Essentie (gemaakt door AI)
Erfbelasting bij vruchtgebruiktestament. Inspecteur legt ambtshalve aanslag en rente op. Verzoek om terugwijzing wegens motiverings- en evenredigheidsbeginsel faalt. Geen schending art. 1 EP bij het EVRM: geen individuele en buitensporige last; beneficiaire aanvaarding raakt slechts schulden, niet heffing. Dat vader niet betaalt is civielrechtelijk. Aanslag en rente blijven in stand. Beroep is gegrond voor kostenvergoeding bezwaar: punten en tarief hersteld, vergoeding verhoogd. Immateriële schade €500 wegens termijnoverschrijding.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-05-2026 |
| Zaaknummer | 24/4396 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Individuele en buitensporige last. Algemene beginselen behoorlijk bestuurd. Dat belanghebbende de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, doet niet af aaan verschuldigdheid van erfbelasting. De omstandigheid dat de vader de erfbelasting (nog) niet heeft voldaan of niet wenst te voldoen, betreft een civielrechtelijke kwestie. Het beroep is gegrond met betrekking tot de kostenvergoeding in de bezwaarfase.Volledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4396
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A.J.T.K. Meeuwissen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 april 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting (de aanslag) opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht
(de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard (zie 3.10).
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen: de partner van belanghebbende, [persoon 1] , en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na de uitspraak op bezwaar, terecht zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank de hoogte van de toegekende kostenvergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn vastgesteld. De kostenvergoeding voor de bezwaarfase is naar het oordeel van de rechtbank op een te laag bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. [erflaatster] (erflaatster) is op [datum] 2022 overleden. Zij heeft op
7 april 1986 een testament opgemaakt waarin zij haar echtgenoot, [echtgenoot] en haar dochter (belanghebbende) als erfgenamen heeft benoemd, ieder voor een gelijk deel.
Het testament betreft een vruchtgebruik testament en in het bijzonder een legaat tegen inbreng van de waarde gevolgd door het vestigen van het recht van vruchtgebruik over de gehele nalatenschap aan de langstlevende / vader van belastingplichtige. In het testament staat verder – voor zover relevant – het volgende:
“2. lk legateer aan genoemde echtgenoot, te zijner keuze, alle of een gedeelte van de roerende en onroerende goederen van mijn nalatenschap, onder verplichting om tegen afgifte van de gekozen goederen de som in te brengen, waarop die goederen overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek zullen worden geschat; de in te brengen som is eerst opeisbaar bij het einde van het hierna onder 3 gelegateerde vruchtgebruik.
3. lk legateer aan genoemde echtgenoot het vruchtgebruik van mijn nalatenschap, waaronder
mede begrepen de sub 2 bedoelde som, nadat daaruit zullen zijn voldaan alle schulden en de begrafenis- of daarmede gelijk te stellen kosten, het vruchtgebruik gaat in op de dag van mijn overlijden en eindigt op de dag van het overlijden van de vruchtgebruiker, voorts eindigt het vruchtgebruik drie maanden na de dag waarop hij na mijn overlijden hetzij in het huwelijk getreden zal zijn, hetzij zal zijn gaan samenleven in de zin van artikel 160 Boek l van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de vruchtgebruiker naar het oordeel van de blote eigenaren binnen bedoelde drie maanden voldoende zekerheid heeft gesteld voor de terugbetaling van het vruchtgebruikkapitaal; indien de blote eigenaren de zekerheid onvoldoende achten kan de vruchtgebruiker aan de in zijn woonplaats bevoegde kantonrechter verzoeken een deskundige aan te wijzen, die alsdan bindend zal vaststellen of de zekerheid voldoende is, overigens is de vruchtgebruiker vrijgesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid, zal zelf het beheer voeren over de aan vruchtgebruik onderworpen zaken en geheel vrij zijn in de wijze van beleggen en herbeleggen, een en ander zonder dat medewerking van de blote eigenaren nodig is.
(…)”
De inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte erfbelasting van [echtgenoot] (de vader) met dagtekening 27 september 2023 een ambtshalve aanslag erfbelasting ten bedrage van € 2.500 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft hij de belaste verkrijging voor de erfbelasting vastgesteld op € 24.444 (een verkrijging van € 79.317 verminderd met de waarde van het vruchtgebruik van € 33.314 door de vader en de kindvrijstelling voor de erfbelasting van € 21.559
1). Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 56.
De begeleidende brief bij de aanslag is verzonden naar het adres van [executeur] (executeur) te Rotterdam. De bijgevoegde aanslag is geadresseerd aan en op naam gesteld van belanghebbende. De executeur had geen aangifte gedaan namens belanghebbende.
Belanghebbende is bij aanmaning van 11 december 2023 bekend geraakt met de aanslag. De aanmaning is verzonden naar het adres van belanghebbende zelf.
Naar aanleiding van de aanmaning heeft de gemachtigde de Ontvanger op
12 december 2023 een brief gestuurd. In die brief staat (onder meer) het volgende:
“Bij schrijven van 1 augustus 2023 verzocht de inspecteur aangifte erfbelasting 2022 te doen. Belanghebbende heeft als gevolg van dat verzoek om uitstel van aangifte verzocht.
(…)
Aangezien belanghebbende niet gerechtigd is om de aangifte erfbelasting 2022 te doen, kon zij ook geen aangifte doen. Belanghebbende heeft bovendien geen gegevens op grond waarvan zij thans aangifte zou kunnen doen.
(…)
Naar aanleiding van overleg met de Inspecteur werd medegedeeld dat:
-
De aanslag naar de contactpersoon is gezonden;
-
Er een aangifte erfbelasting is ingediend en de belastingdienst vervolgens ambtshalve deze aanslag heeft opgelegd. Belanghebbende is volgens de Inspecteur verkrijger in de zin van artikel 36 Successiewet.
(…)”
Gemachtigde heeft de vader op 18 december 2023 een brief gestuurd en daarin het volgende aangegeven:
“Cliënte heeft van de belastingdienst afgelopen week een aanslag ontvangen, gedateerd
27 september 2023, waarin haar wordt verzocht een bedrag van € 2.500 te betalen als erfbelasting.
Als bekend heeft cliënte de erfenis beneficiair aanvaard. De aanslag is door de belastingdienst opgelegd naar aanleiding van de door u gedane aangifte.
Uit het testament volgt dat u deze aanslag behoort te betalen nu u het legaat van wijlen uw echtgenote heeft aanvaard.
Het wordt dezerzijds op prijs gesteld indien u een betaalbewijs zou toesturen zodat cliënte ook richting belastingdienst kan aantonen dat de aanslag is betaald en zij niet meer met betalingsherinneringen wordt geconfronteerd.”
De Ontvanger heeft de in 3.5 genoemde brief doorgezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft de brief op 19 december 2023 ontvangen en aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aanslag.
Op 20 februari 2023 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. Daaraan hebben de gemachtigde van belanghebbende, [persoon 1] en de inspecteur deelgenomen. In het hoorverslag staat – voor zover relevant – het volgende:
“De heer [inspecteur 1] stelt dat belanghebbende de nalatenschap beneficiair heeft aanvaardt. Dat betekent
dat de aanvaarding onherroepelijk is. Hier kan niet meer op terug gekomen worden.
De heer [persoon 2] stelt dat die beneficiair aanvaardt niet voor de schulden worden aangesproken maar in casu dus wel voor de lasten als het standpunt van de inspecteur wordt gevolgd.
Hierna volgde een gesprek met de heer [persoon 2] en de heer [inspecteur 1] over het al dan niet achterblijven van een nalatenschap bij overlijden van de langstlevende. Het is mogelijk dat er niets van de nalatenschap overblijft.
(…)
Meneer [persoon 2] en de heer [inspecteur 1] zijn beiden ervan overtuigd dat een inboedel vrij vaak een marktplaatswaarde heeft en dat dit hier feitelijk niet anders is. Er zijn geen bijzondere inboedelstukken zoals belanghebbende weet. De inventaris is veelal al tientallen jaren oud.”
Op 26 februari 2024 heeft [executeur] aan de gemachtigde van belanghebbende een brief gestuurd en daarin het volgende aangegeven:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 18 december 2023 waarin u de heer [echtgenoot] verzoekt een betaalbewijs te overleggen van de te betalen erfbelasting door uw cliënte, deel ik u namens de heer
[echtgenoot] , [adres] , mede dat de heer [echtgenoot] de door uw cliënte te betalen erfbelasting ad. € 2.500,- niet wenst te betalen.”
De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2024 gegrond verklaard. Vervolgens heeft de inspecteur de belaste verkrijging voor de erfbelasting bij verminderingsbeschikking van 29 april 2024 vastgesteld op € 24.444. Daarbij is de waarde van de inboedel verminderd tot € 1.000. Over de belaste verkrijging heeft de inspecteur een bedrag van € 2.444 geheven. Gelijktijdig heeft de inspecteur de in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot € 49. Voor de bezwaarfase heeft de inspecteur een kostenvergoeding van € 310 toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift.
Motivering
Vooraf: verzoek om terugwijzing
4. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat belanghebbende meent dat sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel en dat zij om die reden verzoekt om terugwijzing.
De rechtbank stelt voorop dat het motiveringsbeginsel inhoudt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Dit betekent niet dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar op alle door belanghebbende aangevoerde gronden in bezwaar (afzonderlijk) moet ingaan. Wel dient de inspecteur voldoende inzicht te geven in de overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de onderhavige uitspraak op bezwaar een toereikende motivering. Van een schending van het motiveringsbeginsel is geen sprake.
Voor zover belanghebbende een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de inspecteur onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.
Mocht de inspecteur de ambtshalve aanslag erfbelasting opleggen?
Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen ambtshalve aanslag erfbelasting mocht opleggen omdat zij niet tot het doen van aangifte is uitgenodigd en daardoor niet in de gelegenheid is gesteld aangifte te doen.
Op grond van de wet
2 is de belastingplichtige verplicht de inspecteur te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte erfbelasting, indien de belastingplichtige niet binnen acht maanden na het ontstaan van de belastingschuld is uitgenodigd. De inspecteur is bevoegd een aanslag vast te stellen, ook indien de belastingplichtige geen aangifte heeft ingediend.
3
Vast staat dat de belastingschuld van belanghebbende is ontstaan op [datum] 2022 (zie 3). Dat belanghebbende geen uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de inspecteur geen aanslag mocht opleggen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de inspecteur de aanslag met dagtekening 27 september 2023 aan belanghebbende heeft opgelegd (zie 3.2), derhalve ruim na het verstrijken van de achtmaandentermijn. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de inspecteur heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte erfbelasting, terwijl op haar wel de verplichting rustte om een dergelijk verzoek te doen. Nu belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, was de inspecteur bevoegd om een (ambtshalve) aanslag erfbelasting op te leggen.
Is sprake van een individuele en buitensporige last?
Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM
4. Inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk persoon of rechtspersoon is alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel (“legitimate aim”) in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.
5
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de hoogte van de aanslag erfbelasting in overeenstemming is met de Successiewet 1956. Evenmin is in geschil dat de heffing van erfbelasting als zodanig niet in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM.
Belanghebbende stelt dat de geheven erfbelasting in haar geval leidt tot een individuele en buitensporige last en dat de aanslag erfbelasting daarom in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM. Daartoe voert belanghebbende – kort samengevat – aan dat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, niet de beschikking heeft over (de middelen uit) de nalatenschap en dat de verhouding met haar vader gebrouilleerd is. Daarnaast ontvangt belanghebbende een WAO-uitkering van (ongeveer) € 750 per maand en heeft zij geen vermogen.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende als erfgenaam erfbelasting is verschuldigd over haar verkrijging. Het moment van overlijden van de erflaatster is daarbij bepalend. Dat belanghebbende de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, doet niet af aan verschuldigdheid van erfbelasting over haar verkrijging van de bloot eigendom van de nalatenschap. De beneficiaire aanvaarding ziet uitsluitend op de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap en niet op de heffing van erfbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met alles wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zij ook in de toekomst feitelijk niets meer zal verkrijgen van de erfenis. In zoverre wijkt de zaak van belanghebbende ook af van zaak in het arrest van het Gerechtshof Den Haag
6 waar belanghebbende een beroep op doet.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat belanghebbende de erfbelasting niet kan voldoen, niet zonder meer meebrengt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Daarbij is van belang dat sprake is van een situatie waarin de vader het vruchtgebruik van de nalatenschap heeft (zie 3.1), zodat de daaruit voortvloeiende erfbelasting in beginsel voor zijn rekening komt.
7 Dat de vader de erfbelasting (nog) niet heeft voldaan of niet wenst te voldoen (zie 3.9), betreft een civielrechtelijke kwestie en doet niet af aan het fiscale oordeel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Van een schending van artikel 1 EP bij het EVRM is dan ook geen sprake. Dit betekent dat de aanslag erfbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Voor dat geval is de hoogte van de aanslag niet in geschil.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. Doordat belanghebbende geen aangifte heeft kunnen doen, heeft zij niet kenbaar kunnen maken dat volgens haar sprake is van een buitensporige last door de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap. In dat verband voert belanghebbende aan dat de inspecteur haar weliswaar heeft verzocht aangifte te doen, maar dat zij vervolgens op 8 november 2023 om uitstel heeft verzocht. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld zonder kennis te nemen van alle relevante informatie, ondanks het verzoek om uitstel. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de begeleidende brief bij de aanslag onjuist is geadresseerd, waardoor zij eerst bij ontvangst van de aanmaning met de aanslag bekend is geraakt.
De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van belanghebbende lag om de inspecteur te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte, zoals reeds overwogen in 4.6. Dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, komt derhalve voor haar rekening en risico. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat geen reactie is ontvangen op haar verzoek om uitstel tot het doen van aangifte, overweegt de rechtbank dat de aanslag reeds was opgelegd op 27 september 2023, zodat aan dat verzoek geen betekenis meer toekwam.
Met betrekking tot de onjuiste adressering overweegt de rechtbank dat de verzending van de aanslag weliswaar onzorgvuldig is geweest, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onzorgvuldig dat hieraan consequenties dienen te worden verbonden. Belanghebbende is hierdoor ook niet benadeeld, aangezien belanghebbende op een later moment alsnog kennis heeft genomen van de aanslag en het bezwaar tegen de aanslag ontvankelijk is verklaard. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Belastingrente
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Kostenvergoeding in de bezwaarfase
Integrale kostenvergoeding
Belanghebbende is (primair) van mening dat de in de bezwaarfase gemaakte kosten integraal dienen te worden vergoed. Daartoe voert belanghebbende aan dat zij te maken kreeg met een invorderingstraject zonder dat zij kennis had genomen van de aanslag erfbelasting. Daarnaast heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, omdat zijn standpunten (in de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar) niet houdbaar waren.
Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale kostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden.
8 Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit.
9
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat van voornoemd tegen beter weten in handelen of van vergaand onzorgvuldig handelen niet is gebleken.
Forfaitaire kostenvergoeding
Belanghebbende stelt (subsidiair) dat de inspecteur ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting. Ook heeft de inspecteur ten onrechte geen 0,5 punt toegekend voor het houden van een nadere hoorzitting. Tot slot is volgens belanghebbende een onjuist tarief van € 310 per proceshandeling gehanteerd (zie 3.10).
De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen punt voor het bijwonen van de hoorzitting en 0,5 punt voor het houden van een nadere hoorzitting zijn toegekend. De rechtbank zal de inspecteur daarin volgen. Tevens stelt de rechtbank vast dat een onjuist tarief per proceshandeling is gehanteerd. Het beroep is in zoverre gegrond.
Gelet op het voorgaande dient de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase wat betreft de kosten van rechtsbijstand te worden vastgesteld op basis van 2,5 punten (het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting en het houden van een nadere hoorzitting) met een waarde van € 666 per punt en wegingsfactor 1. De vergoeding in de bezwaarfase bedraagt € 1.665. Indien de bij de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding van € 310 reeds is uitbetaald aan belanghebbende, dan dient dit bedrag nog in mindering te worden gebracht.
Schadevergoeding
Belanghebbende stelt dat zij naar billijkheid recht heeft op een schadevergoeding. Daartoe voert zij aan dat de aanslag onjuist is geadresseerd en dat daardoor werd gedreigd met beslaglegging. Verder stelt zij dat contact is opgenomen met de Belastingdienst voor duidelijkheid en dat om uitstel voor het doen van aangifte is verzocht, maar dat daar niets mee is gedaan. Daarnaast is sprake geweest van een onjuiste toepassing van wet- en regelgeving en heeft belanghebbende stress en onbegrip ervaren.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzoekt om een schadevergoeding in verband met de handelswijze van de Belastingdienst. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die belanghebbende lijdt als gevolg van (onder meer) een onrechtmatig besluit. De rechtbank overweegt dat voor geschillen over de erfbelasting geldt dat de belastingrechter alleen een schadevergoeding kan toekennen bij een gegrond beroep.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de inspecteur. De omstandigheid dat belanghebbende spanning en frustratie heeft ervaren, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Immateriëleschadevergoeding
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure.
De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift waarbij voor de bezwaarfase een termijn van zes maanden en de beroepsfase anderhalf jaar geldt. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 19 december 2023 ontvangen (zie 3.7). Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 19 mei 2026, heeft de bezwaar- en beroepsprocedure (afgerond) twee jaar en vier maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase samen bedraagt (afgerond) zes maanden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500.
De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 10 april 2024 (zie 3.10). De bezwaarfase heeft afgerond vier maanden geduurd en de uitspraak op bezwaar is dus tijdig gedaan. Dit brengt mee dat € 500 voor rekening van de Nederlandse Staat komt. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De aanslag erfbelasting en de bijbehorende belastingrentebeschikking blijven in stand. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Belanghebbende krijgt, naast de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van
€ 1.665, ook een vergoeding van haar proceskosten die zijn in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5. De rechtbank kent geen punt toe voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek gaat als nevenvordering op in de proceshandeling ‘indienen beroepschrift’.
10 De vergoeding van kosten van de beroepsfase bedraagt dan € 934.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep met betrekking tot de kostenvergoeding voor de bezwaarfase gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
-
stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.665;
-
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
-
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;
-
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
11
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub c van de Successiewet 1956 (2022).
Artikel 2, tweede lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (2022).
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Vgl. Hoge Raad 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816.
Gerechtshof Den Haag 25 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:906.
Artikel 78 van de Successiewet 1956.
Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.
Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
Zie gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2231.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
