Rechtbank Rotterdam 29-01-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:5403

Essentie (gemaakt door AI)

Voorlopige voorziening waarin de minderjarigen aan vrouw worden toevertrouwd en vrouw het exclusieve gebruik van de echtelijke woning krijgt. Verzoek van man om gebruiksvergoeding wordt, met verwijzing naar ECLI:NL:HR:1993:ZC1099 en gelet op art. 1:81 BW jo. art. 1:84 BW, afgewezen. Kinderbijdrage wordt vastgesteld op € 462 per kind per maand, berekend op basis van draagkracht waarbij het NBI van man is bepaald aan de hand van zijn netto winstdeel uit een vereniging en onder aftrek van af te dragen inkomstenbelasting. Partnerbijdrage afgewezen.

Nieuwsitem

Man vraagt gebruiksvergoeding echtelijke woning van vrouw in VoVo: ontvankelijk, maar afwijzing
Vanwege de echtscheiding vraagt vrouw voorzieningen te treffen op het vlak van o.a. het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Man wil gebruiksvergoeding. Rb passeert ontvankelijkheidsverweer, maar wijst af gezien art. 1:81/84 BW.

Datum publicatie02-06-2026
ZaaknummerC/10/708442 / FA RK 25-7849
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie;
Familievermogensrecht;
Familieprocesrecht; Vovo art. 822 Rv
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Voorlopige voorziening, kinderbijdrage, draagkrachtberekening bepaald aan de hand van te ontvangen winstdeel vereniging, rekening houdend met de af te dragen inkomstenbelasting.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/708442 / FA RK 25-7849

Beschikking van 29 januari 2026 over voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. A.L. Slager te Goes,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. S. Kievit te Breda.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlage van de vrouw, ingekomen op 15 oktober 2025;

  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 5 januari 2026;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 6 januari 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mr. W. van der Sande;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op 11 juli 2001 met elkaar gehuwd.

2.2.

De minderjarigen kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] .

2.3.

De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan.

3De beoordeling

3.1.

Toevertrouwing van de minderjarigen

3.1.1.

De vrouw verzoekt de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen.

3.1.2.

De man weerspreekt het verzoek niet.

3.1.3.

Het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarigen aan de vrouw wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

3.2.

Woning

3.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de man te bevelen die woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden.

3.2.2.

De man weerspreekt het verzoek niet.

3.2.3.

Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

3.3.

Gebruiksvergoeding echtelijke woning

3.3.1.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, ter hoogte van de helft van de woonlasten (€ 1.144,50) per maand.

3.3.2.

De rechtbank verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoek. Het is, anders dan de vrouw betoogt, mogelijk bij voorlopige voorziening te bepalen dat aan de echtgenoot die bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dit gebruik slechts wordt toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC1099).

3.3.3.

De rechtbank ziet echter in deze zaak geen aanleiding om een gebruiksvergoeding toe te kennen. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning. Zolang de verdeling van de echtelijke woning nog niet heeft plaatsgevonden, blijft deze mede-eigendom bestaan en zijn partijen in beginsel voor gelijke delen gerechtigd tot het genot en gebruik hiervan. Op grond van artikel 1:81 BW in verbinding met artikel 1:84 BW geldt dat partijen elkaar tijdens het huwelijk het nodige moeten verschaffen. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de inkomensverschillen tussen partijen en het feit dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij de kosten van het gas, water en licht voor haar rekening neemt, geen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.

3.4.

Kinderbijdrage

3.4.1.

De vrouw verzoekt primair te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 571,- per maand per kind subsidiair een bedrag van € 518,-, zulks met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 15 oktober 2025.

3.4.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4.4.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

De ingangsdatum

3.4.5.

Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. Gelet op het feit dat de man sinds het uiteengaan van partijen het grootste deel van de lasten met betrekking tot de woning voor zijn rekening heeft genomen en dat hij daarnaast ook bedragen voor de minderjarigen is blijven betalen, zal de rechtbank als ingangsdatum de datum van deze beschikking hanteren.

De behoefte

3.4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 595,- per maand per kind en dus € 1.785,- in totaal bedraagt.

Draagkrachtberekening

3.4.7.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

3.4.8.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.

Draagkracht van de vrouw

3.4.9.

Partijen zijn het erover eens dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw omhoog is gegaan omdat zij vanaf september meer is gaan werken. Uit de loonstroken van de vrouw volgt echter dat zij in de maanden juli en augustus 2025 meer verdiende dan in september 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw daarover verklaard dat zij in de maanden juli en augustus 2025 extra heeft gewerkt. Zij heeft daarom meer verdiend dan in de maand september 2025. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw die extra uren niet zou kunnen blijven werken. Om die reden neemt de rechtbank een gemiddeld basisloon van de maanden juli, augustus en september 2025. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.607,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 1.495 per maand

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 150 per maand

- WGA en WW premie € 8,- per maand

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de vrouw vanaf februari recht heeft op kindgebonden budget, omdat de man zich dan zal hebben uitgeschreven op het adres van de echtelijke woning waar de vrouw met de minderjarigen verblijft. Gelet op de datum van de beschikking zal de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening houden met het kindgebonden budget van € 13.808,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

3.4.11.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200 vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365) en bedraagt € 322,- per maand.

Draagkracht man

3.4.12.

Partijen zijn het niet eens over de hoogte van het inkomen van de man. De rechtbank overweegt als volgt. De man werkt als zelfstandige voor een vereniging. Vanuit de vereniging maakt de man aanspraak op een deel van de winst. De man betaalt over de winst die hij ontvangt (inkomsten)belasting. In verband met een belastingschuld van de man, is de man in het verleden een lening aangegaan van met vereniging om deze schuld af te betalen. Vanuit deze situatie heeft de man met de vereniging afgesproken dat de vereniging in het vervolg de (inkomsten)belasting voor de man zou afdragen. Ieder jaar wordt, aan de hand van een verwachting van de te behalen winst, een inschatting gemaakt van het bedrag dat de man aam (inkomsten)belasting zal moeten betalen. Dit bedrag wordt door de vereniging in het begin van het jaar als schuld aangemerkt en ingehouden op het door de man te ontvangen winstdeel. De man ontvangt daardoor feitelijk geen inkomen meer van de vereniging waarover hij nog (inkomsten)belasting moet betalen (een bruto-inkomen), maar hij ontvangt inkomen waarop al (inkomsten)belasting is ingehouden (een netto-inkomen). Dit netto-inkomen wordt aan de hand van de verwachting van de te behalen winst begroot en maandelijks aan de man uitbetaald. Ieder kwartaal wordt vervolgens bekeken wat de werkelijke winst is geweest en of de man aan de hand daarvan nog aanspraak maakt op een extra betaling.

3.4.13.

Uit de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de man de afgelopen periode maandelijks een bedrag van € 4.307,- heeft ontvangen (zie ook productie 7 van de zijde van de man). Over dit bedrag is de man geen (inkomsten)belasting (meer) verschuldigd. Dit is dus netto-inkomen. Daarnaast heeft de man, zo volgt uit de kwartaalrekeningen (zie productie 6 van de zijde van de man), ontvangen:

  • € 1.266,- in het eerste kwartaal van 2025;

  • € 4.500,- in het tweede kwartaal van 2025;

  • € 1.337,- in het derde kwartaal van 2025.

Dit komt overeen met een gemiddeld extra inkomen van € 789,- per maand. Aldus bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man naar het oordeel van de rechtbank € 5.096,- per maand.

3.4.14.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.542,- per maand.

Woonlasten

3.4.15.

In tegenstelling tot wat partijen hebben betoogd, houdt de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van partijen geen rekening met hun werkelijke woonlasten. Hiervoor bestaat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alleen aanleiding wanneer sprake is van een draagkrachttekort. Nu hier geen sprake van is, zal de rechtbank bij beide partijen rekenen met het forfaitair berekende woonbudget van 30% van het NBI.

Draagkrachtvergelijking

3.4.16.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.864,-. De behoefte van de minderjarigen bedraagt in totaal € 1.785,- per maand.

3.4.17.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 1.542 / € 1.864 x € 1.785 = € 1.477,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 323 / € 1.864 x € 1.785 = € 309,- +

samen € 1.786,-

Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.477,- per maand ofwel € 492,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 309,- per maand ofwel € 103,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

3.4.18.

Partijen zijn het er over eens dat er een zorgkorting is van 5% voor de man.

3.4.19.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.785,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 89,- per maand.

3.4.20.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 1.387,- per maand en dus
€ 462,- per maand per kind.

Conclusie

3.4.21.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 462,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.4.22.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.5.

Partnerbijdrage

3.5.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 395,- per maand zulks met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 15 oktober 2025.

3.5.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.5.3.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen het rapport.

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.5.4.

De man betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte.

3.3.5.

De rechtbank overweegt dat medebepalend voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde is de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd. Verder zijn alle relevante omstandigheden van belang waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk, aan de hand waarvan wat betreft de kosten van het levensonderhoud het inkomensniveau kan worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald. Dit komt er op neer dat de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie maatwerk is, maar daarvoor is in deze voorlopige voorzieningenprocedure gelet op de aard daarvan geen plaats. De netto behoefte van de vrouw zal dan ook worden berekend aan de hand van de zogenaamde “hofnorm”, een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbare gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen.

3.5.5.

De rechtbank gebruikt voor het bepalen van het netto inkomen van de vrouw dezelfde cijfers als bij het berekenen van de draagkracht voor de kinderbijdrage.

3.5.6.

Partijen hadden tijdens het huwelijk de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van circa € 7.705,- netto per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van € 1.785,- per maand. De netto behoefte, ofwel de huwelijksgerelateerde behoefte, van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.552,- in 2025. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om een bedrag van € 3.715,-.

Aanvullende behoefte

3.5.7.

Op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw moet haar inkomen van
€ 2.609,- netto per maand in mindering worden gebracht, alsmede het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen van € 309,- per maand, waarna (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) een aanvullende behoefte van € 1.911,- bruto per maand resteert.

Draagkrachtberekening

3.5.8.

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport. Zoals hiervoor bij de kinderbijdrage is berekend, bedraagt het huidig netto besteedbaar inkomen van de man € 5.096- per maand.

3.3.9.

De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)]. Dat komt neer op een bedrag van € 1.321,-.

Conclusie

3.5.9.

Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal
€ 2.894,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 2.202,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van
€ 1.321,- per maand.

3.3.11.

Na aftrek van de kinderbijdrage verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 1.476,- per maand resteert een negatief bedrag van € 155,- per maand. Er is dus geen ruimte voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

3.6.

Proceskosten

3.6.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;

4.2.

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , gemeente [gemeente] alsmede tot het gebruik van de zich daarin bevindende inboedel;

4.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van de beschikking als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 462,- per maand per kind;

4.4.

bepaalt dat deze onderhoudsbijdragen per 1 januari 2027 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;

4.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 29 januari 2026.

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkrachtberekening

Tarieven

2026-1

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

17.940

44

Vakantietoeslag

1.435

Bruto inkomsten

19.375

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

1.800

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

17.575

59

Inkomsten

17.575

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

17.575

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

17.575

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

6.283

95

Inkomensheffing box 1

6.283

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

17.575

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

6.283

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

7.149

Inkomen na aftrek inkomensheffing

17.575

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

3.115

jaar

Arbeidskorting

2.736

jaar

Combinatiekorting

1.298

jaar

Bij: Kindgebonden budget

13.808

Af: Netto premie (WGA/WHK)

96

120

Besteedbaar inkomen

31.287

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

31.287

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.607



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733