Hoge Raad 29-05-2026, ECLI:NL:HR:2026:813

Essentie (gemaakt door AI)

Vermogensrecht. Erfrecht. Art. 4:71 BW. Art. 4:137-4:141 BW. Tweetrapsmaking met als ontbindende voorwaarde faillissement van de bezwaarde (zoon). Voorwaarde is vervuld bij overlijden; zoon is geen erfgenaam, slechts de verwachters (kinderen) erven. Voor de legitieme geldt dat het waardedrukkend effect van voorwaarden op een erfrechtelijke verkrijging moet worden meegenomen. Principaal cassatieberoep wordt verworpen. [Eisers] worden in de proceskosten van cassatie veroordeeld.

Nieuwsitem

Over de 'juridische seconde' - werd failliet verklaarde zoon wel of geen erfgenaam?
Vaststaat dat voorwaarde (van faillissement) op moment van overlijden erflater was vervuld. Oordeel Hof dat zoon erfgenaam is geweest, is dan ook onjuist. En: waardedrukkend effect van voorwaarden telt mee voor legitieme portie.

Datum publicatie29-05-2026
Zaaknummer25/00771
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:120; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2349
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Uitleg testament; Legitieme portie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vermogensrecht. Erfrecht. Art. 4:71 BW. Art. 4:137 e.v. BW. Tweetrapsmaking. Bezwaarde en verwachter. Wie is erfgenaam als voorwaarde is vervuld op moment van overlijden? Legitieme portie. Waardedrukkend effect van voorwaardelijkheid van erfrechtelijke verkrijging.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00771

Datum 29 mei 2026

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] als erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: [eisers] ,

advocaat: A.C. de Bakker,

tegen

1. [de bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [eiser 1],

kantoorhoudende te [plaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,

hierna: de bewindvoerder,

advocaat: J.W. de Jong,

2. [verweerster 2], in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],

wonende te Gouda,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de dochter,

niet verschenen.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/09/627418/ HA ZA 22-308 van de rechtbank Den Haag van 30 november 2022 en 1 november 2023;

b. het arrest in de zaak 200.336.589/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 december 2024.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De bewindvoerder heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend en (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Tegen de dochter is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de bewindvoerder mede door H.W. Volberda.

De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Erflater is in januari 2018 overleden. Erflater heeft twee kinderen, te weten de dochter en een zoon (hierna: de zoon).

(ii) De zoon heeft samen met zijn voormalige partner (hierna: de ex-partner) een meerderjarige dochter (hierna: de oudste kleindochter) en een minderjarige dochter (hierna: de jongste kleindochter).

(iii) Erflater heeft in april 2016 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament houdt onder meer het volgende in:

“III ERFSTELLING

Onder de verplichting van de (...) vermelde legaten, benoem ik tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen:

1. [de dochter]; en

2. [de zoon]

(...)

IV TWEETRAPSMAKING

1. Benoeming bezwaarde en verwachters

Eerste trap: bezwaarde.

[De] zoon en [de] dochter – ieder van hen hierna ook te noemen “de bezwaarde” – is benoemd onder de hierna te vermelden ontbindende voorwaarde.

Tweede trap: verwachters.

Ik benoem de hierna te noemen verwachters tot erfgenamen onder de bij de ontbindende voorwaarde aansluitende opschortende voorwaarde.

Verwachters zijn de kinderen van de desbetreffende bezwaarde, gezamenlijk en voor gelijke delen.

(...)

2. Strekking van de tweetrapsmaking

Al wat de bezwaarde bij het einde van zijn recht van zijn verkrijging nalaat, zal, binnen het kader van het hierna bepaalde, toekomen aan de verwachters.

3. Overgang van de eerste naar de tweede trap

Het recht van de bezwaarde op de verkrijging eindigt door:

- (...)

- faillissement van de bezwaarde; of

- (...)

- bij het op de bezwaarde van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

(...)

V EXECUTEUR

1. Ik benoem tot executeur: [de] dochter”

(iv) De zoon is in september 2013 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is in maart 2018 opgeheven, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, met benoeming van de bewindvoerder als zodanig.

2.2

De bewindvoerder vordert, voor zover in cassatie van belang, dat de dochter, de oudste kleindochter, en de zoon en de ex-partner gezamenlijk (als wettelijk vertegenwoordigers van de jongste kleindochter) naar evenredigheid van hun erfdeel worden veroordeeld tot betaling aan de bewindvoerder van een voorschot op het bedrag ter hoogte van de legitieme portie waarop de schuldsaneringsboedel van de zoon aanspraak kan maken.

2.3

De rechtbank heeft het door de bewindvoerder gevorderde voorschot tot een bedrag van € 150.000,-- toegewezen. Het hof 1 heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft onder meer het volgende overwogen:

“24. (…) Aan de bewindvoerder komt (…) de bevoegdheid toe om aanspraak te maken op de legitieme portie.

25. Op grond van art. 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering van zijn legitieme portie.

26. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [de zoon] door de tweetrapsmaking feitelijk alsnog onterfd is ten gunste van zijn twee dochters. Het hof begrijpt deze overweging zo, dat [de zoon] niets heeft verkregen uit de nalatenschap als gevolg van deze feitelijke onterving. De conclusie van de rechtbank is dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op de (volledige) legitieme portie.

27. Het hof volgt de rechtbank niet in het oordeel met betrekking tot de onterving. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de tweetrapsmaking niet tot gevolg heeft dat [de zoon] in het geheel geen erfgenaam is. Dit blijkt niet uit de bewoordingen van het testament, waarin [de zoon] tot erfgenaam, samen met [de dochter], is benoemd. Ook in de verklaring van erfrecht wordt [de zoon] als erfgenaam vermeld. Het gebruik van de term onterving veronderstelt dat [de zoon] nooit erfgenaam is geweest. [De zoon] heeft echter als erfgenaam rechten verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde. Er is sprake van een zogenaamde inferieure making en van opvolgend erfgenaamschap. Nu [de zoon] de nalatenschap niet heeft verworpen, komt zijn erfrechtelijke verkrijging in mindering van zijn legitieme portie in de zin van artikel 4:71 BW en ligt de vraag voor hoe de waarde van hetgeen [de zoon] als erfgenaam uit de nalatenschap heeft verkregen moet worden gewaardeerd.

28. Vast staat dat de ontbindende voorwaarde direct na het overlijden in werking is getreden en dat de kinderen van [de zoon] toen het volledige erfdeel van hem hebben ontvangen. Het peilmoment voor de waardering is het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater. De heersende opvatting in de literatuur is dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke verkrijging een drukkend effect heeft op ‘de waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt’ in de zin van artikel 4:71 BW. Het hof neemt hierbij als uitgangspunt dat de waarde van hetgeen de bezwaarde verkrijgt en de waarde van hetgeen de verwachters verkrijgen samen niet meer of minder dan 100% kunnen bedragen van de waarde van het deel van de nalatenschap dat onderwerp is van de tweetrapsmaking. Vast staat dat op grond van de tweetrapsmaking de kinderen van [de zoon] het gehele erfdeel van [de zoon] hebben verkregen. De waarde van de verkrijging van [de zoon] kan in dat licht niet anders dan op nihil worden gewaardeerd: de waarde van de rechten van de bezwaarde en de verwachters kunnen immers niet meer dan 100% bedragen. Hieruit volgt dat de waarde van hetgeen op grond van art. 4:71 BW in mindering moet worden gebracht bij de vaststelling van de omvang van de legitieme ook nihil is. Dit betekent dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op de volledige legitieme portie van [de zoon]. Het hof komt dus tot dezelfde slotsom als de rechtbank (…), zij het op andere gronden.”

3Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

3.1

De Hoge Raad behandelt eerst het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep, omdat uit die behandeling zal blijken dat er geen belang is bij het principale beroep.

3.2

Het middel richt zich tegen de rov. 27 en 28 van het bestreden arrest. Het klaagt dat het hof in het licht van het testament van erflater blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het (daadwerkelijk) zijn van erfgenaam van de zoon en over de erfrechtelijke verkrijging. Het middel wijst erop dat de zoon failliet was toen erflater zijn testament opstelde en ook toen erflater overleed. Gelet op deze omstandigheden heeft de zoon niet (daadwerkelijk) geërfd, aldus het middel.

3.3

Een uiterste wilsbeschikking kan makingen onder voorwaarden bevatten (art. 4:137-4:141 BW) . Een making is voorwaardelijk wanneer haar werking afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Bij een zogeheten tweetrapsmaking benoemt een erflater iemand onder ontbindende voorwaarde tot erfgenaam (de bezwaarde), en wijst hij tegelijkertijd iemand onder (spiegelbeeldige) opschortende voorwaarde aan als erfgenaam (de verwachter). Een tweetrapsmaking veronderstelt dat op het moment van overlijden de vervulling van de ontbindende en opschortende voorwaarde toekomstig en onzeker is. Als de voorwaarde op dat moment is vervuld, wordt niet de bezwaarde erfgenaam, maar uitsluitend de verwachter.

3.4

In deze zaak is uitgangspunt dat het testament van erflater een tweetrapsmaking bevat, met als voorwaarde – voor zover in cassatie van belang – het faillissement van de zoon. Vast staat dat deze voorwaarde op het moment van overlijden van erflater was vervuld. Gelet op wat hiervoor in 3.3 is overwogen, is het oordeel van het hof dat de zoon erfgenaam is geweest dan ook onjuist. De daarop gerichte klacht is gegrond.

Omdat het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep (deels) gegrond wordt bevonden, en hierna (onder 4) zal blijken dat deze voorwaarde niet is vervuld, leidt de gegrondheid van de klacht niet tot cassatie.

4Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 28 dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke verkrijging een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in de zin van art. 4:71 BW en dat de waarde van de verkrijging van de zoon op nihil moet worden gewaardeerd. Dit oordeel berust op het uitgangspunt dat de zoon erfgenaam is geworden. Uit wat hiervoor in 3.3 en 3.4 is overwogen volgt dat dit uitgangspunt onjuist is. Bij de klachten van het middel bestaat daarom geen belang. Zij kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

4.2

Naar aanleiding van de klachten merkt de Hoge Raad nog het volgende op.

4.3

Volgens art. 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering op zijn legitieme portie. De klachten gaan uit van de rechtsopvatting dat bij de vaststelling van de in art. 4:71 BW bedoelde waarde geen rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden die aan een making zijn verbonden.

Die opvatting is, in haar algemeenheid, onjuist. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris aanspraak kan maken (art. 4:63 lid 1 BW) . Ter bepaling van de omvang van de aanspraak uit hoofde van de legitieme portie moet, om het beoogde resultaat te bereiken, onder meer in aanmerking worden genomen welk deel van de waarde van het vermogen van de erflater de legitimaris krachtens erfrecht (dus al op andere wijze) verkrijgt. Uit deze strekking van art. 4:71 BW volgt dat de invloed op de waarde van een erfrechtelijke verkrijging van een voorwaarde in een geval als dit in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de feitelijke waarde die in mindering komt op de legitieme portie. Indien het waardedrukkende effect van de voorwaarde genegeerd zou worden, zou afbreuk worden gedaan aan de aanspraak van de legitimaris op de legitieme portie.

5Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan, en aan de zijde van de dochter begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 mei 2026.

1

Gerechtshof Den Haag 3 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2349.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733