Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met verdeling huwelijksgemeenschap. Woning blijft aan man toegedeeld; hof stelt waarde vast op € 675.000 en vernietigt de waarderingsmethode van de rechtbank, bekrachtigt voor het overige. Verkoop woning afgewezen; voorwaarde ontslag vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Verzoek vrouw om inzage in bank- en beleggingsstukken en stukken over oplichting afgewezen wegens onvoldoende bepaaldheid en belang, met toepassing van art. 195 lid 1 Rv en art. 194 Rv; geen rekening en verantwoording, HR 1971 ECLI:NL:HR:1971:AB6790. IncidentenNieuwsitem
| Datum publicatie | 04-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.359.815/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 195 lid 1 Rv en artikel 194 Rv. recht op inzage of afschrift van stukken. Rekening en verantwoording HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.815/01 en 02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 578525)
beschikking van 21 mei 2026
in de zaak met zaaknummer 200.359.815/01:
[de vrouw]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C. Waanders
en
[de man]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. Patist
in de zaak met zaaknummer 200.359.815/02
[de man]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. Patist
en
[de vrouw]
die woont in [woonplaats]
advocaat: C. Waanders
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
In de zaak met zaaknummer 200.359.815/01
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) op 4 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 oktober 2025
- het verweerschrift met producties
In de zaak met zaaknummer 200.359.815/02
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, ingekomen op 16 december 2025
- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek
De andere in het geding gebrachte stukken in de zaken 200.359.815/01 en 200.259.815/02:
1.3
- een journaalbericht van mr. Patist van 27 maart 2026 met producties
- een journaalbericht van mr. Waanders van 3 april 2026 met producties, tevens aanvulling/ nadere concretisering verzoeken.
De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De kern van de zaak
Partijen, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn op [trouwdatum] met elkaar getrouwd in Maarssen, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Ook tijdens het huwelijk zijn er geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dat betekent dat partijen zijn getrouwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen zoals deze gold tot 2018. Tot deze gemeenschap behoort de woning aan [adres] (hierna: de woning).
Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 21 mei 2024 bij de rechtbank ingediend. In deze procedure hebben beide partijen verzoeken gedaan met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man heeft gevraagd om de woning toegedeeld te krijgen, partijen wilden bepaalde inboedelgoederen ontvangen en de vrouw wilde dat de saldi op de bankrekeningen en beleggingsrekeningen werden verdeeld. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om inzage in bankafschriften over het laatste half jaar voorafgaand aan het verzoek tot echtscheiding en wil ze meer stukken inzien die gaan over de oplichting bij de Bunq Bank.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken en – voor zover in hoger beroep nog van belang – het voortgezet gebruik van de woning aan de man toegewezen tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de wijze van verdeling van de woning aan de hand van een zogenoemd ‘spoorboekje’ gelast. Verder zijn aan de vrouw toegedeeld alle inboedelgoederen waar op de lijst (productie 13 van de vrouw) ‘ [de vrouw] ’ achter staat en is bepaald dat de bank- en beleggingsrekeningen op naam van de man of partijen samen worden voortgezet door de man en dat de man € 10.329,98 moet betalen aan de vrouw. Het verzoek van de vrouw om inzage te krijgen in de banksaldi en het verloop daarvan en ook om inzage in nadere stukken ten aanzien van de oplichting bij Bunq Bank op grond van artikel 195a Rv is afgewezen.
De echtscheidingsbeschikking is op 5 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In de zaak met nummer 200.359.815/01
De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof alsnog beslist dat de woning moet worden verkocht of, wanneer de man de woning toch toegedeeld krijgt, dit tegen een hogere waarde moet gebeuren dan de rechtbank heeft bepaald. Daarnaast wil ze afgifte van de aan haar toegedeelde inboedelgoederen en alsnog inzage in de bankafschriften en de stukken die gaan over de oplichting. Voor het geval het hof de inzage weigert wil de vrouw een hoger bedrag in verband met de verdeling van de banksaldi van de man ontvangen.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het hoger beroep van de vrouw en tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.
In de zaak met nummer 200.359.815/02
De man verzoekt het hof om te verklaren dat de vrouw alsnog gehouden is tot nakoming van de bestreden beschikking voor zover die de verdeling van de woning betreft. Zij moet daarom op eerste verzoek bij de notaris meewerken aan toedeling daarvan aan de man. Voor het geval zij dat weigert wil de man dat de beschikking van het hof in de plaats komt van de medewerking van de vrouw (artikel 3:300 BW) .
De vrouw voert verweer en wil dat dit verzoek van de man wordt afgewezen. Daarnaast vraagt zij het hof om de uitvoerbaarheid bij voorraad die gaat over de toedeling van de woning in de bestreden beschikking te schorsen.
conclusie
Het hof beslist dat de verzoeken in het incident worden afgewezen, vernietigt de bestreden beschikking alleen voor wat betreft de door de rechtbank vastgestelde waarde van de woning en stelt de waarde vast op € 675.000, onder bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.
3De toelichting op de beslissing van het hof
procesrechtelijk
De verklaring van de vrouw, als productie 22 bij beroepschrift ingebracht, laat het hof buiten beschouwing. Deze verklaring betreft de persoonlijke visie van de vrouw op het geschil en is daardoor niet als processtuk aan te merken: de visie van de vrouw wordt immers geacht door haar advocaat te zijn verwerkt in het beroepschrift. Een ander oordeel zou betekenen dat de vrouw in hoger beroep een extra schriftelijke ronde zou mogen nemen om haar standpunten uiteen te zetten. Het burgerlijk procesrecht biedt daartoe geen gelegenheid.
toetsingskader
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
Als peildatum voor de omvang van de gemeenschap geldt de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 21 mei 2024.
Voor de bepaling van de waarde van de woning moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit. Of en in hoeverre moet worden afgeweken van de hoofdregel zal het hof hierna beoordelen.
inboedelzaken (grief 1)
De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling grief 1 ingetrokken. Het hof hoeft dus geen beslissing meer te nemen op het verzoek van de vrouw ter zake van de inboedelzaken.
woning (grief 2)
De rechtbank heeft de woning aan de man toegedeeld en beslist dat de woning, die in 2023 op € 600.000 is getaxeerd, opnieuw moet worden getaxeerd en dat de gemiddelde waarde van deze twee taxaties de waarde is waartegen de woning moet worden verdeeld. De vrouw wil dat de woning wordt verkocht of, als dat verzoek niet wordt toegewezen, dat de woning voor een waarde van € 675.000 (de naar aanleiding van de bestreden beschikking vastgestelde taxatiewaarde) aan de man wordt toegedeeld. De man wenst bekrachtiging van de bestreden beschikking.
Van verkoop van de woning kan naar het oordeel van het hof op grond van de huidige feiten en omstandigheden geen sprake (meer) zijn. Een partij die de woning wil overnemen en daar ook toe in staat is, moet in beginsel in de gelegenheid worden gesteld de woning binnen een redelijke termijn toegedeeld en geleverd te krijgen. De vrouw wil de woning niet overnemen, de man wil dat wel. De man heeft, hetgeen door de vrouw niet is betwist, de financiering al geregeld en bovendien is onweersproken door de man gesteld dat het bedrag dat de vrouw uit hoofde van onderbedeling toekomt inmiddels bij de notaris op een derdenrekening staat. Ook is het hof niet gebleken dat de man niet in staat zou zijn om de financiering rond te krijgen bij een verdeling tegen de door de vrouw gewenste waarde van € 675.000. Hierdoor is het belang van de vrouw bij verkoop van de woning minder groot dan het belang van de man bij toedeling. Het primaire verzoek van de vrouw in hoger beroep tot verkoop zal het hof dan ook afwijzen.
Vervolgens is de waarde van de woning in geschil. De rechtbank heeft beslist dat uit moet worden gegaan van het gemiddelde van de taxatiewaarde van december 2023 van € 600.000 en een nog te taxeren marktwaarde per datum taxatie. Voor wat betreft de waardering van de hypotheekschuld is de rechtbank uitgegaan van de peildatum van de omvang van de gemeenschap, dus van 21 mei 2024 (r.o. 3.26 en de beslissing onder 4.6.1 onder c). Tegen rechtsoverweging 3.26 en de beslissing onder 4.6.1 onder c. is geen grief geformuleerd. Deze beslissing kan in hoger beroep dan ook niet worden aangetast.
De man wenst bekrachtiging van de beslissing onder 4.6.1. onder a, Volgens de man heeft de rechtbank met de overduidelijk trainerende opstelling van de vrouw over de – nagenoeg – afgelopen 2 jaar terecht een redelijke verdeling geacht, dat uitgegaan zou moeten worden van het gemiddelde van de taxatiewaarde van december 2023 (€ 600.000) en de actuele taxatie vrije verkoopwaarde (die na de beschikking op 8 juli 2025 werd bepaald op € 675.000). De vrouw is het daar niet mee eens. Zij heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing en een grief geformuleerd. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een waarde van € 675.000.
Het hof is van oordeel dat uitgegaan moet worden van de laatst getaxeerde waarde van € 675.000. De beslissing van de rechtbank dat de woning aan de man toegedeeld kan worden is op 4 juli 2025 genomen. Daags na het wijzen van de bestreden beschikking is de woning op 8 juli 2025 op een waarde van € 675.000 getaxeerd. Dat partijen kort na hun feitelijke uiteengaan een indicatie wensten van de waarde van de woning en daarom op 12 december 2023 in opdracht van de man een taxatie heeft plaatsgevonden waarbij de woning op een waarde van € 600.000 is getaxeerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook de stelling van de man dat de vrouw de echtscheiding en verdeling zodanig vertraagd heeft dat dit haar financieel moet worden aangerekend volgt het hof niet. De beslissing onder 4.6.1. onder a. kan dan ook niet in stand blijven. Grief 2 faalt voor een deel en slaagt voor een deel.
in het incident (primair) en vordering (subsidiair): recht op inzage (bankrekeningen en beleggingen), benadeling van de gemeenschap (grief 3)
In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Ook als degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt gevraagd de gegevens niet zelf onder zich heeft, maar de gegevens wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen, kan het verzoek worden toegewezen.
Artikel 194 Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Van de verzoekende partij kan niet worden verwacht dat elk afzonderlijk stuk wordt gespecificeerd, maar wel worden gevergd dat zij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een (potentieel) geschil. Het informatieverzoek moet dus voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. Met het bepaaldheidsvereiste wordt beoogd een passend evenwicht te vinden tussen de belangen van de informatieverzoeker en die van de informatiebezitter: de positie van de partij die om informatie vraagt, wordt enerzijds niet onredelijk bemoeilijkt doordat de gegevens waarover zij zelf niet beschikt, niet afzonderlijk hoeven te worden gespecificeerd. Anderzijds wordt de positie van de partij die over de informatie beschikt niet onredelijk geschaad, doordat het onderwerp waarop de verlangde gegevens betrekking hebben, voldoende nauwkeurig moet zijn afgebakend. Het vereiste van ‘voldoende belang’ brengt onder meer mee dat geen gegevens kunnen worden opgevraagd waarvan de verzoekende partij slechts vermoedt dat zij steun kunnen geven aan zijn of haar stelling. Een voldoende belang kan niet zijn gelegen in speculaties over een mogelijke gang van zaken en de wens om vermoedens handen en voeten te geven. Een speurtocht in de gegevens om te zien of men daarin aanknopingspunten vindt voor een claim moet worden voorkomen.
Het hof is van oordeel dat de vrouw niet voldoende heeft onderbouwd dat zij voldoende belang in de zin van artikel 194 Rv heeft bij inzage in de gevorderde afschriften van alle rekeningen op naam van de man (betaalrekeningen, spaarrekeningen, beleggingsrekeningen, cryptorekeningen over de maanden januari tot en met mei 2024, jaaropgaven 2023 van deze rekeningen) en ook opgave van de omvang van de oplichting bij Bunq/Open Bank/Bitvavo en alle onderliggende gegevens. De concrete feiten en omstandigheden staven geenszins dat er op voorhand sprake is van onregelmatigheden. Het lijkt er naar het oordeel van het hof op dat de vrouw zoveel mogelijk gegevens verzoekt in de hoop dat er voor haar iets bruikbaars tussen zit om haar rechtspositie te onderbouwen. De stelling van de vrouw komt erop neer dat van de man wordt verwacht dat hij volledige rekening en verantwoording aflegt. De aard van de huwelijkse samenleving brengt echter niet mee dat deze informatieplicht zodanig verstrekkend is dat de echtgenoten onderling rekening en verantwoording moeten afleggen.
1 Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende inlichtingen verstrekt over het door hem gevoerde bestuur en de omvang van de gemeenschap bij de ontbinding daarvan op 21 mei 2024. De man heeft voldoende inzage gegeven door het proces-verbaal van de aangifte en de correspondentie met Bunq Bank over te leggen. Ook de bank- en spaarsaldi op de peildatum zijn bekend. De vrouw speculeert slechts over wat er maandelijks na betaling van de vaste lasten van het salaris van de man overgehouden had kunnen worden. Dat is onvoldoende concreet en kan niet leiden tot de door de vrouw getrokken conclusie dat er gelden worden gemist. De vrouw heeft daar ter zitting toe aangevoerd dat zij moet kunnen vaststellen of het klopt. Met overlegging van bewijsstukken heeft de man de saldi van alle rekeningen op de peildatum aangetoond, zodat er geen aanleiding is om (nadere) inzage te geven in opeenvolgende bankafschriften over een aantal maanden om vast te kunnen stellen of het klopt. Het verschil van € 190 tussen de saldi van alle rekeningen per 31 december 2023 en de saldi per dezelfde datum in de IB aangifte 2024 wordt verklaard door een transactie op dezelfde dag.
Het vorenstaande nog daargelaten dat de man als onweersproken heeft gesteld dat hij de vrouw heeft aangeboden om samen alle bankafschriften door te nemen. De man heeft dus voldoende de gelegenheid geboden tot het geven van openheid van zaken. De vrouw heeft geen gebruikt gemaakt van die gelegenheid. Het verzoek van de vrouw wordt dus afgewezen.
De vrouw stelt dat de man de gemeenschap heeft benadeeld. Er dient dan sprake te zijn van het lichtvaardig maken van schulden, verspilling van goederen van de gemeenschap of het verrichten van rechtshandelingen zonder de vereiste toestemming van artikel 1:88 BW. Een en ander moet hebben plaatsgevonden na aanvang van het geding (de echtscheidingsprocedure) of binnen zes maanden daarvoor. Dat sprake is (geweest) van het lichtvaardig schulden maken, verspilling van goederen of verrichten van rechtshandelingen zonder de toestemming van artikel 1:88 BW is door de vrouw niet aangetoond. Zoals hiervoor al overwogen speculeert de vrouw over wat de man van zijn genoten inkomen had kunnen overhouden, maar onderbouwt dit, gezien de betwisting van de man, onvoldoende. Grief 3 faalt.
de zaken in het incident 200.359.815/02
Omdat het hof nu een einduitspraak zal doen in de hoofdzaak, heeft de vrouw geen belang meer bij de beoordeling van haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking onder r.o. 4.6.1. Het hof wijst het verzoek van de vrouw dan ook af. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de man op grond van artikel 223 Rv. Ook dat verzoek wijst het hof wegens gebrek aan belang af. Met het geven van de einduitspraak in de hoofdzaak verliest een verzoeker zijn belang bij een beslissing op zijn verzoek ex artikel 223 Rv, ongeacht of tegen deze einduitspraak een rechtsmiddel is aangewend en ongeacht of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2
proceskosten in de bodemzaak en in de zaken in het incident
De man verzoekt om de vrouw te veroordelen in de kosten van de schorsingsprocedure en de procedure ex artikel 223 Rv. De vrouw voert verweer. Het hof zal de proceskosten compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedures in het incident mede zien op de (verdeling van de) gemeenschappelijke woning van partijen. Datzelfde geldt voor de proceskosten van de bodemzaak.
4De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.359.815/01
vernietigt 4.6.1 onder a. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
de woning zal tegen een waarde van € 675.000 aan de man worden toegedeeld onder de voorwaarde dat de man zal bewerkstelligen dat de bank de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldlening zal ontslaan,
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2025 voor het overige,
verklaart de beschikking onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad, en
wijst het meer of anders verzochte af.
in de zaken met zaaknummer 200.359.815/02
wijst het schorsingsverzoek van de vrouw af, en
wijst het verzoek voorlopige voorzieningen (artikel 223 Rv) van de man af.
in de zaken 200.359.815/01 en 200.359.815/02
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep en in de zaken in het incident in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, L.D.M. Rubens-Snijders en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 21 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790.
HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056, NJ 2010, 139 met noot H.J. Snijders, en de noot van S.F.M. Wortmann in NJ 2018, 411 bij HR 31 augustus 2018.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
