Gerechtshof Den Haag 25-03-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1798

Essentie (gemaakt door AI)

Ondertoezichtstelling. art. 1:255 lid 2 BW. Uitleg van de voorwaarde “indien de raad niet tot indiening van het verzoek overgaat”. Hof oordeelt dat ouder bevoegd is een OTS te verzoeken zodra duidelijk is dat de raad het verzoek niet zal indienen; geen voorafgaand raadsonderzoek of expliciete afwijzing vereist. Raad geeft ter zitting aan geen verzoek te zullen doen. Gronden voor OTS zijn aanwezig wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door ouderlijke strijd; positieve ontwikkeling schoolgang. Bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Nieuwsitem

Uitleg van “indien raad niet tot indiening van verzoek ondertoezichtstelling overgaat”
Ouder is bevoegd een OTS te verzoeken zodra duidelijk is dat de Raad geen verzoek zal indienen; geen voorafgaand raadsonderzoek of expliciete afwijzing vereist. Raad geeft ter zitting aan geen verzoek te zullen doen: vader ontvankelijk.

Datum publicatie28-05-2026
Zaaknummer200.361.952/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:19718, Bekrachtiging/bevestiging
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ondertoezichtstelling. Art. 1:255 lid 2 BW. Wanneer is een ouder bevoegd tot het doen van een verzoek tot ondertoezichtstelling? Hoe moet de voorwaarde: “indien de raad voor de kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat” worden begrepen?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team familie

zaaknummer : 200.361.952/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 25-1590

zaaknummer rechtbank : C/09/691440

beschikking van de meervoudige kamer van 25 maart 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.O. Perquin te Zoetermeer,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T. Ouwehand te Amsterdam.

Als degene wiens verklaring bij de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Regio Haaglanden,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 26 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vader heeft op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 13 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 13 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op 18 februari 2026.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mr. N. Groen;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: de minderjarige), op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .

3.3

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.

3.4

De minderjarige heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.5

Bij beschikking van 4 februari 2025 van de rechtbank Den Haag is bepaald wanneer de minderjarige bij de vader zal zijn en de verdeling van de vakanties en feestdagen. Verder zijn in deze de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie

3.6

Bij beschikking van 28 januari 2026 van het gerechtshof Den Haag is de beschikking van 4 februari 2025 van de rechtbank Den Haag vernietigd voor zover die ziet op de reguliere zorgregeling en is in zoverre opnieuw beschikkende bepaald wanneer de minderjarige bij de vader zal zijn. In deze beschikking is tevens een raadsonderzoek gelast, waarbij in het kader van de ondertoezichtstelling dient te worden onderzocht welke hulpverlening gelet op de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige voor de ouders en/of de minderjarige het meest passend is.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 28 oktober 2025 tot 28 april 2026. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter heeft het verzoek van de vader om de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen voor de overige periode aangehouden.

4.2

De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de vader alsnog onbevoegd te verklaren dan wel niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek van de vader af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4.3

De vader verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep althans, het hof begrijpt: haar verzoek in hoger beroep af te wijzen.

5De motivering van de beslissing

Bevoegdheid van de vader om een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen

5.1

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vader bevoegd is tot het indienen van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige. Met verwijzing naar artikel 1:255 lid 2 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 3.1 Jeugdwet merkt de moeder op dat een ouder een dergelijk verzoek pas kan indienen als de raad besluit geen verzoekschrift tot ondertoezichtstelling in te dienen. De wetgever heeft bewust besloten tot deze volgorde. De raad moet dan ook afwijzend besluiten op basis van een uitgevoerd onderzoek, dan wel een voorafgaand verzoek van de vader daartoe. Gezien de poortwachtersrol van de raad kan de raad hierin niet worden gepasseerd. Het passeren van de raad heeft als ongewenste effect dat de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar is. De ondertoezichtstelling heeft ook niet geleid tot het inzetten van hulpverlening, sterker nog ouders zijn door de ondertoezichtstelling van de wachtlijst gehaald.

5.2

Volgens de vader is hij bevoegd tot het indienen van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige. Hij merkt op dat hij zich in eerste aanleg heeft beroepen op artikel 1:255 lid 2 BW en niet op artikel 1:255 lid 3 BW, dat in deze situatie niet van toepassing is. Volgens de vader heeft de moeder nagelaten te onderbouwen waarom de vader niet bevoegd is tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling. De raad was aanwezig bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg en is ondanks alle zorgen, het advies van Ouderschap Blijft en alle hulpverlening in het vrijwillig kader niet overgegaan tot een beschermingsonderzoek dan wel een verzoek tot ondertoezichtstelling. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg het verzoek van de vader niet overgenomen. Gezien het feit dat er op dat moment ook geen onderzoek van de raad liep, en daarbij alle trajecten in het vrijwillig kader waren en zijn doorlopen, was en is de vader bevoegd tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling. Immers, uit artikel 1:255 lid 2 BW volgt niet dat op het moment dat een ouder een verzoek tot ondertoezichtstelling doet, al duidelijk moet zijn dat de bereidheid om een dergelijk verzoek in te dienen bij de raad niet bestaat. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat hij bevoegd is tot het indienen van een verzoek tot onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel nu er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige.

Oordeel van het hof

5.3

Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 1:255 lid 2 BW volgt dat de raad voor de kinderbescherming primair bevoegd is tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling. Indien de raad niet tot indiening van een verzoek overgaat, is ook een ouder bevoegd een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. Uit de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2008/2009, 32015) kan niet worden afgeleid dat voor een ontvankelijk verzoek van een ouder de raad eerst een onderzoek moet hebben verricht, dan wel een expliciet een verzoek daartoe van de ouders hebben ontvangen.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32015, nr. 3) is te dien aanzien het volgende opgenomen: “Indien de rechter een verzoek ontvangt, zal hij eerst onderzoeken of degene die het verzoek indient hiertoe bevoegd is. Indien het verzoekschrift afkomstig is van een ander dan de instelling die primair bevoegd is en een onderbouwing hiervoor ontbreekt, zal de rechter de indiener vragen zijn verzoekschrift aan te vullen. Mocht de indiener nog geen contact hebben gehad met die instelling dan wordt hem in overweging gegeven alsnog contact op te nemen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat deze instelling het verzoek overneemt of de indiener van het verzoek weet te overtuigen dat de grond voor het verzoek ontbreekt. In andere gevallen zal de rechter het verzoekschrift verder behandelen. De rechter zal hiertoe de primair bevoegde organisatie ter zitting oproepen teneinde zijn mening te horen en na beoordeling van de feiten en omstandigheden uitspraak doen.”

De raad heeft bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg te kennen gegeven niet voornemens te zijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige in te dienen. Op grond hiervan is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn inleidend verzoek. Dat op het moment van het indienen van het verzoekschrift van de vader bij de rechtbank nog geen duidelijkheid bestond over de bereidheid van de raad om een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige in te dienen maakt dat niet anders. De vader beschikt immers niet over de mogelijkheid om de raad rechtstreeks te benaderen en te informeren naar diens bereidheid om een dergelijk verzoek in te dienen.

Ondertoezichtstelling

5.5

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Volgens haar stagneert door de ondertoezichtstelling de hulp voor de minderjarige. Het traject gezinsvertegenwoordiging bij het Kenniscentrum Kind en Scheiding kan niet worden opgestart nu de minderjarige onder toezicht is gesteld en er meerdere procedures lopen. Als gevolg daarvan kan de minderjarige geen hulp krijgen van de kinderpsycholoog naar wie zij door de jeugdarts is verwezen. De moeder merkt op dat de raad tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft aangegeven de ondertoezichtstelling niet te steunen omdat alleen het traject bij het Kenniscentrum Kind en Scheiding de problemen tussen de ouders kan verhelpen. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader de hulp weigert van de kinderpsycholoog voor de minderjarige. De moeder begrijpt daarom niet dat hij verzoekt om een ondertoezichtstelling. Zij is van mening dat zij zelf de benodigde hulp voor de minderjarige kan inschakelen en daarbij geen jeugdbeschermer nodig heeft.

5.6

De vader merkt op dat hij wel degelijk toestemming voor de aanmelding van de minderjarige bij een hulpverleningsinstantie geeft, mits hij bij deze hulpverlening betrokken wordt. De hulpverleningstrajecten starten niet zolang de ouders in juridische procedures zijn verwikkeld. De vader ziet zich steeds genoodzaakt procedures aanhangig te maken, omdat de moeder meermaals heeft laten zien dat zij de zorgregeling niet nakomt. De vader merkt op dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij bevindt zich in een loyaliteitsconflict en dient psychologische ondersteuning te ontvangen. Daarnaast neemt het schoolverzuim van de minderjarige inmiddels zeer zorgelijke vormen aan. Hoe deze ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige kan worden weggenomen is tussen de ouders in geschil. Dat de moeder aangeeft dat de ondertoezichtstelling niet helpend is laat zien dat zij niet bereid is om deze vorm van hulpverlening te accepteren, nu zij bij voorbaat uitspreekt geen vertrouwen te hebben in het hulpverleningstraject van de jeugdbeschermer. Dit is niet in het belang van de minderjarige. De moeder stelt zich op het standpunt dat een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is, nu zijzelf de juiste hulpverlening voor de minderjarige regelt. De vader merkt op dat dit de kern van het probleem tussen de ouders is. De moeder betrekt de vader niet bij het nemen van gezagsbeslissingen. Daarnaast merkt de vader op dat de ondertoezichtstelling er mogelijk voor kan zorgen dat de moeder de zorgregeling nakomt en het schoolverzuim van de minderjarige wordt opgelost. De vader wenst hulp en regie bij de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders in het belang van de minderjarige.

5.7

De raad staat nog immer niet achter een ondertoezichtstelling van de minderjarige. De raad ziet dat de strijd tussen de ouders behoorlijk is geëscaleerd. Zij moeten elkaar emotionele toestemming geven voor het contact met de minderjarige. De minderjarige is gebaat bij onbelast contact met de ouders, zodat zij niet ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De raad merkt wel op dat de schoolgang van de minderjarige door de ondertoezichtstelling is verbeterd. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat er voor adequate uitvoering van de ondertoezichtstelling een probleemdiagnose in de vorm van een raadsonderzoek noodzakelijk is. Op dit moment is er nog geen vaste jeugdbeschermer en dus ook geen gezinsplan. Wel is er met de ouders een veiligheidsplan opgesteld met bodemeisen en veiligheidsafspraken waaraan de ouders zich dienen te houden. Op dit moment is er geen sprake van acute onveiligheid, maar een blijvende onveiligheid gelegen in de door de ouders gevoerde intensieve strijd. De ontwikkelingsbedreiging zit in dit geval bij de opstelling van de ouders. De raad denkt dat het een illusie is om aan te nemen dat de ouders in het vrijwillig kader met hulpverlening dit kunnen oplossen.

Oordeel van het hof

5.8

Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.9

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling komt het hof tot het oordeel dat de kinderrechter ten tijde van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat de gronden voor de ondertoezichtstelling aanwezig waren. Het hof neemt de beslissing en de gronden van de kinderrechter over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden.

5.10

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gronden voor ondertoezichtstelling op dit moment nog steeds aanwezig zijn en of de ondertoezichtstelling voor de resterende periode tot 28 april 2026 in stand moet blijven. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.11

In de onderhavige zaak is duidelijk dat sinds het uiteengaan van partijen de onderlinge communicatie zeer moeizaam verloopt. Uit het dossier volgt dat de ouders zich in een voortdurende strijd bevinden. De diverse verwijzingen naar en pogingen tot interventie van hulpverleners hebben daartoe niet tot verbetering geleid. Ook tijdens de ondertoezichtstelling van de minderjarige is de verhouding tussen de ouders niet verbeterd. De ouders hebben geen vertrouwen in elkaar en diskwalificeren elkaar in ernstige mate. Tussen hen hebben reeds vele procedures plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof heeft deze langdurige conflictueuze verstandhouding tussen de ouders zijn weerslag op de minderjarige, zij bevindt zich midden in die strijd. De minderjarige wordt hierdoor ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Naar het oordeel van het hof is het niet mogelijk om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen binnen het vrijwillige kader.

5.12

In de onderhavige zaak is, zoals hierboven besproken, geen raadsonderzoek uitgevoerd. Hoewel de doelen van de ondertoezichtstelling in de bestreden beschikking door de kinderrechter zorgvuldig zijn geformuleerd, heeft de gecertificeerde instelling tijdens de mondelinge behandeling van 10 december 2025 bij dit hof toegelicht dat zij door het ontbreken van een raadsonderzoek over onvoldoende informatie beschikt die ziet op de huidige situatie van de minderjarige en de benodigde hulpverlening. In het kader van de huidige ondertoezichtstelling is daarom door dit hof bij beschikking van 28 januari 2026 een raadsonderzoek gelast. Het hof gaat ervan uit dat het raadsonderzoek de gecertificeerde instelling duidelijkheid zal bieden omtrent passende hulpverlening voor de ouders en/of de minderjarige. Het hof constateert voorts dat, ondanks het ontbreken van een raadsonderzoek tot op heden, de ondertoezichtstelling reeds heeft geleid tot positieve ontwikkelingen in het leven van de minderjarige. Zo gaat de minderjarige na een langdurige periode van ernstig schoolverzuim inmiddels weer vijf dagen per week naar school en is er een veiligheidsplan opgesteld.

5.13

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de ondertoezichtstelling in het belang van de opvoeding en de verzorging van de minderjarige nog steeds noodzakelijk is. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.14

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2025;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, L. Koper en D.E. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door mr. C.R. Genee als griffier, en is op 25 maart 2026 door de rolraadsheer mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733