Essentie (gemaakt door AI)
Verzoek van vrouw tot verlenging van de partneralimentatie na het verstrijken van de 12‑jaarsduur wordt afgewezen. De onderhoudsplicht eindigt van rechtswege en het verzoek is tijdig, maar vrouw stelt en onderbouwt onvoldoende bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 1:157 lid 5 BW (oud). Hoewel de beëindiging ingrijpend is, had vrouw gelet op haar langdurige standpunt over ongeschiktheid, de hoge ontvangen alimentatie en beschikbare vermogensbestanddelen maatregelen moeten treffen ter overbrugging tot AOW. Verzoeken tot instandhouding bedrag worden mee‑Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-06-2026 |
| Zaaknummer | C/03/345167 / FA RK 25-1920 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Verlenging termijn partneralimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing van het verzoek de duur van de partneralimentatie (met een looptijd van 12 jaren) te verlengen ex 1:157 lid 5 BW oud. Vrouw heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt.Volledige uitspraak
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
C/03/345167 / FA RK 25-1920Zaaknummer : C/03/345167 / FA RK 25-1920
Beschikking van 4 mei 2026 betreffende alimentatie
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen, kantoorhoudend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
tegen:
[de man] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H.F.A. Bronneberg, kantoorhoudend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen.
1Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 3 september 2025;
het verweerschrift (met bijlagen) van de zijde van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 31 oktober 2025;
de brief (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op
9 januari 2026.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op
19 januari 2026, waarbij partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten spreekaantekeningen overgelegd.
Nadien is beschikking bepaald op heden.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
[datum 1] 2013 (C/03/172914 / S RK 12-756 en C/03/179126 / FA RK 13-497) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2013 ingeschreven het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand van de gemeente Sittard-Geleen.
Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren die thans nog minderjarig zijn.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 2012 (175328 / FA RK 12-1137) is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man een bedrag van € 8.166,67 per maand aan vrouw dient te betalen voor haar levensonderhoud.
De vrouw stelt onweersproken dat – zo begrijpt de rechtbank – de onder 2.3. vermelde voorlopige voorziening is gewijzigd op basis van een beschikking van deze rechtbank van
18 februari 2013, in die zin dat de man over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2013 geen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud hoefde te voldoen, waarna de man vanaf 1 juli 2013 weer het voormelde bedrag van € 8.166,67 per maand aan de vrouw verschuldigd was.
Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2014 (C/03/172914 / S RK 12-756 en C/03/179126 / FA RK 13-497) is de man veroordeeld om met ingang van 9 juli 2014 een bedrag van € 4.896,00 per maand te voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.
Bij beschikking van 24 september 2015 (F 200.157.388/01) heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch de voormelde beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2014 vernietigd en opnieuw beschikkend bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 5.370,00 per maand met ingang van 9 juli 2014.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 november 2018 (C/03/244737 / FA RK 17-5089) is de voormelde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van
24 september 2015 gewijzigd, in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2018 voor levensonderhoud van de vrouw heeft te betalen een bedrag van € 4.888,00 per maand.
Bij beschikking van 5 maart 2020 (200.254.508/01) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de voormelde beschikking van deze rechtbank van 12 november 2018 vernietigd en opnieuw beschikkend bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2018 als uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 7.796,00 per mand, met ingang van 1 januari 2019 € 7.951,92 per maand en met ingang van 1 januari 2020 € 8.150,72 per maand.
De man heeft bij verzoekschrift van 1 juli 2020 verzocht om – kort gezegd – de bij voormelde beschikking van 5 maart 2020 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vastgestelde bijdrage te verlagen. Dit verzoek is bij beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 2021 (C/03/279663 / FA RK 20-2392) afgewezen.
Bij beschikking van16 juni 2022 (200.302.522/01) heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch de voormelde beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 2021 vernietigd en opnieuw beschikkend de voormelde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van – zo begrijpt de rechtbank – 5 maart 2020 gewijzigd met ingang van
1 december 2022 en bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2022 als bijdrage in haar levensonderhoud € 6.963,00 per maand dient te betalen, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze bijdrage dan
€ 7.875,37 per maand.
Gelet op de geboortedatum van de vrouw – [geboortedag] 1960 – zal zij op [geboortedag] 2027 de AOW-leeftijd bereiken.
3 Het geschil
De vrouw verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
I. te bepalen dat de partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw wordt verlengd tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw, zijnde tot [geboortedag] 2027, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
II. te bepalen dat de man gehouden blijft tot betaling van een bedrag van € 7.875,37 per maand aan de vrouw, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2026;
kosten rechtens.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en concludeert tot afwijzing daarvan althans verzoekt de man om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat, een zodanige beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de eerste bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is bepaald ná 1 juli 1994 en vóór 1 januari 2020. Dit betekent dat de als gevolg van de Wet limitering alimentatie (Stb. 1994, 324 en 325) in het Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen regeling van toepassing is, meer specifiek de artikelen 1:157 lid 4 BW (oud) en lid 5 BW (oud).
Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW (oud) eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, welke termijn aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In het onderhavige geval is de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw dus van rechtswege geëindigd op [datum 2] 2025. De rechtbank stelt vast dat laatstgenoemde datum als zodanig niet in geschil is tussen partijen.
Op grond van artikel 1:157 lid 5 BW (oud) kan de rechter, indien de beëindiging van de partneralimentatie ten gevolge van het verstrijken van de termijn van twaalf jaren van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingesteld voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw is ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de onderhoudsplicht zijn verstreken. Dit betekent dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
In het geval dat op grond van artikel 1:157 lid 5 BW (oud) wordt verzocht om verlenging van de termijn van twaalf jaren, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Voor deze verlenging zijn derhalve bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde nodig en draagt deze daarvan ook de stelplicht en bewijslast. Bij het oordeel of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, kan volgens vaste rechtspraak (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3928) naast de financiële situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zich bevindt, ook van belang zijn in hoeverre de behoefte aan voortduring van de partneralimentatie nog verband houdt met het huwelijk en of de alimentatie-gerechtigde alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem/haar mag worden verwacht om financieel zelfstandig te worden.
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of beëindiging van de onderhouds-verplichting van de man ingrijpend is voor de vrouw. Indien dit namelijk niet het geval is, dan komt de rechtbank niet toe aan de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld onder 4.5. en kan het verzoek aanstonds worden afgewezen. De rechtbank stelt vast dat uit vergelijking van de situatie vóór de beëindiging van de onderhoudsverplichting met de situatie na beëindiging daarvan volgt dat de inkomensachteruitgang ten gevolge van de beëindiging voor de vrouw ingrijpend is. Niet in geschil is dat de vrouw tot aan de beëindiging van de onderhoudsverplichting een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ontving van de man van € 7.875,37 bruto per maand en dat zij daarnaast geen eigen inkomsten uit arbeid dan wel anderszins had. Met betrekking tot de periode na het eindigen van de onderhoudsverplich-ting verschillen partijen van mening over de vraag of en zo ja in hoeverre er aan de zijde van de vrouw uitgegaan dient te worden van inkomsten uit arbeid. De vrouw stelt zich in dat verband op het standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat zij daarom niet in staat is om te gaan werken en inkomsten uit arbeid te genereren. De man betwist dit standpunt van de vrouw en stelt dat het gerechtshof in de voornoemde uitspraak van 16 juni 2022 heeft geoordeeld dat vrouw een verdiencapaciteit heeft op grond waarvan zij in staat en gehouden moet worden geacht om een inkomen te generen van (geïndexeerd naar 2025) € 17.893,10 bruto per jaar oftewel afgerond € 1.491,00 bruto per maand. Wat er ook zij van dit verschil van mening tussen partijen, zelfs in het geval er veronderstellenderwijs vanuit zou worden gegaan dat de vrouw thans in staat zou zijn om voornoemd inkomen uit arbeid te genereren, dan zou er nog altijd sprake zijn van een terugval in het inkomen van de vrouw die kwalificeert als ingrijpend.
Nu de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient de rechtbank te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden heeft gesteld en voldoende heeft onderbouwd, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De rechtbank acht de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet van dien aard dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Naar de rechtbank begrijpt, beoogt de vrouw met haar verzoek om de periode van ongeveer 21 maanden, die gelegen is tussen het moment waarop de onderhoudsverplichting van de man eindigt en het moment waarop zij de AOW-leeftijd bereikt, financieel te overbruggen bij gebrek aan eigen inkomsten uit arbeid dan wel anderszins. Op grond van de stellingen van de vrouw en de overgelegde stukken, waaronder in het bijzonder de voormelde beschikkingen van deze rechtbank en van het gerechtshof, stelt de rechtbank vast dat de vrouw zich gedurende de afgelopen termijn van twaalf jaren van meet af aan en aanhoudend op het standpunt heeft gesteld dat zij volledig arbeidsongeschikt is en daarom geen inkomsten uit arbeid kan genereren. Dat betekent dat het voor de vrouw in redelijkheid te voorzien was dat zij niet binnen de termijn van twaalf jaren in staat zou zijn om door middel van arbeid inkomen te verwerven. De vraag is dan of de vrouw, gelet op de eindigheid van de partneralimentatie en met inachtneming van haar beperkingen, binnen die termijn er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om toch tot financiële zelfstandigheid te geraken, dan wel om haar financiële onzelfstandigheid te verminderen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De vrouw stelt dat zij gedurende de hele periode, dat wil zeggen vanaf de ingangsdatum van de voorlopige voorzieningen op 26 november 2012 tot aan het einde van de termijn van twaalf jaren op
27 september 2025, over 148 maanden in totaal een bedrag van € 1.065.402,36 bruto aan partneralimentatie van de man heeft ontvangen, hetgeen neerkomt op gemiddeld (€ 1.065.402,36 / 148 maanden =) € 7.199,00 bruto per maand. Gelet op de aanzienlijke hoogte van dit bedrag aan partneralimentatie, had het op de weg van de vrouw gelegen om gedurende de alimentatie-periode een deel van haar inkomsten te reserveren ter overbrugging van de relatief korte periode tussen het moment waarop de onderhoudsverplichting van de man eindigt en het moment waarop zij de AOW-leeftijd bereikt. Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat dit voor haar niet mogelijk is geweest, in die zin dat zij tot 5 januari 2026 niet meer heeft kunnen sparen dan € 64.747,42 omdat zij de afgelopen jaren zeer hoge kosten heeft moeten maken in het kader van de gerechtelijke procedures die gevoerd zijn tussen haar en de man, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij betrekt de rechtbank dat op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken is gebleken dat de vrouw niet alleen uit hoofde van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de ontbonden vennootschap onder firma die zij samen met de man had, per saldo aanspraak had op een bedrag van € 234.048,50 maar dat zij ook een erfenis heeft ontvangen van € 100.000,00. Hoewel tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat de vrouw het genoemde bedrag van € 234.048,50 deels heeft ontvangen door – zo begrijpt de rechtbank – het aandeel van de man in de echtelijke woning met gesloten beurzen over te nemen tegen een waarde van € 146.000,00 en voor het resterende deel door incasso en overboeking naar de vrouw, laat dit onverlet dat de vrouw hoe dan ook over voldoende vermogen c.q. liquide middelen beschikte om het door haar gestelde totaalbedrag van
€ 240.925,08 aan kosten te voldoen. In zoverre hoefde de vrouw de door haar ontvangen partneralimentatie dan ook niet aan te wenden voor deze kosten. Gelet hierop en nu bovendien tussen partijen niet in geschil is dat er geen (hypothecaire) geldlening is verbonden aan de eigen woning van de vrouw waardoor haar woonlasten laag zijn, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar uitgavenpatroon zodanig aan te passen dat zij voldoende gelden kon reserveren voor de periode nadat de alimentatieplicht zou eindigen. De rechtbank stelt echter vast dat de vrouw behoudens het voormelde spaarsaldo, niets heeft gesteld waaruit blijkt dat, en zo ja welke, concrete stappen zij daartoe heeft ondernomen.
Gelet op het voorgaande heeft de vrouw onvoldoende bijzondere omstandigheden aan haar zijde gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, zodat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
De vrouw heeft ‘kosten rechtens’ verzocht, hetgeen moet worden opgevat als een referte ten aanzien van het al dan niet opnemen door de rechter van een proceskosten-veroordeling van de wederpartij. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige procedure zullen de proceskosten op grond van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzochte af;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 4 mei 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
