Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-06-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3585

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Onterfde dochter vordert hogere legitieme portie en stelt dat overgang landbouwbedrijf op zoons/erfgenamen een gift of quasi-legaat is en dat de vof slechts hobby/belegging is. Hof oordeelt dat sprake is van een reëel agrarisch bedrijf; waardering conform art. 17 vof-akte (lonende voortzetting) is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Geen gift aanwezig; verdelings- en overnemingsbeding is geen quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2 a BW. Vonnis wordt bekrachtigd; proceskostenveroordeling in hoger beroep.

Nieuwsitem

Onterfde dochter maakt niet hard dat overdracht landbouwbedrijf aan zoons gift of quasi-legaat is
Onterfde dochter vordert hogere legitieme portie en stelt dat overgang landbouwbedrijf op zoons/erfgenamen een gift of quasi-legaat is en dat de vof slechts hobby/belegging is. Hof: reëel agrarisch bedrijf; geen gift of quasi-legaat.

Datum publicatie03-06-2026
Zaaknummer200.351.449
ProcedureHoger beroep
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Giften ex art. 4:67 BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Legitieme portie onterfde dochter. Is overgang landbouwbedrijf op de zoons/erfgenamen een gift of een quasilegaat? Bedrijf of hobby/belegging?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.351.449

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 433323)

arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. J.A. Jansens van Gellicum

tegen

1 [geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats]

beiden als executeur in de nalatenschap van moeder
advocaat: mr. A.C. Koekkoek

1Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank) op 20 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep

  • het arrest van 1 april 2025

  • het verslag (proces-verbaal) van de enkelvoudige mondelinge behandeling die op 1 mei 2025 is gehouden

  • de memorie van grieven

  • de memorie van antwoord

  • bijlage T33 van [appellant]

  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 23 maart 2026 is gehouden

1.2.

Partijen hebben het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2De kern van de zaak

2.1.

De moeder van partijen (moeder) is op 21 september 2021 overleden. Zij heeft op 7 september 2012 een testament gemaakt. Zij heeft daarin [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tot haar enige erfgenamen benoemd en [appellant] onterfd. Zij heeft [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook benoemd tot executeurs. [appellant] heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

2.2.

De vader van partijen is op 1 december 1996 overleden met achterlating van moeder en de drie kinderen als zijn erfgenamen. Op grond van de horizontale ouderlijke boedelverdeling (artikel 4:1167 BW (oud)) die vader heeft gemaakt zijn alle goederen en schulden van zijn nalatenschap overgegaan op moeder en hebben de kinderen een vordering op moeder gekregen.

2.3.

Vader had een landbouwbedrijf, dat al vier generaties in het bezit van zijn familie was. Hij exploiteerde dat bedrijf aanvankelijk als eenmanszaak en in zijn sterfjaar in de vorm van een vennootschap onder firma met moeder en [appellant] (‘ [bedrijfsnaam] ’), die deze vennootschap onder firma samen hebben voortgezet. Na ontbinding van deze vennootschap onder firma op 2 januari 2012 hebben moeder en [appellant] het vermogen daarvan verdeeld en heeft moeder het landbouwbedrijf alleen voortgezet. Op enig moment na het overlijden van vader zijn moeder en [appellant] ernstig gebrouilleerd geraakt.

2.4.

Met ingang van 1 januari 2014 zijn moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een vennootschap onder firma aangegaan: ‘ [bedrijfsnaam] ’ (hierna: de vof). Zij hebben de overeenkomst van vennootschap onder firma vastgelegd in een onderhandse akte (getekend op 15 juni 2014).

2.5.

Bij het aangaan van de overeenkomst van vennootschap onder firma hebben moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] het volgende in aanmerking genomen:

“ dat de vennoot sub 1 (hof: moeder) voor eigen rekening en risico een agrarisch bedrijf heeft geëxploiteerd dat zich in het bijzonder bezig houdt met het fokken en mesten van vee alsmede het telen van gewassen, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder dossiernummer [dossiernummer] ;

dat op de vennoot sub 1, mede gelet op haar leeftijd er van overtuigd is dat er op haar een maatschappelijke en morele verplichting rust om de voortzetting van het bedrijf na te streven en te bevorderen;

dat de vennoten sub 2 en sub 3 (hof: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) reeds in het bedrijf van de vennoot sub 1 werkzaam zijn;

dat de vennoten sub 2 en sub 3 beogen gezamenlijk met de vennoot sub 1 het bedrijf uit te

oefenen onder de voorwaarde om dat bedrijf, ook na het terugtreden van de vennoot sub 1, onder aanvaardbare financiële voorwaarden te kunnen voortzetten en verwerven, zodat een lonende exploitatie mogelijk is;

dat de vennoten zijn overeengekomen het economisch belang van alle cultuurgronden,

ondergrond en opstallen, in te brengen op de wijze zoals in deze overeenkomst nader is

vastgelegd;

dat met het toetreden van de vennoten sub 2 en sub 3 tevens wordt overgegaan tot een

herwaardering van de cultuurgrond;

dat de waardering van de cultuurgrond, exclusief de gebouwen, ondergrond gebouwen en

bijbehorend erf, geschiedt tegen de waarde in het economische verkeer bij voortgezette

agrarische bestemming (WEVAB) en wordt als zodanig ook op de balans van het bedrijf van de vennootschap opgenomen;

dat met betrekking tot de inbreng van het economisch belang van de onroerende zaken een beroep wordt gedaan op de vrijstelling als bedoeld in artikel 15 lid 1 onderdeel e WBR;

dat als gevolg van deze gedeeltelijke overdracht van de onroerende zaken een herwaardering van deze onroerende zaken plaatsvindt met toepassing van artikel 3.12 Wet inkomstenbelasting 2001; ”

2.6.

Moeder heeft in de vof onder meer juridisch ingebracht de roerende zaken, veestapel, machines en voorraden en vermogensrechten en economisch ingebracht onroerende zaken (bedrijfsgebouwen met ondergrond en erf en wat daarbij hoort en percelen cultuurgrond). Moeder heeft zich de stille reserves op de goederen die zij heeft ingebracht voorbehouden met uitzondering van die op de percelen cultuurgrond. Moeder heeft uitdrukkelijk niet ingebracht het woonhuis met wat daarbij hoort.

2.7.

Moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben afgesproken dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als moeder overlijdt het recht hebben het bedrijf van de vof voort te zetten en dat het aandeel van moeder in het vermogen van de vof dan op hen in gelijke delen overgaat, ter waarborging van de continuïteit van het bedrijf. Moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben verder afgesproken:

Verdelings- en overnemingsbeding

Artikel 17

1. De voortzettende vennoot verkrijgt krachtens verdeling het aandeel van de niet-voortzettende vennoot in alle goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen, onder de gehoudenheid de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de niet-voortzettende vennoot. De verdeling vindt plaats aan het einde van het

boekjaar danwel op het tijdstip van overlijden waarop de uitoefening van het

voortzettingsrecht heeft plaatsgevonden.

De waarde van dat aandeel is gelijk aan de kapitaaldeelname van de niet-voortzettende

vennoot in het bedrijf van de vennootschap, zoals die blijkt uit de balans van het bedrijf van de vennootschap op het moment van de verdeling, waarbij alle zaken, zowel roerende als onroerende, en vermogensrechten op het moment van verdeling worden gewaardeerd

overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname

van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het

bedrijf mogelijk.

2. De voortzettende vennoot heeft het recht om de vermogensrechten op de onroerende

zaken waarvan door de voortzettende vennoot het economisch belang krachtens verdeling

is verkregen, van de niet-voortzettende vennoot om niet en vrij en onbezwaard over te

nemen.

(…)”

2.8.

Met ingang van 1 februari 2014 zijn A.J.G. [persoon1] enerzijds en moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] anderzijds een overeenkomst van maatschap aangegaan: ‘Mts. [maatschap] ’. Zij hebben de overeenkomst van maatschap vastgelegd in een onderhandse akte (getekend op 30 oktober 2014). De maatschap is aangegaan voor bepaalde tijd tot 31 december 2026 en heeft tot doel de uitoefening van een agrarisch bedrijf. [persoon1] heeft in de maatschap ingebracht het gebruik en genot van percelen cultuurgrond (22.77.15 hectare); moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hun kennis, relaties, arbeid en vlijt. Na het overlijden van moeder hebben [persoon1] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de afspraken over de maatschap Mts. [maatschap] gewijzigd en aangevuld (onderhandse akte getekend op 12 juni 2024). Zij hebben de duur van de overeenkomst van maatschap verlengd tot 31 december 2030 en een perceel van 2.75.10 hectare onttrokken aan het gebruik en genot door de maatschap.

2.9.

Na het overlijden van moeder hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] Agrivesta Stap BV opdracht gegeven om de 21.92.51 hectare eigen grond van de vof met het oog op de aangifte voor de erfbelasting en het uittreden van moeder uit de vof te taxeren. Agrivesta Stap BV komt in haar taxatierapport van 3 mei 2022 uit op een waarde in het economisch verkeer voor de percelen grond en de bedrijfsgebouwen van € 1.447.000. De accountant van de vof heeft aan de hand van artikel 17 lid 1 van de vof-akte het aandeel van moeder in de vof berekend op € 271.950 en die berekening en de uitgangspunten daarvoor toegelicht in een brief aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] die in dit geding is overgelegd. De accountant is daarbij uitgegaan van de taxatie van Agrivesta Stap BV. Het aandeel van moeder in de vof is voor de erfbelasting aangegeven voor € 271.950. De Inspecteur heeft bij het bepalen van de aanslag erfbelasting deze waardering gevolgd.

2.10.

[appellant] heeft met het oog op de afwikkeling van de nalatenschap van moeder de 21.92.51 hectare eigen grond van de vof laten taxeren door Van Kessel & Van Gellicum Makelaars en Taxateurs BV, die in het taxatierapport van 28 februari 2024 uitkomen op een waarde in het economisch verkeer van € 1.731.500.

2.11.

[appellant] heeft [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaard dat haar legitimaire aanspraak € 280.675,66 bedraagt dan wel een bedrag dat de rechtbank zal bepalen.

2.12.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de legitieme aanspraak van [appellant] € 1.379,08 bedraagt, te vermeerderen met 1/6e deel van het aandeel van moeder in de nalatenschap van oma. De bedoeling van het hoger beroep is dat het hof alsnog voor recht verklaart dat de legitimaire aanspraak van [appellant] € 280.675,66 bedraagt dan wel een bedrag dat het hof zal bepalen.

2.13.

Het hof zal beslissen dat:

  • het bedrijf van de vof een ‘echt’ bedrijf is en geen hobby of belegging;

  • het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voor de berekening van de legitieme portie uitgaan van de afspraak over de waardering in artikel 17 van de vof-akte;

  • in het aangaan van de vof door moeder met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en in de beëindiging van die vof geen gift van moeder aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] besloten ligt;

  • het verdelings- en overnemingsbeding in de overeenkomst van vennootschap onder firma van moeder en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geen quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 letter a BW is.

Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en bepaalt dat [appellant] de kosten die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gemaakt in de procedure bij het hof dit hoger beroep aan hen moet vergoeden.

3De toelichting op de beslissing van het hof

De legitimaire massa volgens de rechtbank

3.1.

In dit geding gaat het om de legitieme portie van [appellant] in de nalatenschap van moeder. Haar legitieme portie is 1/6e deel van de legitimaire massa of 1/6e x (W+G-S). W is de waarde van de goederen van de nalatenschap op de sterfdag van moeder (21 september 2021). G zijn de in aanmerking te nemen giften. S zijn de schulden op de sterfdag van moeder vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW) . De rechtbank heeft de legitimaire massa in de nalatenschap van moeder op grond van artikel 4:65 BW vastgesteld als volgt:

Goederen (W)

  1. het aandeel van moeder in de vof € 271.950

  2. de juridische eigendom van niet-bebouwde onroerende zaken € 0

  3. het aandeel van moeder in de maatschap [maatschap] € 5.113

  4. volkswagen Polo 2007 € 2.250

  5. aandeel in de nalatenschap van oma PM

  6. bankrekeningen Rabobank € 39.649

€ 1.819

vordering op de vof € 5.000

totaal goederen € 325.781

Schulden (S)

  1. uitvaartkosten € 10.507,50

  2. erfdelen in de nalatenschap van vader € 286.999

  3. schuld aan de bank € 20.000

totaal schulden € 317.506,50.

Er zijn volgens de rechtbank geen giften (G) om in aanmerking te nemen. De rechtbank ziet in het aangaan van de vof door moeder met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en in de beëindiging van die vof geen gift van moeder aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . De rechtbank ziet in het verdelings- en overnemingsbeding in de overeenkomst van vennootschap onder firma van moeder en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geen quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 letter a BW, omdat de vergoeding van de agrarische waarde aangemerkt kan worden als een redelijke tegenprestatie.

De slotsom van de rechtbank is dat de legitimaire portie van [appellant] 1/6e x € 325.781 – € 317.506,50) of € 1.379,08 bedraagt te vermeerderen met 1/6e aandeel in de nalatenschap van oma.

De grieven (bezwaren) van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank

Grief 1-4: is de vof wel een bedrijf?

3.2.

[appellant] stelt dat de vof geen bedrijf is, maar een hobbyproject en een belegging. Dat heeft de rechtbank volgens haar miskend. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de vof een bedrijf uitoefent met haar grieven 1-4. Omdat de vof slechts een hobby of een belegging is, moeten alle zaken van de vof, zowel roerende als onroerende, en de vermogensrechten bij de verblijving aan en overneming door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bij het overlijden van moeder in afwijking van artikel 17 van de overeenkomst van vennootschap onder firma worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer. Er is geen aanleiding die goederen te waarderen overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is.

3.3.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat de vof een hobby of een belegging is. De vof oefende ten tijde van het overlijden van moeder wel degelijk een echt agrarisch bedrijf uit en doet dat na de voortzetting door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] nog steeds.

3.4.

Het hof overweegt het volgende. Het is niet eenvoudig een grens te trekken tussen bedrijf en hobby/belegging. Om de stelling van [appellant] en vervolgens haar grieven I-IV te beoordelen hanteert het hof de maatstaf die de pachtkamer van het hof heeft ontwikkeld voor de vraag wanneer sprake is van bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw op gepachte onroerende zaken (artikel 7:312 BW) . Die maatstaf bevat een aantal gezichtspunten die ook in het debat van partijen aan de orde komen en is zo algemeen geformuleerd dat zij ook buiten het kader van de pacht toepassing kan vinden.

3.5.

Voor bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw moet sprake zijn van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Daarvoor zijn de volgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:

  1. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;

  2. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;

  3. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;

  4. e vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval. 1

a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten

3.6.

Voor de gegevens over de omvang van het bedrijf van de vof slaat het hof acht op:

  • het meerjarenoverzicht over de jaren 2019-2023 dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in het geding hebben gebracht met daarop alle opbrengsten en kosten uitgesplitst per post, ook de jaarlijks ontvangen bedragen voor vee, gewasteelten, betalingsrechten, en de jaarlijkse bedrijfsresultaten; (productie 3 bij conclusie van antwoord);

  • de fiscale balansen bij de aangifte IB over de jaren 2019-2022 met daarop de activa en passiva, waaronder het ondernemingsvermogen en de fiscale winst- en verliesrekeningen (productie 4);

  • het financieel jaarverslag van Rundveebedrijf Prijs VOF 2018 (productie 5);

  • het ‘Beheercontract tussen Collectief Rivierenland en deelnemer’ waarin de Coöperatieve Agrarische Natuurbeheervereniging Collectief Rivierenland U.A en Rundveebedrijf Prijs VOF afspraken hebben gemaakt over agrarisch natuur- en landschapsbeheer (productie 6) met bijlagen (productie 7 en 8);

  • de overeenkomst van vennootschap onder firma en de overeenkomst van maatschap Mts. [maatschap] (2014) en aanvulling/wijziging daarvan (2024)’.

De bedrijfsactiviteiten van de vof zijn rundveehouderij (het fokken en houden van runderen), akkerbouw en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De vof heeft op dit moment 36 stuks vee. Dat zijn melk- en kalfkoeien, jongvee en fokstier(en), waarvan jaarlijks een deel wordt verkocht. In 2018 waren dat aan het begin van het jaar 31 en aan het eind van het jaar 27.

De meerjarenoverzichten 2019-2023 geven een goed beeld van de opbrengsten, de kosten en het resultaat van de vof. Op de volgende pagina zijn de belangrijkste gegevens uit deze overzichten vermeld (alle bedragen in euro):

Exploitatie jaar 2023 2022 2021 2020 2019

Opbrengsten 61070 36343 45242 38102 35032

Rundvee 14404 17156 13899 9646 4404

Gewasteelten 46666 25387 30397 28279 25813

Vleesvee -6200 946 176 4815

Toegerekende kosten 6721 4236 13906 9518 15531

Saldo sector(en) 54349 32107 31336 28584 19501

Overige bedrijfsopbrengst 35022 47128 49069 46079 35733

Huurontvangsten 275 500 5300 2908

Werk voor derden 5625 200

Betalingsrechten 9609 17450 18199 18093 18441

Aanvoerdrijfmest 13754 9913 11287 10910 3538

Beheers- en ganzenschade 11384 13640 14084 13962 12805

Overige bedrijfsopbrengsten 207 949

Niet-toegerekende kosten 34911 38009 13712 38475 39531

Afschrijvingen 10585 7226 -21672 6858 4465

Loonwerk 11535 2205 4365 2959 805

Onderhoud grond/gebouwen -4342 9005 9906 4752 9072

Onderhoud machines 7408 8863 10624 11264 13041

Autokosten 260 148 1387 1387 1387

Kantoorkosten 1034 1121 1180 1087 1078

Algemene kosten 7944 8850 7790 9751 9029

Overige personeelskosten 486 590 132 417 653

Bedrijfsresultaat 54459 41226 66693 36188 15703

Financiële baten en lasten -804 -405 -319 -380 -405

Resultaat 53655 40821 66374 35808 15298

Resultaat deelnemingen -7294 -7411

Resultaat 53655 40821 66374 28514 7887

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben op de mondelinge behandeling bij het hof gezegd dat zij ongeveer 50 hectare grond in gebruik hebben waarvan een deel wordt gepacht. Uit het financieel jaarverslag Rundveebedrijf Prijs VOF 2018 blijkt dat de vof 21.35.05 hectare eigen grond (in gebruik) heeft. Naar zeggen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is 25 hectare bestemd voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

b. Vinden voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaats?

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voeren aan dat zij wel van plan zijn om investeringen te doen (zoals het asbestdak en de trekker vervangen en grond bijkopen), maar dat zij dat nu nog niet kunnen en ook nog niet kunnen groeien, omdat hun de vordering van [appellant] van € 280.267,65 boven het hoofd hangt. Het bedrijf stagneert nu. Zij hebben ook € 95.666,33 uit het bedrijf moeten onttrekken om het erfdeel van [appellant] in de nalatenschap van vader uit te keren.

c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gezegd dat het rundveebedrijf met zoogkoeien dat zij hebben een extensief bedrijf is met een laag rendement. Zij verwachten wel dat zij na afloop van deze procedure investeringen kunnen doen en kunnen uitbreiden. Het bedrijf is al vier generaties lang in de familie. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn nu vijftigers en willen nog zo’n 15 jaar, in het bedrijf blijven werken. De zoon van [geïntimeerde1] , [zoon geïntimeerde1] , is nu 29 jaar oud en wil graag zijn vader opvolgen. Hij heeft een loonwerkersopleiding gedaan. [zoon geïntimeerde1] werkt op dit moment als hovenier en helpt daarnaast op het bedrijf met activiteiten als gras inkuilen, rollen maken en trekkers repareren. Hij wil in de toekomst meer in het bedrijf gaan werken, als [geïntimeerde1] minder gaat werken.

d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

[geïntimeerde1] heeft een baan als vrachtwagenchauffeur. [geïntimeerde2] heeft een baan als dienstverlener in de tuin- en akkerbouw. Daarnaast werken ze elk zo’n 20 tot 30 uur per week op het bedrijf. Dat gebeurt buiten de werktijden in dienstverband in de ochtenden vanaf 5 uur en in de namiddag en in de avonden vanaf een uur of 4 en in de weekenden.

3.7.

Het hof is op grond van de gegevens die hiervoor in 3.6. zijn vermeld en die niet zijn weersproken van oordeel dat de activiteiten van de vof zijn aan te merken als bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. Er is sprake van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Het hof zal vervolgens de grieven I-IV van [appellant] bespreken tegen de achtergrond van wat hiervoor in 3.5. en 3.6. is overwogen.

Grief I: de vof is geen bedrijf maar een hobbyproject of belegging

3.8.

[appellant] stelt dat de arbeid en vlijt die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben ingebracht heel beperkt is. Zij hadden in 2014 al een andere betrekking ( [geïntimeerde1] als vrachtwagenchauffeur en [geïntimeerde2] zoals [appellant] zegt hovenier) en hebben die daarna gehouden. De vof had en heeft niet als doel om echt een landbouwbedrijf uit te oefenen en daarmee in het levensonderhoud te voorzien. De vof drijft een rundveehouderij die klein van omvang is (17 koeien, 11 stuks jongvee en 1 stier). Het is een gemeenschappelijke hobby of een belegging, doordat de grond in waarde stijgt. De omzet bestaat grotendeels uit Europese subsidies en beheersvergoedingen voor het niet bewerken van het land. [appellant] stelt verder dat het houden van 35 zoogkoeien geen haalbare zaak is en onderbouwt dat met een bericht van [adviseur] , werkzaam bij J.V.L. Support Financieel Agrarisch Advies (productie T25). [adviseur] gaat uit van 35 koeien en 50 hectare (kruidenrijk) land en maakt een schatting van omzet, kosten en resultaten voor de jaren 2025-2030 en komt tot een negatief bedrijfsresultaat over die jaren.

3.9.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wijzen erop dat het bedrijf van de vof geen hobby is en dat zij 20 tot 30 uur per week op het bedrijf werken. Het bedrijf is hun leven. Zij hebben ook meerdere bedrijfsadviseurs. Het bedrijf is rendabel en heeft goede jaarlijkse winsten: in 2021 € 66.374, in 2022 € 40.821 en in 2023 € 53.655). Het is toekomstbestendig (biologisch vlees) en heeft groeipotentie. 48% van het jaarinkomen van [geïntimeerde1] komt uit het bedrijf, voor [geïntimeerde2] is dat 34%. Het is geen belegging. Het ondernemingsvermogen is een bron van inkomsten en niet een bron van speculatie. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] weerspreken de bevindingen van [adviseur] dat een sluitende exploitatie van het bedrijf niet mogelijk is.

3.10.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het bedrijf van de vof een hobby of een belegging is en niet tot doel heeft een landbouwbedrijf uit te oefenen. Daarvoor is onvoldoende dat het bedrijf klein is. Ook een klein bedrijf is een bedrijf. Ook is niet voldoende dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook een andere dienstbetrekking hebben. Uit de cijfers over de jaren 2019-2023 blijkt dat het bedrijf winstgevend is en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] met deze resultaten naast hun inkomsten uit dienstbetrekking voor een groot deel in hun levensonderhoud voorzien. De opbrengsten uit rundvee en akkerbouw enerzijds en die uit natuur- en landschapsbeheer (overige bedrijfsopbrengsten, zoals EU betalingsrechten en SAN-subsidie) zijn beide als opbrengsten van het bedrijf aan te merken. De verhouding tussen die opbrengsten is af te lezen uit het meerjarenoverzicht 2019-2023. Daaruit volgt bijvoorbeeld dat de opbrengsten uit rundvee en akkerbouw in 2023 € 61.070 waren en de overige bedrijfsopbrengsten € 35.022. Het is niet zo dat de resultaten van de vof praktisch alleen maar bestaan uit subsidies voor natuur- en landschapsbeheer. Het hof gaat voorbij aan het bericht van [adviseur] . [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] weerspreken de bevindingen van [adviseur] . Zijn bericht doet ook niet af aan de behaalde bedrijfsresultaten die in het meerjarenoverzicht 2019-2023 zijn vermeld. Grief I van [appellant] faalt.

Grief II: de vof [maatschap] (vof 2) en mogelijkheid van verkoop grond

3.11.

[appellant] stelt dat moeder een vof is aangegaan met overbuurman [persoon1] waarin [persoon1] heeft ingebracht het gebruik van percelen grond (27 hectare) en moeder haar arbeid en vlijt. Moeder heeft haar aandeel in de vof met [persoon1] ingebracht in de vof. Zo staat het op de balans van de vof over 2018 en op die over 2020, maar niet meer op die over 2022. [persoon1] heeft de vof in 2021 opgezegd. De beschikbare oppervlakte aan cultuurgrond is voor de vof meer dan verdubbeld van 20 naar 47 hectare en 2021/2022 meer dan gehalveerd tot 20 hectare. Dat doet wat met de opbrengst: 2021 € 66.374 en 2022; € 40.820. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben niets gedaan tegen dat verlies van beschikbare grond. Dat is ook logisch, omdat het bedrijf niet meer is dan een hobby of een belegging. Het was kennelijk geen probleem de 27 hectare gronden van [persoon1] voor de bedrijfsvoering te verliezen, maar wel een probleem om iets van hun eigen gronden te verkopen om [appellant] te betalen. De rechtbank had dat in haar oordeel moeten betrekken.

3.12.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben de maatschapsakte Mts. [maatschap] in het geding gebracht. Zij wijzen erop dat naast moeder ook [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vennoot zijn in die maatschap. Zij wijzen er verder op dat [persoon1] de maatschap niet heeft opgezegd en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op 12 juni 2024 aanvullende afspraken hebben gemaakt met [persoon1] en de maatschap hebben verlengd tot 31 december 2030.

3.13.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben de stellingen van [appellant] over de Mts. [maatschap] betwist en dat toegelicht onder verwijzing naar de maatschapsakten. Wat [appellant] stelt is niet komen vast te staan. Zij biedt ook geen bewijs daarvan aan. Grief II faalt.

Grief III: inkomsten uit subsidies en vergoedingen

3.14.

[appellant] stelt dat het grootste deel van de omzet van de vof kwam en komt uit subsidies en vergoedingen, waarvoor [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niets hoefden of hoeven te doen. Die subsidies houden voor een groot deel verband met de percelen die [persoon1] om niet ter beschikking heeft gesteld, waardoor sprake is van een schenking van [persoon1] . Van een lonende exploitatie van het bedrijf van de vof is sprake als twee of meer personen daaruit een inkomen kunnen halen dat hun in staat stelt nu en in de nabije toekomst in hun levensonderhoud te voorzien. Vanwege de subsidies en vergoedingen en de schenking van [persoon1] is hier geen sprake van een lonende exploitatie en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar uit te gaan van de redelijke agrarische waarde bij het bepalen van de legitieme portie van [appellant] .

3.15.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wijzen erop dat agrarisch natuurbeheer een agrarische activiteit is. Zij moeten daarvoor het land bewerken en onderhouden. Het bedrijf van de vof legt zich toe op biologisch rundvee (extensieve veehouderij) en agrarisch natuurbeheer, maar ook op akker- en weidebouw; beheersvergoedingen en betalingsrechten horen tot het bedrijfsresultaat. Van een schenking van [persoon1] is geen sprake. Een waardering van de (on)roerende zaken en van de vermogensrechten van de vof overeenkomstig een waarde waarbij een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is, is niet onaanvaardbaar.

3.16.

Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat het grootste deel van de omzet van de vof bestaat uit subsidies en vergoedingen waarvoor [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niets (hebben) hoeven (te) doen. Dat blijkt in elk geval niet uit de hiervoor weergegeven cijfers van de vof over de jaren 2019-2023 en het jaarverslag 2018. Ook is niet komen vast te staan dat sprake is van een schenking of gift van [persoon1] . [appellant] heeft niet goed toegelicht waaruit de verarming van [persoon1] en de verrijking van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (en moeder) bestond of bestaat en ook niet goed toegelicht dat [persoon1] de bedoeling had [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en moeder te bevoordelen door het aangaan van de maatschap. [appellant] biedt van haar stellingen op dit punt geen bewijs aan. Grief III faalt.

Grief IV: waardering aandeel vof – vof-akte niet toepassen

3.17.

[appellant] stelt dat de bedoeling dan wel het effect van de overeenkomst van vennootschap onder firma is om haar te benadelen en haar legitieme portie uit te hollen en om zo min mogelijk belasting te betalen bij de overdracht van de gronden. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] halen geen echt inkomen uit de vof maar krijgen wel het hele vermogen van moeder op de fiscaal gunstigste wijze. Dat blijkt uit de overeenkomst van vof en wel uit de considerans, de glijclausule, het niet voorbehouden van stille reserves en het niet opnemen van een meerwaardeclausule. De waarderingsafspraak in artikel 17 van de vof -akte is in lijn met de maatstaf van de Hoge Raad in de voortzettingsrechtspraak. Die is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid die verlangen dat de achterblijvende vennoten een agrarisch bedrijf kunnen voortzetten en zo in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar

er wordt geen bedrijf voortgezet. Er was ook geen familiebedrijf. Moeder heeft met vader en [appellant] paarden gefokt. Pas in 2014 is zij samen met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] koeien gaan houden. Er was geen langlopend rundveebedrijf dat van generatie op generatie is overgegaan en waarvan het voortbestaan gewaarborgd moest zijn. De omzet was beperkt, omdat er maar weinig koeien waren en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] elders werkten. Dat zij een relevant inkomen uit de vof zouden krijgen was niet de bedoeling. Na het wegvallen van de 27 hectare van [persoon1] in 2021 hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niets gedaan om het bedrijf anders in te richten. Moeder bracht haar hele vermogen in en kreeg maar 10% van de winst. De waardering op basis van artikel 17 van de vof-akte is € 279.950; de waardering tegen de waarde in het economisch verkeer € 1.731.500. De schade van [appellant] (te lage legitieme portie) door die waardering overeenkomstig de vof-akte is € 241.925, terwijl [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geen belang hebben bij toepassing van de afspraak in de vof-akte. Hun beroep op de waarderingsbepaling in de vof-akte is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat geen sprake is van een juist lonende voortzetting van een agrarisch bedrijf om een inkomensvoorziening te garanderen. Als [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] enkele percelen grasland verkopen om [appellant] uit te kopen kunnen zij op de overige percelen doorgaan met natuurbeheer en hun beperkte aantal koeien houden.

3.18.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten deze stellingen van [appellant] . Zij wijzen erop dat de legitieme portie van [appellant] zo laag is door de hoge schulden in de nalatenschap van moeder (en in de legitimaire massa) vanwege het erfdeel van vader van € 95.666 per kind. Door de rente sinds 1996 is die schuld meer dan 4,5 keer zo groot geworden als de hoofdsom van € 20.422.

3.19.

Is er ruimte voor het oordeel dat de afspraak die moeder, Evert en Nars in de vof-akte hebben gemaakt over de waardering van aandeel van moeder bij overlijden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is?

3.20.

Allereerst geldt dat niet is komen vast te staan wat [appellant] aan haar stelling dat dit zo is ten grondslag legt. De stelling van [appellant] dat de vof geen bedrijf exploiteert en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] met de resultaten van dat bedrijf niet beogen te voorzien in hun levensonderhoud zijn hiervoor al besproken en gepasseerd.

3.21.

Het aangaan van de vof, het verdelings- en overnemingsbeding en de afspraak over de waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten hebben gevolgen voor de samenstelling en omvang van de nalatenschap van moeder en voor de legitieme portie van [appellant] . Als moeder deze rechtshandelingen niet zou hebben verricht, zou haar nalatenschap anders zijn samengesteld. Zouden de onroerende zaken nog tot haar nalatenschap hebben behoord en niet economisch zijn ingebracht in de vof, dan zou de waardering daarvan normaal gesproken naar de waarde in het economisch verkeer zijn geschied. Het stond moeder tijdens haar leven vrij deze rechtshandelingen te verrichten. Dat die rechtshandelingen – net als alle andere rechtshandelingen van moeder tijdens haar leven – gevolgen (kunnen) hebben voor de omvang van de legitieme portie van [appellant] , betekent nog niet dat moeder al dan niet samen met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de bedoeling had [appellant] een hak te zetten en erop aan te sturen dat haar legitieme portie zo klein mogelijk zou zijn. Als die (rechts)handelingen giften zijn (zie hierna bij grief V van [appellant] ) doen die aan de legitieme portie van [appellant] niet tekort, omdat giften in aanmerking worden genomen bij het berekenen van de legitimaire massa (artikel 4:65 BW) . Bij de vraag of sprake is van een gift komen de overeenkomst van vof, de considerans daarvan, de glijclausule, het niet voorbehouden van stille reserves en het niet opnemen van een meerwaardeclausule aan de orde. Als het verdelings- en overnemingsbeding tot gevolg heeft dat de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof zonder redelijke tegenprestatie overgaan op [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (zie

hierna grief VI van [appellant] ), regelt artikel 4:126 lid 2 letter a BW dat de schuld van de

nalatenschap die door dit beding ontstaat niet meetelt bij het bepalen van de legitimaire massa en verkleint de legitieme portie van [appellant] niet.

3.22.

Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW) . [appellant] besteedt niet kenbaar aandacht aan deze gezichtspunten. De persoonlijke belangen van partijen zijn wel duidelijk. [appellant] heeft belang bij een waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof tegen de waarde in het economisch verkeer. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben belang bij de naleving van de afspraak die zij in artikel 17 van de vof-akte met moeder hebben gemaakt over een waardering waarbij een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is. Zonder die afspraak zouden zij het bedrijf van de vof niet kunnen voortzetten. Een maatschappelijk belang is de voortzetting van een agrarisch bedrijf dat zich mede richt op natuur- en landschapsbeheer. [appellant] heeft geen algemeen erkende rechtsbeginselen en in Nederland levende rechtsovertuigingen genoemd, waarmee in deze zaak rekening zou moeten worden gehouden. Ook anderszins is niet gebleken dat deze een rol spelen in deze zaak.

3.23.

Het hof is van oordeel dat het in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] uitvoering geven aan de afspraak die zij met moeder hebben gemaakt over de waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof. Zij komen de afspraken na die zij met moeder hebben gemaakt. Het is in hun persoonlijke belang en in het maatschappelijk belang dat zij het bedrijf van de vof kunnen voortzetten. Grief IV van [appellant] faalt.

Grief V: is sprake van een gift?

3.24.

Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt, mits die ander de prestatie heeft ontvangen of daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186 lid 2 BW) . Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; de rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. 2 Een gift kan ook besloten liggen in een samenstel van rechtshandelingen. 3 De legitimaris die een gift wil inkorten, heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift (artikel 150 Rv) .

3.25.

Bij een agrarische bedrijfsopvolging kan waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk zijn om de voortzetting van het bedrijf van een maatschap of vennootschap onder firma door de voortzettende vennoten te verzekeren. De rechtsbetrekkingen tussen de vennoten en, voor zover van toepassing, als deelgenoten in een gemeenschap van maatschap of vennootschap worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 1 BW en artikel 3:166 lid 3 BW) . Deze eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen bij agrarische bedrijfsopvolging meebrengen dat bij die

waardering geen sprake is van een bedoeling tot bevoordeling en een gift, maar van een verplichting tot nakoming om met die lagere waardering de voortzetting van het bedrijf mogelijk te maken. 4

3.26.

[appellant] stelt dat in het aangaan van de vof door moeder met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in combinatie met het verdelings- en overnemingsbeding een gift van moeder aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is gelegen. Daardoor heeft een aanzienlijke vermogensverschuiving plaatsgevonden van moeder naar [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Moeder is daardoor verarmd en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn verrijkt. Moeder had de bedoeling [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevoordelen. [appellant] constateert dat in de considerans van de vof-akte staat dat moeder ervan overtuigd is dat op haar de morele en maatschappelijke bedoeling rust om de voortzetting van het bedrijf te verzekeren. Volgens [appellant] heeft moeder die verplichting nooit gevoeld. [appellant] vergelijkt de vof-overeenkomst van haar met moeder en vader met die van moeder met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en concludeert dat haar niets was gegund en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] alles. In de vof-akte is in artikel 26 zelfs rekening gehouden met de mogelijkheid dat de overeenkomst van vennootschap onder firma en in het bijzonder de bepalingen over inbreng en die over de verdeling en overneming een gift zijn, die dan wordt vrijgesteld van inbreng in de zin van artikel 4:229 BW en volgende en waaraan de uitsluitingsclausule wordt verbonden. [appellant] brengt verder naar voren dat de bevoordeling ook blijkt uit de considerans in de vof-akte, de glijclausule, het niet voorbehouden van stille reserves en het niet opnemen van een meerwaardeclausule.

3.27.

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat moeder de bedoeling had hen te bevoordelen en vinden dat [appellant] haar stelling niet goed toelicht en onderbouwt. Zij wijzen erop dat de waarde van moeders aandeel in de vof € 271.950 bedraagt. Dat is niet niets. Over een meerwaardeclausule is niet nagedacht of gesproken. Geen van de adviseurs heeft dat aan de orde gesteld. Het ontbreken daarvan impliceert nog niet dat er wel een gift zou zijn. Ook een vergelijking van de verschillende overeenkomsten van vennootschap onder firma leidt niet tot het aannemen van een bevoordelingsbedoeling. Moeder heeft [appellant] niet onterfd op het moment dat de vof-akte is getekend (15 juni 2014), maar al eerder (7 september 2012). Daarbij zal de al jaren bestaande slechte verstandhouding van moeder met [appellant] een rol hebben gespeeld.

3.28.

Het hof is van oordeel dat het aangaan van de vof van moeder met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en de afspraken in de vof-akte, in het bijzonder het verdelings- en overnemingsbeding en de afspraak over de waardering die een nog lonende exploitatie mogelijk maakt, geen gift is. Grief V van [appellant] faalt.

3.29.

[appellant] heeft niet duidelijk gemaakt dat moeder de bedoeling had [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevoordelen. Uit de vof-akte blijkt dat moeder zelf uitging van een verplichting om de voortzetting van haar agrarisch bedrijf te verzekeren. Dat bedrijf had een lange voorgeschiedenis in de familie van vader. Aanvankelijk exploiteerden vader en moeder dat bedrijf samen. Op 1 januari 1996 hebben vader en moeder het bedrijf ingebracht in een vennootschap onder firma van hen beiden met [appellant] (‘ [bedrijfsnaam] ’). In die vennootschap onder firma hebben vader en moeder de onroerende zaken van dat bedrijf juridisch ingebracht. Na overlijden van vader hebben moeder en [appellant] dat bedrijf samen voortgezet. [appellant] en moeder hebben deze vennootschap onder firma in onderling overleg ontbonden per 2 januari 2012. Zij hebben alle onroerende zaken van de vennootschap onder firma toegedeeld aan moeder, met uitzondering van een perceel boomgaard in [plaats] , groot 1.01.20 hectare, dat aan [appellant] is toegedeeld. Voorts zijn alle andere goederen van de vennootschap onder firma aan moeder toegedeeld en heeft moeder alle schulden van de vennootschap onder firma overgenomen. Moeder en [appellant] hebben afgesproken dat deze verdeling plaatsvindt zonder verdere financiële afrekening. In de akte van vennootschap onder firma van vader, moeder en [appellant] was voorzien in een voortzettings- en verblijvingsbeding voor de voortzettende vennoot en een waardering van de onroerende zaken tegen de waarde in verpachte staat.

3.30.

[appellant] heeft niet ontzenuwd dat moeder zich verplicht voelde ervoor te zorgen dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] het bedrijf konden voortzetten en die verplichting is nagekomen door met hen een vennootschap onder firma aan te gaan met een voortzettingsbeding en een overnamebeding en een waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof tegen een waarde die een nog lonende exploitatie mogelijk maakt. Wat [appellant] aanvoert is onvoldoende om te constateren dat moeder die verplichting niet had en dat zij met de afspraken [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wilde bevoordelen. De afspraken in de vof-akte (van 15 juni 2014) en het ontbreken van een meerwaardeverrekening maken in dit geval niet dat toch sprake is van een bevoordelingsbedoeling en dus van een gift. Ook uit het door [appellant] genoemde artikel 26 van de vof-akte is niet af te leiden dat sprake is van een gift. In die bepaling is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in rechte komt vast te staan dat het aangaan van de vennootschap onder firma met alle afspraken die daarin zijn gemaakt een gift is. Dat met die mogelijkheid rekening is gehouden hoeft niet te verbazen, omdat in de agrarische praktijk procedures tussen een legitimaris en voortzettende vennoten/erfgenamen niet ongebruikelijk zijn en die procedures veelal draaien om de vraag of in het aangaan van een vennootschap onder firma een gift ligt besloten die meetelt bij de berekening van de legitieme portie. Rekening houden met de mogelijkheid dat een bepaalde (rechts)handeling een gift is, bewijst nog niet het bestaan van een gift. Zou dat wel zo zijn, dan is het overbodig uit te gaan van de mogelijkheid, omdat het dan een zekerheid zou zijn.

3.31.

Ook [appellant] heeft een tijdlang samen met vader en moeder in de vorm van een vennootschap onder firma het agrarisch (familie)bedrijf geëxploiteerd. De afspraken die vader, moeder en [appellant] hebben gemaakt wijken op onderdelen af van de afspraken die moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gemaakt. Zo ontbreekt in de afspraken van [appellant] met haar ouders een bepaling over waardering van de goederen van de vennootschap onder firma tegen een nog lonende exploitatie. Dat de afspraken van [appellant] met haar ouders anders zijn dan die van moeder, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , maken nog niet dat die afspraken dan een gift zijn, ook niet als ze, zoals [appellant] stelt, veel voordeliger zijn dan haar afspraken.

Grief VI: is er een quasi-legaat wegens het ontbreken van een redelijke tegenprestatie?

3.32.

[appellant] stelt dat het verdelings- en overnemingsbeding een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 letter a BW is, omdat bij het overlijden van moeder goederen van haar zijn overgegaan op [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en daarvoor geen redelijke tegenprestatie is afgesproken. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat er geen redelijke tegenprestatie is. Op [appellant] rust de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat de tegenprestatie niet redelijk is.

3.33.

De accountant van de vof heeft aan de hand van artikel 17 lid 1 van de vof-akte het aandeel van moeder in de vof berekend op € 271.950 en die berekening en de uitgangspunten daarvoor toegelicht in een brief aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] die in dit geding is overgelegd. De accountant is daarbij uitgegaan van het hiervoor al genoemde taxatierapport van Agrivesta Stap BV van 3 mei 2022 dat in opdracht van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is gemaakt met het oog op de aangifte voor de erfbelasting en het uittreden van moeder uit de vof en dat uitkomt op een waarde in het economisch verkeer voor de percelen grond en de bedrijfsgebouwen van € 1.447.000. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben het aandeel van moeder in de vof ook voor de aangifte erfbelasting gesteld op € 271.950.

3.34.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat geen sprake is van een redelijke tegenprestatie. [appellant] heeft wel aangetoond dat de tegenprestatie in dit geval lager is dan die zou zijn geweest bij een waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof naar de waarde in het economisch verkeer. In dit geval brengen de omstandigheden van het geval echter mee dat deze op het eerste gezicht minder dan redelijke tegenprestatie toch redelijk is, omdat daardoor de voortzetting van het familiebedrijf mogelijk wordt gemaakt.

Bewijsaanbod [appellant]

3.35.

[appellant] biedt aan stellingen die zij nader noemt te bewijzen en op welke wijze. Dit is slechts voor een deel van de stellingen relevant en (in hoger beroep) voldoende specifiek. Het gaat dan om bewijs van de wijze waarop moeder en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] samenwerkten en de stelling dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] met die samenwerking niet hoefden te voorzien in hun levensonderhoud. Het hof zal haar niet toelaten bewijs te leveren, omdat zij die stellingen in het licht van de gegevens omtrent het bedrijf van de vof en de betwisting van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onvoldoende heeft toegelicht.

De conclusie

3.36.

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 5

3.37.

De proceskostenveroordelingen in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4De beslissing

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 november 2024;

4.2.

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] :

€ 362 aan griffierecht

€ 9.414 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI)

4.3.

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

4.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

1

Hof Arnhem (pachtkamer) 12 mei 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI4361 (Van Boetzelaer c.s./Weenink).

2

HR 12 juli 2002, BNB 2002/317, rov. 3.5. en HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, rov. 3.2.2

3

HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:316, rov. 3.1.2.

4

HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437, rov. 3.1.2.; HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029, rov. 3.3.2; HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, rov. 3.4.4.

5

HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733