeling worden betrokken.

3.3

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, zoals aangevuld bij beschikking van 17 juni 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.

1

Rechtbank Gelderland 12 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9878.

2

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:19, aangevuld bij beschikking van 17 juni 2025.

3

Vgl. HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764, rov. 3.2.

4

Vgl. HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764, rov. 3.4.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733