Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-06-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1399

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Nalatenschap beneficiair aanvaard. Het geschil betreft een vordering die namens de nalatenschap is ingesteld, waarin gezamenlijke procesbevoegdheid van vereffenaars vereist is art. 4:198 BW en vertegenwoordiging door de vereffenaar art. 4:211 lid 2 BW. Hof past deformalisering toe en staat herstel toe: ontbrekende mede‑vereffenaar (erven [persoon B]) moet op de voet van art. 118 Rv worden opgeroepen. Bij uitblijven van oproeping volgt niet‑ontvankelijkheid. Verdere beslissing aangehouden.

Nieuwsitem

Hof deformaliseert procesrecht in vereffeningszaak: ontbrekende vereffenaar alsnog in rechte betrekken
Het geschil betreft een vordering ingesteld namens de nalatenschap waarin gezamenlijke procesbevoegdheid van de vereffenaars is vereist en alle vereffenaars dienen te worden betrokken. Art. 118 Rv. kan niet-ontvankelijkheid voorkomen.

Datum publicatie02-06-2026
Zaaknummer200.346.880_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Vereffening nalatenschap; Processueel ondeelbare rechtsverhouding nalatenschap
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 4 198; Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 118

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Procesbevoegdheid. Gezamenlijke bevoegdheid vereffenaars (art. 4:198 BW) . Oproeping ex 118 Rv ontbrekende vereffenaar.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.346.880/01

arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ,

advocaat: mr. B.P.J. van Riel te Ede,

tegen

1De gezamenlijke erfgenamen van wijlen [persoon A] ,
laatst gewoond hebbende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde sub 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde sub 6] ,
wonende te [woonplaats] ,

7. [geïntimeerde sub 7] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. Chr. Nome te Groningen,

als vervolg op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3452) dat door de Hoge Raad is vernietigd bij arrest van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1073), en het tussenarrest van dit hof van 14 oktober 2025.

5Het geding in hoger beroep na verwijzing

5.1.

Het verloop van de procedure na cassatie blijkt uit:

- het tussenarrest van 14 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de akte houdende mededeling overlijden procespartij en verzoek tot schorsing van het geding van [geïntimeerden] ;

- de antwoordakte schorsingsverzoek van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ;

- de mondeling behandeling, waarbij [geïntimeerden] spreeknotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6De verdere beoordeling

Het tussenarrest van 14 oktober 2025

6.1.1.

Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“3.2. De advocaat van [geïntimeerden] heeft er in zijn zittingsaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling bij het hof Arnhem-Leeuwarden op gewezen dat zijn cliënten allen erfgenamen zijn, maar beneficiair hebben aanvaard. Dat betekent volgens hem dat zij in hun hoedanigheid van vereffenaars van het afgescheiden vermogen hadden moeten worden gedagvaard in hoger beroep, hetgeen niet is geschied. Hij concludeert -onder meer- op die grond tot niet-ontvankelijkheid. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof Arnhem-Leeuwarden is deze kwestie nader aan de orde gesteld. [appellante sub 2] heeft er daarbij op gewezen dat haar vader, [persoon B] , ook erfgenaam was, naast [geïntimeerden] . Zij heeft verder toegelicht dat [persoon B] in 2016 is overleden en dat zij niet weet of hij bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Hij was toen gehuwd en heeft de moeder van [appellante sub 2] en vier kinderen als nabestaanden achter gelaten. Dat betekent dat zij -tenzij bij testament anders is bepaald- als erfgenamen in de plaats komen van [persoon B] en dan mogelijk ook vereffenaar zijn.

3.3.

Wanneer de nalatenschap -zoals in dit geval- door één of meer erfgenamen beneficiair (onder voorrecht van boedelbeschrijving) is aanvaard, vindt in beginsel (van rechtswege) vereffening op grond van afdeling 4.6.3 plaats (artikel 4:202 BW) , tenzij een van de genoemde uitzonderingen zich voordoet. Dit betekent dat dan alle erfgenamen (van rechtswege) vereffenaar zijn (artikel 4:195 BW) .

3.4.

Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars tezamen uit, met dien verstande dat de navolgende daden door ieder van hen zo nodig zelfstandig kunnen worden verricht: a. de daden van gewoon onderhoud, b. die tot behoud van de goederen; en c. die geen uitstel kunnen lijden (artikel 4:198 BW) . De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen zowel in als buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW) . De wet kent zodoende alleen een gezamenlijke bevoegdheid voor de vereffenaars om in rechte op te treden.

3.5.

Gelet op het voorgaande dient het hof te beoordelen of [geïntimeerden] procesbevoegdheid heeft. Het ontbreken van procesbevoegdheid bij de partij door wie de procedure is ingeleid, dient te leiden tot de conclusie -welke conclusie het hof ambtshalve onder ogen heeft te zien, omdat de openbare orde in het geding is- dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat [geïntimeerden] alsnog in de vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Partijen hebben zich evenwel nog niet voldoende over dit punt kunnen uitlaten. Die gelegenheid zullen zij bij de mondelinge behandeling alsnog krijgen.”

6.1.2.

Het hof heeft een mondelinge behandeling bepaald teneinde het voorgaande te bespreken en een minnelijke regeling te beproeven.

6.1.3.

Die mondelinge behandeling heeft op 12 mei 2026 plaats gevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerden] het verzoek tot schorsing ex artikel 225 Rv wegens het overlijden van [persoon A] -hangende de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden- ingetrokken.

De ontvankelijkheid van [geïntimeerden]

6.2.1.

[geïntimeerden] heeft zich onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, op het standpunt gesteld dat een herstelmogelijkheid kan en moet worden geboden door de niet in het geding betrokken partij (de gezamenlijke erfgenamen van [persoon B] , hierna in mannelijk enkelvoud ‘de erven [persoon B] ’) als partij op te roepen, zodat die zich kan uitlaten en voor diens rechten kan opkomen. Daarmee is de rechtspositie van de andere vereffenaar voldoende gewaarborgd en dat past bij het door de Hoge Raad benadrukte uitgangspunt dat de formele regels van de vereffening een doel dienen en dat het niet mag gaan om het hanteren van formele regels ‘zonder enige zin’.

6.2.2.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd dat het feit dat niet alle vereffenaars in de eerste instantie in de procedure zijn betrokken, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het betreffen hier geen formele regels ‘zonder enige zin’. Als de erven [persoon B] nu alsnog als partij in het geding zou worden betrokken, dan is dat niet in zijn belang. Zijn rechtspositie is in dat geval juist niet voldoende gewaarborgd: de erven [persoon B] heeft dan immers een feitelijke instantie gemist.

6.2.3.

Het hof komt tot het oordeel dat de erven [persoon B] in hoedanigheid van vereffenaar in het geding moet worden opgeroepen om zich uit te laten over de geschilpunten in hoger beroep. Hoe het hof tot dit oordeel komt zal het hof hierna uitleggen.

6.2.4.

Zoals het hof in het tussenarrest al had vastgesteld -en door [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling nog is bevestigd- hebben [geïntimeerden] de inleidende vordering in hun hoedanigheid van vereffenaars van het afgescheiden vermogen van erflaatster ingesteld. Daaruit vloeit voort dat het hof de vordering zo verstaat dat die is ingesteld namens de nalatenschap. Het betreft in deze een vordering van de nalatenschap. De gestelde schade is immers schade die erflaatster in haar vermogen heeft geleden. Nu erflaatster deze vordering zelf niet meer bij leven heeft kunnen instellen, valt deze (gepretendeerde) vordering in de nalatenschap. Partijen kunnen deze vordering ook niet slechts voor hun eigen breukdeel instellen: de nalatenschap dient immers eerst te zijn vereffend voordat individuele erfgenamen op (eventueel resterende) eigen breukdelen aanspraak kunnen maken. Partijen zijn in beginsel -nu zij beneficiair aanvaard hebben- slechts gezamenlijk als vereffenaar bevoegd te procederen, tenzij de kantonrechter anders heeft bepaald (vgl. rov. 3.4 van het tussenarrest van 14 oktober 2025). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] de kantonrechter heeft verzocht om anders te bepalen, door te verzoeken om een machtiging te verlenen om zelfstandig (dus zonder de medewerking van hun mede-vereffenaar) ten behoeve van de nalatenschap te kunnen procederen. Evenmin is met toepassing van artikel 4:203 BW een vereffenaar benoemd.

6.2.5.

De Hoge Raad (HR) heeft in een arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:662, overwogen dat tot de taken van een vereffenaar behoort de vertegenwoordiging van de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW) . Ingeval van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door een of meer erfgenamen moet ook deze bevoegdheid in beginsel door de erfgenamen tezamen worden uitgeoefend. De kantonrechter kan echter anders bepalen. Er is geen goede grond om aan te nemen dat de kantonrechter dat slechts in een afzonderlijke, daartoe strekkende procedure kan doen. De kantonrechter kan ook anders bepalen door een of meer van de vereffenaars te ontvangen in een verzoek dat volgens de hoofdregel door de vereffenaars tezamen had moeten worden ingediend. In dat geval moet ook ten aanzien van de overige vereffenaars recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. In een geval als in die zaak aan de orde, waarin een van de vereffenaars een verzoek heeft gedaan tot opheffing van de vereffening, is de rechtspositie van de overige vereffenaars gewaarborgd doordat zij worden gehoord of behoorlijk opgeroepen (artikel 4:209 lid 1 BW) . In een eerder arrest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:721) had de HR al geoordeeld dat de partij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in deze procedure, die was aangespannen door de in de loop van het geding in eerste aanleg overleden wederpartij, had dienen in te stellen tegen diens gezamenlijke erfgenamen, in dit geval vanwege de beneficiaire aanvaarding tegen de gezamenlijke vereffenaars. De partij die in hoger beroep kwam was echter zelf een van de vereffenaars. De HR oordeelde dat nu die partij als appellante ook zelf in het appel betrokken was -en het gezag van gewijsde van de door het hof te geven beslissing zich dus tot alle erfgenamen, tevens vereffenaars, zou uitstrekken- het zonder enige zin zou zijn te eisen dat zij ook zichzelf, als mede-vereffenaar, in hoger beroep zou dagvaarden.

6.2.6.

Hoewel het hof zich realiseert dat onderhavige kwestie voor wat betreft de feiten en de vorderingen afwijkt van voornoemde uitspraken, ziet het hof aanleiding om de in die uitspraken gehanteerde benadering vanuit een oogpunt van deformalisering van het procesrecht en met het oog op een efficiënte en doelmatige geschilbeslechting toe te passen in de onderhavige zaak. Dat leidt ertoe dat het hof [geïntimeerden] zal ontvangen in hun vorderingen namens de nalatenschap, mits alle vereffenaars in rechte worden betrokken en hun standpunten kenbaar hebben kunnen maken. Het hof wijst erop dat een rechterlijke beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft, ongeacht door wie en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd. Het is dan ook rechtens noodzakelijk dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Dat ligt in onderhavige kwestie niet anders.

6.2.7.

Dit betekent dat in dit hoger beroep alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen om hun standpunten kenbaar te maken. Het hof zal [geïntimeerden] daarom in de gelegenheid stellen om de erven [persoon B] alsnog in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen aangegeven dat ervan wordt uitgegaan dat de weduwe van [persoon B] in diens rechten is getreden. Het hof neemt aan dat [geïntimeerden] dit een en ander zal verifiëren door een verklaring van erfrecht op te vragen, alvorens tot oproeping over te gaan, welke verklaring van erfrecht te zijner tijd ook aan het hof dient te worden overgelegd.

6.2.8.

Als [geïntimeerden] geen gebruik maakt van de gelegenheid om de erven [persoon B] in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster op de voet van artikel 118 Rv in het geding te betrekken, dan zal [geïntimeerden] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

6.2.9.

Mochten de erven [persoon B] , na deugdelijk te zijn opgeroepen, er voor kiezen in de procedure te verschijnen, dan zal hij in de gelegenheid worden gesteld om bij memorie zijn standpunt kenbaar te maken. Als de erven [persoon B] van die mogelijkheid gebruik maakt, zullen [geïntimeerden] en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] daar gelijktijdig bij antwoordmemorie op kunnen reageren.

Conclusie

6.3.1.

[geïntimeerden] zal in de gelegenheid worden gesteld de erven [persoon B] in het geding te betrekken. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 14 juli 2026, tegen welke datum de erven [persoon B] zal moeten worden opgeroepen. Mocht [geïntimeerden] nalaten de erven [persoon B] op te roepen, dan zal [geïntimeerden] daarvan op die roldatum mededeling moeten doen.

6.3.2.

Iedere verdere beslissing zal door het hof worden aangehouden.

7De uitspraak

Het hof:

7.1.

geeft [geïntimeerden] de gelegenheid alsnog de erven [persoon B] tegen de roldatum van 14 juli 2026 in het hoger beroep te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv, en verwijst de zaak naar die roldatum voor akte aan de zijde van [geïntimeerden] voor overlegging van de documenten -waaronder de in rov. 6.2.7 genoemde verklaring van erfrecht- waaruit die oproeping blijkt, dan wel mede te delen dat hij dit heeft nagelaten;

7.2.

bepaalt dat voor het geval [geïntimeerden] ervoor kiest de erven [persoon B] in het hoger beroep te betrekken en deze in de procedure verschijnt, de zaak vervolgens zal worden verwezen naar de rol van 22 september 2026 voor het nemen van een memorie waarin de erven [persoon B] zijn standpunt kenbaar kan maken;

7.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2026.

griffier rolraadsheer



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733