Parket bij de Hoge Raad 29-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:513

Essentie (gemaakt door AI)

A-G Bartels adviseert verwerping van het cassatieberoep van de vrouw. Geschil: afwikkeling verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap met woning; vrouw wil verrekening van haar vorderingen (onderbedeling en achterstallige alimentatie) met aandeel man in overwaarde en opschorting meewerken aan verkoop. Hof bepaalt dat man deze schulden zoveel mogelijk uit zijn aandeel in de verkoopopbrengst via de notaris voldoet. A-G: terecht geen verrekening art. 6:127 BW; onvoldoende samenhang voor opschorting art. 6:52 BW; gekozen ‘

Nieuwsitem

Is achterstallige alimentatie verrekenbaar met helft overwaarde woning wegens verdeling?
Vrouw wil haar vordering uit hoofde van achterstallige alimentatie verrekenen met aandeel man in overwaarde woning. A-G: verrekening ex art. 6:127 BW niet mogelijk; aanspraak man op overwaarde is geen vordering van hem op haar. Verwerping.

Datum publicatie04-06-2026
Zaaknummer25/04243
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling;
Alimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Huwelijksvermogensrecht. Voldoening onderbedelingsvordering en achterstallige alimentatie. Verdeling. Art. 3:185 BW. Verrekening.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/04243

Zitting 29 mei 2026

CONCLUSIE

S.E. Bartels

In de zaak

[de vrouw]

tegen

[de man]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1Inleiding

Deze zaak, die al bijna negen jaar loopt, betreft de verdeling van een woning die deel uitmaakt van een ontbonden huwelijksgemeenschap. De vrouw wenst in de kern te bereiken dat de bedragen die haar toekomen uit hoofde van onderbedeling en achterstallige alimentatie worden ‘verrekend’ met het aan de man toekomende deel van de verkoopopbrengst van de woning, na voldoening van de hypotheekschuld en kosten. Net als de rechtbank heeft het hof beslist dat de man de bedoelde bedragen moet betalen uit de verkoopopbrengst. Tegen de wijze waarop het hof heeft voorzien in de voldoening van de vorderingen komt de vrouw in cassatie op, mijns inziens zonder succes.

2Feiten

Aan de in cassatie bestreden beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) ontleen ik dat partijen in 1981 in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, dat tussen hen in 2018 de echtscheiding is uitgesproken en dat de woning tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. 1

3Procesverloop

3.1

In 2017 heeft de vrouw bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) een verzoek tot echtscheiding ingediend, met nevenverzoeken, waaronder tot het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De man heeft een verweerschrift ingediend, eveneens met nevenverzoeken, waaronder het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Nadat op 14 maart 2018 een mondelinge behandeling had plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt, heeft de rechtbank bij beschikking van 19 juni 2018 de echtscheiding uitgesproken, die nadien in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Bij beschikking van 4 juni 2024, na een reeks eerdere (tussen)beschikkingen, heeft de rechtbank onder andere gelast – samengevat – dat de woning aldus wordt verdeeld dat deze aan (een) derde(n) wordt verkocht en geleverd via een door de rechtbank bepaalde makelaar, waarbij de “best mogelijke prijs” beslissend is, en met de verkoopopbrengst de hypotheekschuld wordt voldaan en de kosten door de man en de vrouw gelijkelijk worden gedragen. Voorts heeft de rechtbank in het dictum bepaald

“dat de finale afrekening terzake de te betalen vergoedingen gerelateerd aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap ter gelegenheid van de levering van de woning en de afrekening daarvan dient plaats te vinden, inhoudende dat de door de man uit hoofde van de verdeling(sbeslissingen) aan de vrouw verschuldigde bedragen alsdan zo veel als mogelijk uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de vrouw worden betaald”.

3.2

Bij beroepschrift van 2 september 2024 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 4 juni 2024. De man heeft een verweerschrift ingediend. Op 9 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar de vrouw is verschenen en de man niet. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd. Daarna heeft het hof, bij beschikking van 21 augustus 2025, de beschikking van de rechtbank van 4 juni 2024 vernietigd voor zover het de hiervoor onder 3.1 geciteerde beslissing betreft en – opnieuw rechtdoende – bepaald:

“dat de finale afrekening ter zake van de te betalen vergoedingen gerelateerd aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de schulden van de man uit hoofde van achterstallige alimentatie ter gelegenheid van de levering van de woning en de afrekening daarvan dient plaats te vinden, inhoudende dat de door de man uit hoofde van de verdeling(sbeslissingen) en uit hoofde van de alimentatie aan de vrouw verschuldigde bedragen alsdan zo veel als mogelijk uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de vrouw worden betaald”.

Het hof heeft dus de betaling van de achterstallige alimentatie toegevoegd aan dit dictum. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 4 juni 2024 bekrachtigd.

3.3

Voor zover in cassatie nog van belang heeft het hof daaraan het volgende ten grondslag gelegd:

4.1 Grief 1 (toedeling van de woning aan de vrouw)

(…)

4.1.3

De grief gaat niet op en het hof overweegt daartoe als volgt. De voorwaarde van ontslag uit de aansprakelijkheid van de man betreft naar haar aard weliswaar niet de vaststelling van de verdeling als zodanig, maar is niettemin een bij de uitvoering van de verdeling door de vrouw ten behoeve van de man te bewerkstelligen (hier: noodzakelijke) prestatie (HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722, rov. 3.8). Bij de door de vrouw voorgestane verdeling neemt de man de hypothecaire schuld al voor zijn deel, voor de helft, voor zijn rekening. Hij wordt daarbij immers niet onderbedeeld voor de (getaxeerde) hogere waarde van de woning, maar alleen voor de geringere overwaarde (die de vrouw becijfert op € 110.000, beroepschrift, pt. 2; hetgeen de man een vordering op de vrouw zou geven van de helft daarvan, te weten € 55.000). Daarmee strookt niet, zoals het verzoek van de vrouw meebrengt, dat de hypotheeknemer (de bank) de man nog steeds voor de hypotheekschuld zou kunnen aanspreken (waarbij de man bovendien het risico draagt van insolventie van de vrouw indien hij een regresvordering tegen haar zou instellen). Dát is, in de woorden van de vrouw, ‘het gevaar’ dat de man loopt. De man zou ten slotte niet alleen het risico dragen, aangesproken te worden tot betaling van de maandelijkse rentetermijnen (die de vrouw in het verleden heeft voldaan, maar waarvoor geen garantie bestaat dat dit in de toekomst ook zo zal zijn), maar ook voor de voldoening van de hoofdsom bij opeisbaarheid daarvan. Aldus zou de man, kort gezegd, anderhalf keer de schuld moeten betalen (de helft aan de vrouw en daarna het volledige bedrag aan de bank).

4.2

Grief 2 (deel 1, opschortingsrecht van de vrouw)

(…)

4.2.3

Het hof oordeelt als volgt. Met de door haar gewenste opschorting van de verplichting tot verdeling, heeft de vrouw kennelijk op het oog het in de bestreden beschikking aan haar opgelegde geheel van verplichtingen mee te werken aan verkoop en levering van de woning. De nakoming daarvan wil de vrouw opschorten totdat de man de vorderingen die zij op hem heeft, heeft voldaan. Het betreft de onderbedelingsvorderingen van € 59.528,50,-- (vanwege de aan de man toegedeelde vordering op zijn moeder. De vrouw noemt in haar pleitnotitie een bedrag van € 59.582,00,--, maar dat is een verschrijving); van € 11.293,50 (vanwege de aan de man toegedeelde aandelen BST bv; aldus ook pleitnotitie vrouw, p. 2 in fine, onder verwijzing naar prod. 1 in hb) en een vordering vanwege achterstallige alimentatie.

Het beroep van de vrouw op art. 6:52 BW gaat niet op. De vrouw is niet in staat de toedeling van de woning te financieren zonder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man wenst de woning niet over te nemen. Dit een en ander betekent dat de woning moet worden verkocht, zoals ook door de rechtbank is beslist. Tussen de verplichting van de vrouw mee te werken aan de verkoop van de woning (en levering) en haar vorderingen op de man bestaat onvoldoende samenhang om de opschorting van haar verplichting te rechtvaardigen, zoals art. 6:52 BW dat eist. Verkoop is juist noodzakelijk om de vorderingen van de vrouw (daaronder begrepen de achterstallige alimentatie) te kunnen voldoen. Daarop heeft de man onbestreden gewezen. Zoals de vrouw voor de financiering van de toedeling van de woning aan haar, eerst uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap vorderingen op de man moest hebben (waarover bs 22 juni 2021, rov. 2.9 en 2.10, hb. prod. 14), zo geldt voor de man dat hetgeen hem wordt toegedeeld ook gefinancierd moet worden uit de huwelijksgemeenschap. Aan dit aspect van de verdeling van de huwelijksgemeenschap gaat de vrouw voorbij. De rechtbank heeft dit in zoverre wél onderkend door ‘in het kader van de verdeling’ (bs 4 juni 2024, rov. 2.11), als volgt te beslissen (dictum):

‘bepaalt dat de finale afrekening terzake de te betalen vergoedingen gerelateerd aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap ter gelegenheid van de levering van de woning en de afrekening daarvan dient plaats te vinden, inhoudende dat de door de man uit hoofde van de verdeling(sbeslissingen) aan de vrouw verschuldigde bedragen alsdan zo veel als mogelijk uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de vrouw worden betaald;’

Met deze beslissing van de rechtbank wordt ook voldoende tegemoet gekomen aan de vrees van de vrouw dat de man zijn verplichting tot betaling van zijn schuld aan de vrouw niet zal nakomen. Het beroep op art. 6:262 BW, waartoe al onvoldoende is gesteld, gaat op dezelfde gronden niet op. De grief faalt op dit onderdeel.

(…)

4.4

Grief 3 (verrekening)

De vrouw heeft zich voor de rechtbank beroepen op verrekening van hetgeen de man aan haar verschuldigd is (aan achterstallige alimentatie en uit hoofde van de verdelingsbeslissingen) met het aan hem toekomende deel van de overwaarde van de woning. Daarop heeft de rechtbank beslist dat niet voldaan is aan de vereisten voor verrekening (van art. 6:127 BW) , omdat de aanspraak van de man op de overwaarde van de te verdelen woning niet kwalificeert als een vordering op de vrouw (bs 4 juni 2024, rov. 2.1).

De grief houdt in dat de rechtbank het beroep op verrekening had moeten toewijzen. De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, te bepalen dat de vordering van de vrouw op de man (ter zake van zijn overbedeling en alimentatieschuld) is verrekend met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning. Dit vanuit de kennelijke gedachte dat de vrouw aldus en in zoverre een groter deel van de verkoopopbrengst toekomt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij een vordering heeft op de man ‘om er aan mee te werken dat de ander [de vrouw] 50% ontvangt van het voordelige saldo’ (beroepschr., p. 6). Terecht voert de man daartegen aan dat de aanspraak op de overwaarde geen vordering is op de vrouw. De overwaarde realiseert zich pas bij verkoop en tot (dat gedeelte van) de koopsom zijn partijen gerechtigd jegens de koper. Van wederkerig schuldenaarschap is daarbij, zoals de man ook stelt, geen sprake. Aan de vereisten van art. 6:127 lid 2 BW is, ook overigens, niet voldaan. De grief faalt.

4.5

Grief 4 (finale afrekening)

4.5.1

De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de finale afrekening ter zake van de te betalen vergoedingen gerelateerd aan de verdeling moet worden voldaan ter gelegenheid van levering van de woning. De vrouw is van mening dat ook de alimentatie moet worden betaald uit het aan de man toekomende bedrag uit de overwaarde. De man heeft ook aangegeven dat hij zijn schulden wil voldoen uit het aan hem toekomende bedrag uit overwaarde. Dat betreft alle schulden.

4.5.2

De man voert kortweg het volgende aan: ‘Zoals aangegeven wil de man zijn schulden voldoen uit het aan hem toekomende bedrag uit overwaarde. Dat betreft alle schulden.’

4.5.3

Nu de man geen verweer voert, hij zelfs toezegt zijn schulden te willen voldoen uit het aan hem toekomende bedrag uit de overwaarde, zal het hof de beschikking op dit onderdeel vernietigen en het verzoek van de vrouw dat ook de alimentatie moet worden betaald uit het aan de man toekomende bedrag aan overwaarde toewijzen als nader omschreven in het dictum.”

3.4

Bij procesinleiding van 21 november 2025 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 21 augustus 2025, die ik hierna ook zal aanduiden als ‘de beschikking’. De man heeft een verweerschrift ingediend, waarin inhoudelijk op de klachten wordt ingegaan.

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het eerste uit drie subonderdelen. De thematiek van het cassatiemiddel is de wijze waarop het hof – net als de rechtbank – heeft voorzien in de voldoening van de vorderingen van de vrouw op de man.

4.2

Voordat ik de onderdelen bespreek, eerst het volgende. Buiten kijf staat dat de vrouw er belang bij heeft dat zij van de man krijgt wat haar toekomt en dat haar risico op het tekortschieten door de man wordt tegengegaan. De vrouw heeft in wezen aangevoerd dat zij vreest dat de man zijn verplichtingen uit hoofde van overbedeling en achterstallige alimentatie niet zal willen nakomen, in welk verband zij onder meer heeft aangevoerd dat de man de verschuldigde bedragen niet voldoet, “ook al woont hij met een vriendin in een duur appartement (van zijn broer, prod. 9), rijdt hij in een BMW van € 48.000,00 waarvan hij beweert dat hij die zakelijk nodig heeft, is hij in dienst van zekere [A] waarvan zijn vriendin enig aandeelhouder is en hij enig bestuurder (maar niet met het fiscale norm-salaris van € 56.000,00) is, kan hij, ofwel voor zaken ofwel op vakantie naar Italië.” 2 Wat er zij van deze stellingen van de vrouw, 3 gegeven is dat zij in ieder geval vreest dat de man zal tekortschieten en dat zij er belang bij heeft dat dat niet gebeurt.

4.3

De rechtbank heeft het hiervoor genoemde belang van de vrouw onderkend en heeft in dit verband in r.o. 2.11 van de beschikking van 4 juni 2024 onder andere overwogen dat zij zal bepalen dat de finale afrekening ter zake van de te betalen vergoedingen dient plaats te vinden “ter gelegenheid van de levering van de woning en de afrekening daarvan” en wel “in die zin dat de door de man uit hoofde van de verdeling(sbeslissingen) aan de vrouw verschuldigde bedragen onmiddellijk bij de levering van de woning zo veel als mogelijk aan de vrouw worden betaald uit zijn aandeel in de overwaarde”. Het dictum van de beschikking van 4 juni 2024 bevat een dienovereenkomstige bepaling (zie nr. 3.1 hiervoor). Het hof heeft deze oplossing van de rechtbank overgenomen en deze ook van toepassing verklaard op de achterstallige alimentatie (zie r.o. 4.2.3 en 4.5).

4.4

Ik begrijp de dicta van de rechtbank en het hof – gelet op de hiervoor aangehaalde woordkeuze – als volgt. Het uitgangspunt is dat, zoals gebruikelijk is bij vastgoedtransacties, de betaling van de kooprijs door de koper zal geschieden ‘via’ de kwaliteitsrekening van de notaris (vgl. art. 7:26 lid 3 BW) . Daarvan uitgaande is het vanuit praktisch oogpunt kennelijk de bedoeling dat de notaris die betrokken is bij de levering zodanig wordt geïnstrueerd dat de vrouw zo veel als mogelijk wordt voldaan uit het deel van de op de kwaliteitsrekening gestorte verkoopopbrengst van de woning dat toekomt aan de man, zodat het risico op tekortschieten door de man wordt tegengegaan. 4 De man is het met die gang van zaken eens (zie r.o. 4.5.1 en 4.5.2).

4.5

Hoewel het niet met zoveel woorden in het dictum van het hof staat, is de door de rechtbank bereikte en door het hof gehandhaafde oplossing volgens mij te begrijpen als een veroordeling van de man om in het kader van de verdeling van de woning medewerking te verlenen aan een zodanige gang van zaken, waaronder een zodanige instructie van de notaris. De man moet niet alleen het bedrag aan de vrouw betalen, maar moet ook ervoor zorgen dat dat op een bepaalde wijze gebeurt, te weten door aanwending van het deel van de op de kwaliteitsrekening gestorte verkoopopbrengst dat aan hem toekomt. Naar mijn begrip berust deze veroordeling van de man voor wat betreft de modaliteit van betaling, in ieder geval waar het de onderbedelingsvorderingen betreft, op art. 3:185 BW. 5 Indien (het gelasten van) de (wijze van) verdeling van een gemeenschap is verzocht, zoals hier, 6 geeft deze bepaling de rechter mede de bevoegdheid om partijen te veroordelen tot het verrichten van praktische handelingen – ook voor zover het verzoek die handelingen niet vermeldt – die nodig zijn voor het effectueren van de verdeling; gesproken wordt ook wel over een ‘spoorboekje’. 7 Tussen partijen staat niet ter discussie dat op dezelfde wijze moet worden omgesprongen met de achterstallige alimentatie, ook al betreft dat niet de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap (zie r.o. 4.5.1 t/m 4.5.3).

4.6

Deze oplossing van de rechtbank, die is gehandhaafd door het hof, vermindert naar mijn mening in belangrijke mate het risico van de vrouw dat de man niet wil nakomen. Praktisch geldt dat, zodra de woning is verkocht, de opbrengst bekend is en duidelijk is welke notaris voor de levering zal zorgdragen, de vrouw en de man met deze notaris zullen moeten afstemmen – idealiter voorafgaand aan de levering – welk bedrag aan wie zal worden overgemaakt nadat de koopprijs is ontvangen en de levering en nacontrole hebben plaatsgevonden. De vrouw en de man zullen de notaris moeten inlichten over het eerdergenoemde dictum van de beschikking van het hof en deze in overeenstemming daarmee instrueren om de bedragen die de man aan de vrouw schuldig is 8 rechtstreeks aan de vrouw over te maken. 9 Daarvoor zullen de vrouw en de man in ieder geval akkoord moeten geven op een nota van afrekening. Bij deze gang van zaken zal de vrouw rechtstreeks worden voldaan uit de verkoopopbrengst, zoals de rechtbank en het hof hebben voorzien.

4.7

Dan nu de onderdelen.

4.8

Ik zie aanleiding om te beginnen bij onderdeel 2. Het is gericht tegen r.o. 4.1.3 en r.o. 4.4 met betrekking tot grief 1 respectievelijk grief 3 en bevat een gemengde rechts- en motiveringsklacht die ziet op de wijze waarop het hof heeft beslist over de verdeling van de woning in relatie tot de onderbedelingsvorderingen van de vrouw. Ik vat enigszins samen. Het onderdeel richt zich tegen de beslissing om de woning niet aan de vrouw toe te delen (r.o. 4.1.3) en de beslissing om het aandeel van de man in de gemeenschap bestaande uit (de overwaarde inbegrepen in) de koopsom niet toe te delen aan de vrouw (volgens het onderdeel in r.o. 4.4). Deze beslissingen gaan volgens het onderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn onbegrijpelijk, omdat de grieven van de vrouw een beroep op verdeling van de woning én van de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom behelst waarbij aan de vrouw een zodanig groter aandeel dan de helft van de woning en/of de overwaarde inbegrepen in de koopsom wordt toegedeeld dat daarmee haar vordering wegens onderbedeling is verrekend. Het hof had dit zo nodig met behulp van art. 25 Rv moeten vaststellen. Het onderdeel werkt dit nader uit onder a en b:

a. Het uitgangspunt in geval van verdeling van een gemeenschap is dat vorderingen uit over- en onderbedeling kunnen worden verrekend, als gevolg waarvan het risico wordt voorkomen/verkleind dat een vordering uit onderbedeling niet kan worden verhaald (of een deelgenoot moet concurreren met andere schuldeisers). In het onderhavige geval is toedeling van de woning aan de vrouw afgewezen, wat tot het ongerechtvaardigde gevolg leidt dat zij om haar vordering uit onderbedeling te kunnen incasseren het risico moet lopen dat de man de vordering niet voldoet. 10 Reeds daarom brengen de redelijkheid en billijkheid 11 mee dat in casu de aandelen in de woning en/of in de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom ongelijk worden vastgesteld, welke mogelijkheid art. 3:166 lid 2 en 3:185 lid 2 BW bieden. 12 Tegen deze achtergrond is niet begrijpelijk waarom het hof de vordering van de vrouw niet heeft toegewezen door ‘toedeling’ aan haar van een groter aandeel in de woning en/of van de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom dan de helft.

b. Door de vrouw is in haar toelichting op grief 3 duidelijk gemaakt wat haar belang is bij ‘verrekening’ en wat haar bezwaar is tegen de ‘praktische oplossing’ die de rechtbank heeft bepaald, namelijk dat pas bij de levering van de woning moet worden betaald, 13 namelijk het debiteurenrisico, 14 welk bezwaar ten onrechte niet is betrokken bij de beslissing in rov. 4.1.3 over de verdeling/toedelen van de woning en/of van de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom, zodat onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd waarom de woning en/of de gemeenschap bestaande uit de overwaarde inbegrepen in de koopsom niet voor een groter deel dan de helft aan haar kon worden toegedeeld in het kader van de verdeling. 15

4.9

Het onderdeel slaagt mijns inziens niet.

4.10

Vooropgesteld: gelet op art. 1:100 lid 1 BW moet een zodanige verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden bereikt dat de vrouw en de man – die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd – ieder de helft verkrijgen van het saldo van de totale waarde van de goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap. 16

4.11

De klacht onder a voert op zichzelf terecht aan, in mijn woorden, dat art. 3:185 BW (in verbinding met art. 3:189 lid 2 BW) het hof in het kader van de verdeling van de woning de mogelijkheid bood om langs een andere weg tot dit resultaat te komen dan de weg die het heeft gekozen. 17 Dat zit zo. Na verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning komt als gevolg van zaaksvervanging (art. 3:167 BW) aan de vrouw en de man gezamenlijk de verkoopopbrengst toe. 18 Het hof zou, als ik het goed zie, hebben kunnen beslissen dat met toepassing van art. 3:185 lid 2, aanhef en onder a, BW een aandeel groter dan de helft daarvan aan de vrouw toekomt, waarmee dan de onderbedeling zou worden ‘rechtgetrokken’. 19 Dat is een andere manier om het door art. 1:100 lid 1 BW vereiste resultaat te bereiken.

4.12

Art. 3:185 BW laat de keuze echter, in beginsel, aan de rechter. 20 Hoewel dus de door het onderdeel bepleite oplossing mijns inziens mogelijk zou zijn geweest, is het tegen de achtergrond van de genoemde bepaling niet rechtens onjuist en ook niet onbegrijpelijk dat het hof – met de rechtbank – tot een ándere oplossing is gekomen. Waarom te begrijpen is dat het hof heeft gemeend dat de gekozen oplossing volstaat, kwam al aan het licht in nrs. 4.3 t/m 4.6. Hierbij moet verder nog in aanmerking worden genomen dat de door het hof gekozen oplossing onder de streep – praktisch – ook niet wezenlijk anders uitwerkt dan wat de vrouw bepleit: uit de op de notariële kwaliteitsrekening gestorte opbrengst wordt, voor zover mogelijk, de vrouw voldaan. 21

4.13

Men zou niettemin kunnen zeggen dat de rechtbank en het hof op detailniveau duidelijker hadden kunnen zijn over wat zij voor ogen hebben gehad waar het gaat om de voldoening van de vorderingen van de vrouw uit de verkoopopbrengst. Gelet daarop zou het mijns inziens goed zijn als de Hoge Raad een uitdrukkelijke overweging wijdt aan de meest voor de hand liggende uitleg van de beschikking op dit punt (zie nrs. 4.3 t/m 4.6 hiervoor), zodat de vrouw de bij de levering betrokken notaris zal kunnen tonen wat de verplichtingen van de man zijn in relatie tot de aanwending van de verkoopopbrengst.

4.14

Nu kom ik toe aan onderdeel 1. Dit bestaat uit subonderdelen 1.1 t/m 1.3. Zij zijn gericht tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot het beroep van de vrouw op verrekening en opschorting.

4.15

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen r.o. 4.4 met betrekking tot grief 3. Samengevat klaagt het subonderdeel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat een beroep op verrekening van de onderbedelingsvorderingen en het aan de man toekomende deel van de overwaarde niet mogelijk is. In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kunnen – als een beroep is gedaan op verrekening als bedoeld in art. 6:127 BW – vorderingen uit onderbedeling worden verrekend “met het aandeel van de overbedeelde in een nog te verdelen gemeenschappelijk goed”, zo betoogt het subonderdeel. Het subonderdeel verwijst daartoe naar een beschikking van de Hoge Raad 22 en de daaraan voorafgaande conclusie A-G. 23

4.16

Het subonderdeel slaagt niet. Het gaat ervan uit dat in het voorliggende geval verrekening in de zin van art. 6:127 BW mogelijk is, dus, gelet op de wettekst, het tenietgaan van twee of meer verbintenissen van de schuldeiser en de schuldenaar. 24 Op grond van die bepaling kunnen alleen verbintenissen van de schuldeiser en de schuldenaar (en dus niet van derden) worden verrekend. 25 Uit de rechtspraak vloeit niets anders voort. In de door het subonderdeel genoemde beschikking van de Hoge Raad 26 ging het – uiteindelijk – om tegenover elkaar staande verbintenissen van de vrouw en de man, ook al was daar óók sprake van ‘verrekening’ van pensioenaanspraken van de echtgenoten in die zin dat deze door toebedeling van die pensioenaanspraken werd overbedeeld, zodat aan de ander de helft van de waarde daarvan moest worden vergoed. 27 Het hof is dus uitgegaan van een juiste rechtsopvatting omtrent art. 6:127 lid 1 BW. Het hof stelt tegen die achtergrond in r.o. 4.4 in wezen vast dat de vrouw wel een vordering heeft op de man, maar de man geen vordering heeft op de vrouw: de aanspraak van de man op de overwaarde is geen vordering van de man op de vrouw. Deze vaststelling wordt in cassatie als zodanig – en terecht – niet bestreden. Het hof heeft het beroep op verrekening dus terecht verworpen.

4.17

Subonderdeel 1.2 is ook gericht tegen r.o. 4.4 met betrekking tot grief 3. Samengevat klaagt het subonderdeel dat het daar bereikte oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat de “van de koper ontvangen koopsom” op grond van art. 3:167 BW moet worden aangemerkt als vervangend goed dat in een gemeenschap van de vrouw en de man valt, wat het hof op grond van art. 25 Rv ambtshalve had dienen te constateren.

4.18

Het subonderdeel slaagt niet. Verondersteld dat de door het subonderdeel bedoelde zaaksvervanging op grond van art. 3:167 BW zich voordoet, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog steeds niet duidelijk welke verbintenissen (zie nr. 4.16 hiervoor) volgens de stellingen van de vrouw moeten worden verrekend, laat staan waarom het hof dat op basis van grief 3 en de toelichting daarbij had moeten onderkennen.

4.19

Subonderdeel 1.3 is gericht tegen r.o. 4.2.3 met betrekking tot grief 2, die ziet op de door de vrouw ingeroepen opschortingsbevoegdheid. Het subonderdeel klaagt over het oordeel van het hof dat de rechtbank met haar beslissing in het dictum voldoende tegemoet komt aan de vrees van de vrouw dat de man zijn verplichting tot betaling van zijn schuld aan de vrouw niet zal nakomen. Dit oordeel is onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel, omdat met de beschikking van 22 juni 2021 van de rechtbank de verplichting voor de man is uitgesproken om een bedrag van € 59.528,50 aan de vrouw te vergoeden en met de beschikking van het hof van 6 oktober 2022 (naar aanleiding van een eerder hoger beroep) al is vastgesteld dat de vrouw een overbedelingsvordering heeft van € 11.293,50 op de man en deze die vorderingen eenvoudigweg nog niet heeft voldaan. Een extra bepaling in het dictum van de beschikking van 4 juni 2024 van rechtbank en de beschikking van 21 augustus 2025 van het hof dat de man die bedragen aan de vrouw moet betalen uit de overwaarde voegt daar niets aan toe en biedt geen zekerheid, aldus het subonderdeel.

4.20

Het subonderdeel slaagt niet. Het hof oordeelt in r.o. 4.2.3 dat de voor opschorting op grond van art. 6:52 BW vereiste voldoende samenhang ontbreekt en daartegen wordt in cassatie – terecht – niet opgekomen. Het subonderdeel kan in zoverre dus bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. In cassatie wordt overigens niet bestreden dat, zoals het hof in r.o. 4.2.3 overweegt, verkoop (en levering) van de woning noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de man over voldoende liquide middelen zal komen te beschikken om de vorderingen van de vrouw te voldoen.

4.21

Verder merk ik nog op dat hiervoor in nrs. 4.2 t/m 4.6 duidelijk werd wat de toegevoegde waarde is van de door het subonderdeel bedoelde bepaling in het dictum, nu deze erin voorziet dat de man niet alleen wordt veroordeeld tot betaling, maar ook tot betaling op een bepaalde wijze, te weten door instructie van de notaris om de vorderingen van de vrouw te voldoen uit de op de notariële kwaliteitsrekening gestorte verkoopopbrengst, voor zover mogelijk. Naleving/tenuitvoerlegging daarvan biedt, zo kon het hof menen, de vrouw wel degelijk additionele zekerheid.

4.22

Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht en luidt dat gelet op de klachten van onderdelen 1 en 2 evenmin in stand kunnen blijven de oordelen van het hof in het dictum dat de beschikking van de rechtbank voor het overige wordt bekrachtigd en dat wordt afgewezen het meer of anders verzochte.

4.23

Het onderdeel slaagt niet, nu – naar ik meen – onderdelen 1 en 2 niet slagen.

4.24

De slotsom is dat het cassatieberoep mijns inziens moet worden verworpen.

5Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Zie r.o. 3 van de beschikking van 21 augustus 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2286).

2

Nr. 2 van de spreekaantekeningen (“memo”) van mr. I.M. van den Heuvel ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 9 juli 2025.

3

De man is niet verschenen ter mondelinge behandeling van 9 juli 2025 en is op die stellingen bijgevolg niet ingegaan. Het hof legt deze ook niet kenbaar ten grondslag aan zijn beslissing.

4

Vgl. B. Breederveld, ‘De verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap door de rechter’, in: F. Ibili, G.M.C.M. Staats & A.H.N. Stollenwerck (red.), Compendium Echtscheiding, Den Haag: Sdu 2023, p. 390 (slot).

5

Gelet op art. 3:189 lid 2 BW geldt art. 3:185 BW ook voor goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

6

De vrouw, en ook de man, heeft het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen verzocht. Zie nr. 3.1 hiervoor.

7

Deze term wordt met zo veel woorden gebruikt in rechterlijke uitspraken. Zie hierover bijv. T.M. Subelack, ‘De verdeling door de rechter, het spoorboekje en de waardering door een deskundige’, EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2025, p. 129-139. Dat de rechter in dit verband een grote vrijheid wordt gegund, blijkt ook uit Parl. Gesch. Boek 3 BW (1981), p. 619-620 (MvA II). Zie voorts M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B09), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 94-98, Asser/Perrick 3-V 2023/185 en 187, Breederveld 2023, p. 356-364 en 384-385 en M.J.A. van Mourik, L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart (m.m.v. J.G. Knot), Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding. Deel A, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 310-311. Vgl. HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722, r.o. 3.8 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, r.o. 3.5 (derde alinea).

8

Het hof stelt niet vast om welk totaalbedrag het gaat. Blijkens r.o. 4.2.2 en 4.2.3 gaat het hof uit van € 70.822 voor wat betreft de onderbedelingsvorderingen. Het bedrag van de achterstallige alimentatie stelt het hof niet vast, waarschijnlijk omdat dat bedrag kan fluctueren, mede op basis van de wettelijke rente.

9

De notaris zal daaraan mogen meewerken tegen de achtergrond van het Reglement beperking uitbetaling derdengelden van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Ik citeer uit de toelichting daarbij: “Evenmin mag geld worden overgemaakt (…) in een andere verhouding dan waarin partijen zijn gerechtigd (bijvoorbeeld bij gezamenlijke eigendom ieder voor de helft mag niet aan de éne gerechtigde 100% worden uitbetaald; zijn partijen in het kader van een verrekening bij het einde van een huwelijk of samenleving anders overeengekomen, dan mag overeenkomstig die verrekening worden uitbetaald, mits van deze verrekening blijkt uit een door partijen ondertekend stuk).” Dit reglement kwam ook aan bod in HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193, r.o. 3.6. Ik verwijs ook naar B. Snijder-Kuipers, ‘Onderzoek naar herkomst en bestemming van middelen’, in: Financiële zorgplicht van de notaris. Preadviezen KNB 2018, p. 159-161.

10

Voetnoten 18 en 19 van de procesinleiding bevatten een verwijzing naar p. 6 van het beroepschrift respectievelijk het volgende: “Voorts: dat de vrouw moet "concurreren" zijn met (andere) schuldeisers van de man, terwijl de verhaalsmogelijkheden van die andere schuldeisers vergroot worden, namelijk doordat de man is overbedeeld (en zij op die vermogensbestanddelen verhaal kunnen nemen) én de helft van de overwaarde als verhaalsobject aan die schuldeisers ter beschikking staat. Bij de door de vrouw voorgestane toedeling zou die overwaarde geen verhaalsobject voor die andere schuldeisers zijn.”

11

Voetnoot 20 van de procesinleiding bevat een verwijzing naar p. 4 van het beroepschrift en naar het memo van mr. Van den Heuvel van 9 juli 2025, ad 13 (aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juli 2025).

12

Voetnoot 21 van de procesinleiding bevat een verwijzing naar Asser/Perrick 3-V 2023/8.

13

Voetnoot 22 van de procesinleiding bevat een verwijzing naar p. 6 van het beroepschrift.

14

Voetnoot 23 van de procesinleiding bevat een citaat uit p. 6 van het beroepschrift: “In de door de Rechtbank gekozen oplossing (afrekenen bij verdeling”) moet appellante vrezen dat geïntimeerde opnieuw zijn verplichtingen niet nakomt.

15

Voetnoot 24 van de procesinleiding bevat het volgende: “De vrouw verzocht volledige toedeling van de woning aan haar, waarin toedeling van een kleiner deel dan het geheel (het mindere) dus is inbegrepen, zie rov. 4.1.1. De vrouw verzocht voorts toedeling van een groter aandeel in de gemeenschap bestaande uit (de overwaarde in) de koopsom aan haar en het hof heeft het verzoek van de vrouw en grief lIl kennelijk zo verstaan, getuige de woorden in rov. 4.4. “Dit vanuit de kennelijke gedachte dat de vrouw aldus en in zoverre een groter deel van de verkoopopbrengst toekomt.”

16

Zie vooral Breederveld 2023, p. 364-365. Zie ook Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/355.

17

De rechter, aan wie art. 3:185 BW rechtstreeks een bevoegdheid geeft, geniet in dit verband veel vrijheid. Zie voetnoot [6]. Art. 3:185 lid 2 BW is in dat verband niet limitatief. Zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, NJ 2013/490, r.o. 3.5. Zie bijv. ook nrs. 3.43 en 3.44 van de conclusie van 30 januari 2026 van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2026:122) in zaak 25/01904.

18

Gelet op art. 3:189 lid 2 BW geldt art. 3:167 BW ook voor goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Zo’n zaaksvervanging vindt echter niet plaats indien niet de woning als gezamenlijk goed wordt geleverd maar de aandelen van de vrouw en de man. Bepalend is de vormgeving van de levering. Zie Asser/Perrick 3-V 2023/55 (p. 90, halverwege). De vrouw en de man zouden, indien de zaaksvervanging werking heeft, gezamenlijk een aandeel verkrijgen in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, dat toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden als bedoeld in art. 25 lid 3 Wet op het notarisambt. Kortom, de vrouw en de man zouden dan elk ‘een aandeel in een aandeel’ hebben. Zie in verband met dat fenomeen bijv. S.E. Bartels & V. Tweehuysen, ‘Kan een mandelige zaak bezwaard worden met een beperkt recht?’, MvV 2026, p. 70-72, Asser/Perrick 3-V 2023/39a en L.C.M. Admiraal, ‘Wie is deelgenoot in de hoofdgemeenschap?’, WPNR 2023/7434, p. 811-813.

19

Toepassing van art. 3:185 lid 2, aanhef en onder a, BW kan behelzen dat tussen partijen een gemeenschap zal blijven bestaan, al ligt dat in de echtscheidingssfeer in beginsel niet voor de hand. Zie Breederveld 2023, p. 358 onder “Feitelijke verdeling”. Soms kan het in potentie nuttig zijn. Zie over het ‘rechttrekken’ van overbedeling als gevolg van de toedeling van goed A door middel van de keuze voor een bepaalde verdeling van goed B bijv. P.J.T. van Gompel & S. Mos-van Gool, ‘Contractuele verdeling’, in: F. Ibili, G.M.C.M. Staats & A.H.N. Stollenwerck (red.), Compendium Echtscheiding, Den Haag: Sdu 2023, p. 412. De rechter is bij de toepassing van art. 3:185 BW niet gebonden aan wat partijen omtrent de wijze van verdeling hebben gevorderd. Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (1981), p. 619 (MvA II) en ook HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534, r.o. 3.3 en HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631, NJ 1999/550, r.o. 3.3.

20

Zie de bronnen vermeld in voetnoten 7 en 19.

21

Of dat nu is omdat zij gerechtigd is tot een groter deel van die opbrengst dan wel omdat op die wijze de man zijn verbintenissen jegens haar nakomt, is mijns inziens niet van groot belang. Hoewel de vrouw op zichzelf terecht wijst op haar blootstelling aan debiteurenrisico bij de door het hof gekozen oplossing, heb ik niet kunnen aantreffen dat zij concreet heeft gemaakt hoe dat risico zich in de praktijk zou kunnen manifesteren indien de door het hof gelaste wijze van verdeling wordt toegepast, waaronder dus door de meerbedoelde instructie van de notaris. Bovendien is aan de mogelijkheden die art. 3:185 lid 2 BW biedt inherent dat een deelgenoot ten gevolge van de verdeling kan worden blootgesteld aan debiteurenrisico, nu “overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde” een daar voorziene wijze van verdeling is (onder b). Ik werk niet de mogelijke verschillen uit tussen de oplossing van het hof en de door de vrouw aangedragen oplossing voor het geval de man failliet gaat of in schuldsanering terechtkomt. De zaak, zoals deze in cassatie voorligt, bevat te weinig aanknopingspunten om door te rekenen wat de merites zijn van elk van de opties.

22

HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1491, rov. 3.5.

23

Nr. 2.6 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2014:286) voor HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1491.

24

Het woord ‘verrekening’ is in de echtscheidingscontext ook wel in andere, ruimere zin gebruikt, zoals bij ‘verrekening van pensioenaanspraken’, ook kortweg ‘pensioenverrekening’. Het gaat kort gezegd erom dat bepaalde pensioenaanspraken van één van de echtgenoten aan deze worden toebedeeld, zodat de andere echtgenoot recht heeft op een waardevergoeding (‘verrekening van de waarde’). Zie daarover bijv. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/280. In omliggende nummers gaat het om andere voorbeelden. Zie voor wat betreft de rechtspraak vooral HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 (Boon/Van Loon), r.o. 12 en, zoals vermeld in het subonderdeel, HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1491, rov. 3.5.

25

Art. 6:127 lid 1 BW is van aanvullend recht. Contractueel kunnen (uiteraard) ook andersoortige verrekeningsbevoegdheden worden bedongen. Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (1981), p. 490 (TM). Dat is hier niet aan de orde.

26

HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1491, rov. 3.5.

27

Zie voetnoot 24.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733