Parket bij de Hoge Raad 22-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:509

Essentie (gemaakt door AI)

A‑G: Iraanse huwelijksakte bevat bruidsgave en modelclausule huwelijkse voorwaarden. Hof past Iraans recht toe en veroordeelt man tot betaling bruidsgave; wijst beroep man op art. 1146 Iraans BW (khul) af omdat NL-recht die vorm niet kent. A‑G: klacht man slaagt; hof had moeten beoordelen of NL‑echtscheiding kwalificeert als khul naar Iraans recht en gevolgen voor bruidsgave. Incidenteel: vrouw bestrijdt uitsluiting vermogensdeling (voorwaarde ‘niet door vrouw verzocht’). A‑G: klachten falen; geen strijd met [[art. 14 HH

Nieuwsitem

Is de in Nederland op verzoek van vrouw uitgesproken echtscheiding een 'khul echtscheiding'?
A-G: gelet op toepasselijkheid Iraans recht op bruidsgave kon Hof niet volstaan met oordeel dat NL-recht geen khul echtscheiding kent. Het had moeten nagaan of NL-echtscheiding naar Iraans recht khul echtscheiding is. Klacht is terecht.

Datum publicatie28-05-2026
Zaaknummer25/02838
RechtsgebiedenCiviel recht; Internationaal privaatrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

IPR. Familierecht. Gevolgen van khul echtscheiding (art. 1146 Iraans BW) voor aanspraak op bruidsgave. Modelclausule Iraanse huwelijkse voorwaarden in strijd met Nederlandse openbare orde?

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02838

Zitting 22 mei 2026

CONCLUSIE

F. Ibili

In de zaak

[de man] ,

verzoeker tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de man

tegen

[de vrouw] ,

verweerster in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw

1Inleiding

1.1

Deze zaak gaat over de financiële afspraken die partijen in de Iraanse huwelijksakte hebben gemaakt met betrekking tot de bruidsgave en het huwelijksvermogensrecht. Op grond van deze afspraken heeft de vrouw recht op een bruidsgave van onder andere 150 Bahar Azadi gouden munten. Volgens de man kan de vrouw geen aanspraak meer maken op de bruidsgave, omdat de echtscheiding in Nederland is uitgesproken op verzoek van de vrouw. De man beroept zich hiervoor op art. 1146 Iraans BW, waarin is bepaald dat de vrouw in geval van een khul echtscheiding de man een compensatie dient te betalen in ruil voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. Het hof is voorbij gegaan aan het beroep van de man op art. 1146 Iraans BW. De man is veroordeeld om de afgesproken bruidsgave aan de vrouw te voldoen. Hierover klaagt de man in het principale cassatieberoep.

1.2

De Iraanse huwelijksakte bevat verder huwelijkse voorwaarden, waarin partijen hebben gekozen voor een modelclausule (onderdeel A) die door de Iraanse overheid is vastgesteld. Volgens deze huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw in geval van echtscheiding recht op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen, onder de voorwaarde dat (i) de echtscheiding niet door de vrouw is verzocht en (ii) de echtscheiding volgens de vaststelling van de rechter niet is veroorzaakt door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verplichtingen na te komen of door haar wangedrag. In navolging van de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat toepassing van de voorwaarde onder (i) van de huwelijkse voorwaarden niet in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Dit betekent dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man. Hierover klaagt de vrouw in het incidentele cassatieberoep.

2Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 1

2.2

Partijen zijn op 26 mei 2011 met elkaar gehuwd te Esfahan, Iran. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] (hierna: de minderjarige).

2.3

De Nederlandse vertaling van de huwelijksakte van partijen houdt onder meer het volgende in:

‘Bruidsgave
Een exemplaar van nobele Koran, en bruidsgave van vijf miljoen en tweehonderdzestig en tweeënenhalf Rial plus honderdvijftig volle Bahar Azadi gouden munten en dertig miljoen rial voor Haj pelgrim en vijf miljoen rial voor de prijs van een stuk Sjaal, die als de schuld van de man aan de vrouw wordt beschouwd en op aanvraag aan haar verstrekt dient te worden.
(…)

Huwelijksvoorwaarden of een afzonderlijke bindende overeenkomst
A. Echtgenote heeft bedongen dat in geval de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd en volgens de bevindingen van de rechtbank deze niet veroorzaakt is door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verantwoordelijkheid te voldoen of haar wangedrag, dan is de echtgenoot gehouden tot het overdragen van de helft van het bestaande vermogen dat verkregen is gedurende de gehuwde periode met de vrouw of de gelijke waarde daarvan om niet aan de echtgenote met het goedbevinden van de rechtbank.
(…)’. 2

2.4

De vrouw heeft de onderhavige procedure ingeleid bij verzoekschrift van 27 mei 2021, waarin zij om echtscheiding heeft verzocht alsmede om nevenvoorzieningen met betrekking tot, voor zover van belang, kinder- en partneralimentatie, het huwelijksvermogensregime en de bruidsgave. De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de echtscheiding. Hij heeft verweer gevoerd ten aanzien van de verzochte nevenvoorzieningen en zelfstandige verzoeken daarover gedaan.

2.5

Bij beschikking van 13 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover van belang, beslist dat de man een kinderalimentatie van € 497,- per maand en voorlopig een partneralimentatie van € 380,- per maand dient te betalen. De beslissing over de definitieve partneralimentatie en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime is aangehouden.

2.6

Bij beschikking van 2 september 2022 heeft de rechtbank, voor zover van belang, beslist dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een partneralimentatie van € 460,- per maand dient te betalen. Verder heeft de rechtbank voor recht verklaard dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Iraans recht van toepassing is. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de bruidsgave en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime is aangehouden.

2.7

De echtscheidingsbeschikking is op 28 september 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.8

Bij eindbeschikking van 7 maart 2023, verbeterd bij beschikking van 26 april 2023, heeft de rechtbank voor recht verklaard dat onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden in de huwelijksakte van partijen, voor zover daarin is bepaald dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van het vermogen van de man ingeval zij het verzoek tot echtscheiding indient, in de situatie van partijen geen resultaat oplevert dat onverenigbaar is met de openbare orde, zodat op grond van de huwelijkse voorwaarden de aanspraak van de vrouw op het vermogen van de man vervalt, gelet op het feit dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. Verder heeft de rechtbank bepaald dat ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder de bruidsgave, de man aan de vrouw dient te betalen, respectievelijk over te dragen, een bedrag van 40.000.265,50 Rial en 150 volle Bahar Azadi gouden munten, waarvan 40 munten pas aan de vrouw moeten worden overgedragen zodra de man daartoe (weer) over voldoende draagkracht beschikt. 3

2.9

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden. Zij heeft, kort gezegd, verzocht om de beschikking in zoverre te vernietigen en onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden deels buiten toepassing te laten wegens strijd met de openbare orde en te bepalen dat zij recht heeft op de helft van het huwelijkse vermogen van de man en hem te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag ter grootte van de helft van zijn vermogen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.10

De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de bruidsgave. Hij heeft, kort gezegd, verzocht de beschikking in zoverre te vernietigen en te bepalen dat de man uit hoofde van de bruidsgave niets is verschuldigd aan de vrouw. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.11

Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft het gerechtshof Den Haag, in het principale en incidentele hoger beroep, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

2.12

De man is (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking); de vrouw heeft verweer gevoerd. De vrouw heeft op haar beurt incidenteel cassatieberoep ingesteld; de man heeft verweer gevoerd.

3Bespreking van het principale cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van de man keert zich tegen de beslissing van het hof met betrekking tot de bruidsgave afspraken in de huwelijksakte. Alvorens de klachten van het middel te bespreken, geef ik weer hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. Voor zover van belang heeft het hof het volgende overwogen.

Tussen partijen staat vast dat zij ten tijde van het huwelijk een door de man aan de vrouw verschuldigde bruidsgave zijn overeengekomen van Rial 40.000.265,50 en 150 volle Bahar Azadi gouden munten. In hoger beroep is geen grief gericht tegen de toepassing door de rechtbank van Iraans recht op het huwelijksvermogensregime en de afwikkeling daarvan (waaronder blijkens de beschikking van de rechtbank eveneens de bruidsgave wordt verstaan). Het hof zal in hoger beroep dan ook uitgaan van de toepasselijkheid van Iraans recht en is zelf ook van oordeel dat in de Rome I-Verordening 4 grondslag is voor de toepasselijkheid van Iraans recht, mede gelet op art. 10:154 BW. (rov. 5.13)

Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt de bruidsgave gekwalificeerd als een rechtsverhouding sui generis, derhalve als een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter. Hierdoor is deze niet gelijk te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel aan een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte. Deze huwelijksakte is in Iran ten overstaan van een Iraanse ambtenaar opgemaakt en uit deze huwelijksakte vloeit naar het onbestreden oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig een rechtskeuze voor Iraans recht voort. Dit leidt naar het oordeel van het hof ertoe dat het Iraanse recht van toepassing is ingevolge overeenkomstige toepassing van art. 3 lid 1 Rome I-Verordening. De Rome I-Verordening is in dit geval niet via een communautaire maar via een nationale regeling van toepassing (art. 10:154 BW) . Dit betekent dat kan worden toegekomen aan toepassing van de algemene bepalingen van Boek 10 BW, zoals art. 10:8 BW. (rov. 5.14)

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak, kent geen khul scheidingsprocedure. Anders dan de man naar voren heeft gebracht, heeft de vrouw met het initiëren van de echtscheiding dan ook geen afstand gedaan van de bruidsgave. Partijen hebben bij hun islamitisch huwelijk in Iran afspraken gemaakt naar Iraans recht. De bruidsgave vormt aldaar een essentieel onderdeel van het huwelijk en is een verplichting van de man en een aanspraak van de vrouw. Het hof ziet geen aanleiding om deze afspraken buiten toepassing te laten. Op de overeengekomen bruidsgave en de regels van nakoming en verjaring is Iraans recht van toepassing. Art. 10:8 BW dient restrictief te worden uitgelegd. Op grond van dit artikel blijft het aangewezen buitenlandse recht slechts in exceptionele gevallen buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de nauwe band met dat buitenlandse recht slechts in zeer gering mate bestaat en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Het hof is hiervan niet gebleken. Bovendien hebben partijen zelf afspraken gemaakt onder het Iraanse recht, zodat terughoudendheid om art. 10:8 BW toe te passen gepast is. (rov. 5.21, eerste alinea)

Nu Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave ziet het hof verder weinig ruimte om de bruidsgave (op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid) te matigen, met uitzondering van de door de rechtbank in de beschikking opgenomen op het Iraanse recht gestoelde regeling, inhoudende dat de man 40 van de verschuldigde Bahar Azadi gouden munten pas moet betalen als hij draagkracht heeft om die gouden munten te voldoen. (rov. 5.21, tweede alinea)

Het hof heeft expliciet ter zitting aan partijen de vraag gesteld of de afgifte van de munten onder de sanctiewetgeving valt. 5 De vrouw heeft geantwoord dat dit niet het geval was en is. Dit is door de man ter zitting niet weersproken. Nu in de visie van de vrouw de sanctiewet niet van toepassing is, is afgifte van de munten in beginsel niet een onmogelijke prestatie. Gezien het feit dat de man in beginsel al zijn door de rechter opgelegde verplichtingen tot op heden nakomt, gaat het hof ervan uit dat hij ook deze zal nakomen. Het hof ziet op dit moment geen aanleiding om een dwangsom op te leggen. Voorts is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw om het equivalent uit te keren in euro’s niet toewijsbaar is, aangezien partijen expliciet met elkaar zijn overeengekomen dat de man munten aan haar dient te verstrekken. Het overige wat is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. (rov. 5.21, derde alinea)

3.2

Het cassatiemiddel van de man keert zich tegen de overwegingen van het hof in rov. 5.21 dat een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak, geen khul echtscheiding kent, en dat, anders dan de man naar voren heeft gebracht, de vrouw met het initiëren van de echtscheiding dan ook geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Volgens het middel is dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk. Het middel zet dit, kort gezegd, als volgt uiteen.
Voor zover het hof zijn oordeel in rov. 5.21 heeft gebaseerd op het oordeel van de rechtbank is dat onbegrijpelijk, omdat de rechtbank niets heeft overwogen over de khul echtscheiding; de man heeft voor het eerst in appel een beroep gedaan op de khul echtscheiding.

Het hof heeft miskend dat, nu de bruidsgave wordt beheerst door Iraans recht, het verweer van de man dat de vrouw door het initiëren van de echtscheiding bij de Nederlandse rechter afstand heeft gedaan van haar bruidsgave, moet worden beoordeeld naar Iraans recht. Anders gezegd, het beroep van de man op de gevolgen die de khul echtscheiding heeft voor de bruidsgave aanspraak van de vrouw, moet worden beoordeeld aan de hand van art. 1146 Iraans BW. Dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, is niet relevant bij de beoordeling van de vraag of de vrouw, gelet op het verweer van de man, naar Iraans recht aanspraak kan maken op de bruidsgave. Ten onrechte heeft het hof nagelaten om te beoordelen of de grond van het echtscheidingsverzoek van de vrouw in de Nederlandse echtscheidingsprocedure naar Iraans recht kwalificeert als ‘owing to dislike of her husband’ in de zin van art. 1146 Iraans BW.

Het oordeel van het hof in rov. 5.21 is ook onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat de bruidsgave niet los kan worden gezien van hoe het huwelijk en de echtscheiding zijn geregeld naar Iraans recht. Dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, is dan ook niet relevant.

Voor zover het hof zou hebben bedoeld dat de openbare orde zich verzet tegen de toepassing van art. 1146 Iraans BW met betrekking tot de khul echtscheiding, is dat oordeel onbegrijpelijk.

3.3

Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. 6 De Nederlandse rechtspraak wordt in toenemende mate geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant. 7 De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur uit het islamitische recht en komt voor in de wetgeving van landen waar het personen- en familierecht is gebaseerd op het islamitische recht. Aangezien er verschillen bestaan in de wetgeving van deze landen, beperk ik mij tot de Iraanse bruidsgave. 8

De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de bruidsgave is te vinden in art. 1078 t/m 1101 Iraans BW. 9 De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. 10 De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. 11 De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave. 12

De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. 13 In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. 14 Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. 15 De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw. 16

Een bruidsgave tot 110 Bahar Azadi gouden munten 17 of het daarmee corresponderende geldbedrag kan door de vrouw van de man worden opgeëist zonder tussenkomst van de rechter. Voor het opeisen van het meerdere deel dient de vrouw zich te wenden tot de rechter, die bij de beoordeling van de vordering rekening zal houden met de draagkracht van de man. Blijkt de man onvoldoende draagkracht te hebben om de resterende bruidsgave te betalen, dan kan de rechter hem veroordelen tot betaling in termijnen. 18

3.4

Naar Iraans recht beschikt de vrouw over beperkte mogelijkheden om een echtscheiding tot stand te brengen. 19 De man beschikt over vrijwel een onbeperkt recht om van zijn vrouw te scheiden. 20 De vrouw daarentegen, kan slechts om echtscheiding vragen wanneer de man zijn huwelijkse verplichtingen niet nakomt. De wettelijke gronden waarop de vrouw om echtscheiding kan vragen zijn: de afwezigheid van de man voor een periode van tenminste vier jaar zonder een teken van leven; 21 de weigering van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien; 22 en de ondraaglijkheid voor de vrouw om het huwelijk met de man voort te zetten 23. Naast deze wettelijke echtscheidingsgronden kunnen partijen (in de huwelijksakte) aanvullende echtscheidingsgronden afspreken ten gunste van de vrouw. 24

In de Iraanse wet worden twee aanvullende echtscheidingsgronden genoemd die zijn gebaseerd op de consensus tussen de echtgenoten: 25 een khul echtscheiding, waarbij de echtscheiding tot stand komt op verzoek van de vrouw op grond van haar aversie tegen de man (‘dislike of her husband’), 26 en een mubarat echtscheiding, waarbij beide echtgenoten willen scheiden wegens aversie tegen elkaar 27. Voor de onderhavige zaak is de khul echtscheiding van belang. De Iraanse wet (art. 1146 Iraans BW) schrijft voor dat een khul echtscheiding mogelijk is wanneer de vrouw de man een vergoeding betaalt in ruil voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. 28 Die vergoeding kan bestaan uit een deel of het geheel van de nog niet betaalde bruidsgave die partijen zijn overeengekomen. De hoogte van de vergoeding is onderwerp van onderhandelingen tussen de echtgenoten.

3.5

In de literatuur worden verschillende functies van de bruidsgave genoemd. 29

De bruidsgave kan een symbolische functie hebben, waarbij de bruidsgave in het teken staat van bijvoorbeeld de sociale status van de echtgenoten. Een hoge bruidsgave is statusverhogend, zonder dat de vrouw daadwerkelijk zal overgaan tot het opeisen van de bruidsgave tijdens het huwelijk. De bruidsgave kan ook in het teken staan van een religieuze verplichting of een plaatselijke gewoonte waar de echtgenoten uiting aan geven, waarbij de hoogte van de bruidsgave niet centraal staat.

De bruidsgave kan ook een financiële functie hebben, waarbij de bruidsgave de vrouw financiële zekerheid biedt tijdens het huwelijk (als financiële buffer) en in geval van echtscheiding (waarbij als uitgangspunt geldt dat de vrouw volgens de op het islamitische recht gebaseerde rechtsstelsels geen aanspraak kan maken op grond van huwelijksvermogensrecht en partneralimentatie). 30

Ook wordt aan de bruidsgave een gedragsregulerende functie toegeschreven. Zowel de man als de vrouw zullen niet al te lichtvaardig besluiten tot een echtscheiding, omdat dit financiële gevolgen zal hebben. Als de man de echtscheiding initieert, zal hij de (resterende) bruidsgave aan de vrouw moeten voldoen. Een hoge bruidsgave beschermt de vrouw tegen een al te lichtvaardige huwelijksbeëindiging door de man. En als de vrouw de echtscheiding initieert buiten de wettelijk toegestane of door de echtgenoten aanvullend afgesproken echtscheidingsgronden, kan zij gehouden worden om afstand te doen van (een deel van) de bruidsgave.

In het verlengde hiervan kan de bruidsgave ook een onderhandelingsinstrument zijn voor de vrouw die een khul echtscheiding beoogt te bewerkstelligen.

3.6

Uit de Iraanse bruidsgavezaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd blijkt, net als in de onderhavige zaak, dat de echtgenoten in de Iraanse huwelijksakte exorbitant hoge bruidsgave afspraken maken in de vorm van Iraanse Bahar Azadi gouden munten, die, voor zover kan worden nagegaan, de financiële draagkracht van de man, zowel bij de huwelijksvoltrekking als ten tijde van de echtscheiding, ver te boven gaan. 31 Een verklaring voor deze exorbitant hoge bruidsgave afspraken heb ik niet kunnen vinden, anders dan dat dit gebruikelijk is in Iran. 32 In bruidsgavezaken uit andere landen, zoals Marokko, Pakistan en Afghanistan, die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, komen dergelijke exorbitant hoge bruidsgave afspraken in de regel niet voor. 33 Deze Iraanse praktijk staat haaks op het uitgangspunt van islamitisch recht dat de bruidsgave ingetogen dient te zijn. 34

3.7

Ik keer terug naar de klachten. In deze zaak heeft het hof de verplichting van de man tot betaling van de bruidsgave aan de vrouw gekwalificeerd als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte. Het hof heeft de bruidsgave op grond van art. 3 lid 1 Rome I-Verordening jo. art. 10:154 BW beoordeeld naar Iraans recht (rov. 5.14). Tegen deze kwalificatie en de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave is in cassatie geen klacht gericht. 35 Dit betekent dat de inhoud en omvang van de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave, alsmede de bevrijdende verweren van de man tegen deze aanspraak, beoordeeld dienen te worden naar Iraans recht (vgl. art. 12 lid 1 Rome I-Verordening). Dit geldt ook voor de vraag onder welke omstandigheden de vrouw haar aanspraak op de bruidsgave verliest. Het verweer van de man dat de vrouw, als compensatie voor een khul echtscheiding, afstand dient te doen van haar recht op de bruidsgave, wordt derhalve bestreken door Iraans recht.
Het hof heeft nagelaten om te beoordelen of de door de vrouw geïnitieerde echtscheiding in Nederland kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. Aangezien de man zich tegen het verzoek van de vrouw op grond van de bruidsgave heeft verweerd met een beroep op art. 1146 Iraans BW, stellende dat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland naar Iraans recht afstand heeft gedaan van haar recht op de bruidsgave, 36 had het hof moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van art. 1146 Iraans BW. Het hof had dan ook moeten nagaan of sprake is van een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW (‘when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband’). Dit vraagt om een uitleg van het Iraanse recht: ziet art. 1146 Iraans BW ook op een in Nederland op verzoek van de vrouw naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding op de grond dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht (art. 1:151 BW) ? Of beperkt art. 1146 Iraans BW zich tot gevallen waarin de khul echtscheiding tot stand is gekomen onder de toepassing van Iraans recht? En maakt het daarbij nog uit of de khul echtscheiding tot stand is gekomen in Iran of in het buitenland? Het oordeel van het hof dat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave, is gebaseerd op de overweging dat een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak, geen khul echtscheiding kent (rov. 5.21, eerste alinea). Hiermee is echter nog niet gezegd of de Nederlandse echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. 37

3.8

Gegeven de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave, kon het hof voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave niet volstaan met het oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, maar had het hof, gelet op het beroep van de man op art. 1146 Iraans BW, moeten onderzoeken of de in Nederland op verzoek van de vrouw uitgesproken echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW en, zo ja, welke gevolgen dat naar Iraans recht heeft voor de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave. Met het middel meen ik dat het hof dit ten onrechte heeft nagelaten.

3.9

Voor zover het middel betoogt dat het hof de toepassing van art. 1146 Iraans BW heeft afgewezen wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft het beroep van de man op art. 1146 Iraans BW niet op deze grond verworpen, maar geoordeeld dat een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak, geen khul echtscheiding kent, zodat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. 38

3.10

Ik meen dat het principale cassatiemiddel op de hiervoor vermelde gronden terecht is voorgesteld.

4Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel van de vrouw is gericht tegen de beslissing van het hof met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen. Alvorens de klachten van het middel te bespreken, geef ik weer hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. Voor zover van belang heeft het hof het volgende overwogen.

Op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 39 kan een bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde. Een dergelijke bepaling maakt onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, kan niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval. (rov. 5.7)

Het hof neemt de gronden van de rechtbank in deze over na een eigen afweging en voegt daar nog het volgende aan toe. 40 Wat betreft de toelaatbaarheid van de voorwaarden in de Iraanse huwelijkse voorwaarden dient getoetst te worden aan art. 14 HHV 1978, hetgeen betekent dat toepassing van het door het verdrag aangewezen recht slechts achterwege kan blijven indien zij kennelijk in strijd is met de openbare orde. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Partijen zijn de huwelijkse voorwaarden in deze vorm aangegaan, terwijl zij hiertoe niet verplicht waren en gesteld noch gebleken is dat sprake was van een wilsgebrek. Dat in de huwelijkse voorwaarden sprake zou zijn van een onacceptabele vorm van discriminatie van de vrouw is het hof niet gebleken. Het Iraanse recht kent een stelsel van algehele scheiding van vermogens. De bepaling in de huwelijkse voorwaarden beoogt juist om de vrouw in financieel opzicht te beschermen voor het geval de man besluit haar te verlaten. Indien de man de echtscheiding zou hebben geïnitieerd, kan hij geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw, terwijl hij bij scheiding een deel van zijn vermogen kwijtraakt. Het hof acht de in hoger beroep voorliggende beperkende voorwaarde in onderdeel A dan ook niet discriminerend, zodat geen sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde zoals bedoeld in art. 14 HHV 1978. (rov. 5.9) 41

4.2

In onderdeel 1 worden verschillende klachten geformuleerd tegen rov. 5.9. De klachten houden, kort gezegd, het volgende in.

Ten onrechte heeft het hof de verenigbaarheid van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden met de openbare orde getoetst naar het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, door te overwegen dat partijen de huwelijkse voorwaarden in deze vorm zijn aangegaan terwijl zij hiertoe niet verplicht waren en gesteld noch gebleken is dat sprake was van een wilsgebrek. Het hof had de verenigbaarheid met de openbare orde moeten toetsen naar het moment waarop de rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen.

Ten onrechte heeft het hof de verenigbaarheid van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden met de openbare orde getoetst aan het Iraanse recht, door te overwegen dat het Iraanse recht een stelsel van algehele scheiding van vermogens kent, de huwelijkse voorwaarden juist beogen om de vrouw in financieel opzicht te beschermen voor het geval de man besluit om haar te verlaten en de man geen recht kan doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw indien hij de echtscheiding initieert. Het hof had moeten toetsen of de toepassing van Iraans recht naar Nederlandse opvattingen al dan niet kan worden geduld.

Ten onrechte heeft het hof de gemotiveerde stelling van de vrouw dat sprake is van ‘uitsluitend een binding, dan wel betrokkenheid met Nederland’ ongemotiveerd gepasseerd, terwijl deze stelling van belang is bij de beoordeling of de toepassing van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden naar Nederlandse opvattingen kan worden geduld. 42

Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden met de openbare orde heeft het hof ten onrechte van belang geacht dat de man geen recht kan doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw. Het hof miskent hiermee dat in geval van een traditioneel rollenpatroon waarbij de man het vermogen opbouwt en de vrouw alleen de kinderen verzorgt, een naar Nederlands recht verboden onderscheid bestaat indien het delen van het vermogen afhankelijk wordt gemaakt van de vraag wie de echtscheiding verzoekt. Ten onrechte heeft het hof de gemotiveerde stelling van de vrouw hierover gepasseerd. 43

4.3

Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. In deze zaak gaat het om de vraag of de toepassing van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden die partijen zijn overeengekomen naar Iraans recht in strijd komt met de openbare orde in de zin van art. 14 HHV 1978. Met deze huwelijkse voorwaarden zijn partijen afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen. 44 In onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de vrouw in geval van echtscheiding aanspraak maakt op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen, onder de voorwaarde dat (i) de echtscheiding niet door de vrouw is verzocht en (ii) de echtscheiding volgens de vaststelling van de rechter niet is veroorzaakt door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verplichtingen na te komen of door haar wangedrag. Dit betreft een door de Iraanse overheid vastgestelde modelclausule van huwelijkse voorwaarden, 45 die in de Nederlandse feitenrechtspraak regelmatig aan bod komt. In de voorliggende zaak is uitsluitend de voorwaarde onder (i) in geschil. In cassatie staat vast dat de huwelijkse voorwaarden van partijen worden beheerst door Iraans recht. Eveneens staat vast dat deze huwelijkse voorwaarden op grond van Iraans recht, zowel naar vorm als inhoud, rechtsgeldig zijn.

4.4

De vraag of deze modelclausule in Iraanse huwelijkse voorwaarden verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde, heeft de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 19 november 2021 46 als volgt beantwoord:

‘2.2 Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(…)

(iii) Bij hun huwelijksakte zijn de vrouw en de man huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht overeengekomen. Deze huwelijkse voorwaarden bevatten – volgens een in het geding gebrachte beëdigde vertaling van de huwelijksakte – onder meer de volgende bepaling:

“A – Met voltrekking van het huwelijk, stelde de vrouw als voorwaarde dat wanneer het verzoek tot de scheiding niet door haar is ingediend, en volgens de overweging van de rechtbank, de oorzaak van de scheiding niet door nakoming [de Hoge Raad leest: niet-nakoming] van de echtelijke verplichtingen door de vrouw of haar immoreel gedrag is, in dit geval is de man verplicht de helft van zijn aanwinst/bezittingen of van gelijke waarde die hij gedurende hun huwelijk met haar verdiend heeft kosteloos aan haar over te dragen.

(...)”

Vraag 1: Kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde?

3.1

Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

3.2

In de wetsgeschiedenis van art. 10:6 BW is het volgende opgemerkt. Bij het begrip openbare orde van art. 10:6 BW gaat het om gevallen waarin sprake is van strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Daarbij moet worden onderscheiden tussen de inhoud van het vreemde recht en de gevolgen waartoe toepassing van het vreemde recht in het concrete geval leidt. Van vreemd recht dat naar zijn inhoud in strijd is met de openbare orde, is sprake in gevallen waarin de grenzen van wat naar Nederlandse opvattingen voor een wetgever behoorlijk en geoorloofd is, worden overschreden. Dergelijk vreemd recht kan in Nederland niet worden toegepast, waarbij het niet ter zake doet of het desbetreffende geval enige verbondenheid met Nederland heeft. Vreemd recht dat niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, kan toch buiten toepassing blijven indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. Bij deze toetsing spelen de omstandigheden van het geval, en met name de betrokkenheid van Nederland, een belangrijke rol. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde.

3.3

Van de hiervoor in 3.2 bedoelde strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde kan onder meer sprake zijn indien het vreemde recht inbreuk maakt op een van de grondrechten die zijn verankerd in de Grondwet, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tot die grondrechten behoren het recht op gelijke behandeling, het recht op toegang tot de rechter en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

3.4.1

Het bepaalde in art. 10:6 BW en hetgeen hiervoor in 3.2-3.3 is overwogen, is van toepassing indien het Nederlandse conflictenrecht het recht van een andere staat aanwijst. Daarbij is niet van belang of sprake is van geschreven of ongeschreven vreemd recht.

(…)

3.4.3

Het past in het stelsel van Boek 10 BW en sluit aan bij de daarin geregelde gevallen – te weten art. 10:6 BW en de hiervoor in 3.4.2 genoemde bijzondere regels – om te aanvaarden dat de openbare orde ook kan meebrengen dat in Nederland rechtsgevolg wordt onthouden aan een rechtshandeling die door een partij of door partijen is verricht in overeenstemming met geschreven of ongeschreven vreemd recht en volgens dat vreemde recht rechtsgeldig is, voor zover het toekennen van rechtsgevolg aan die rechtshandeling tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

3.5

Uit de vaststellingen van het hof (…) volgt dat de vrouw en de man een rechtshandeling hebben verricht – te weten het aangaan van huwelijkse voorwaarden – waarbij zij in overeenstemming met het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke Iraanse recht en op rechtsgeldige wijze zijn afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel en de hiervoor in 2.2 onder (iii) bedoelde bepaling zijn overeengekomen. Op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, dient te worden onderzocht in hoeverre aan die bepaling in Nederland rechtsgevolg moet worden onthouden op de grond dat zij tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

3.6.1

Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kan kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan echter niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.

3.6.2

Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van een van de echtgenoten afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of die echtgenoot – kort gezegd – schuld heeft aan de echtscheiding door te weigeren de huwelijkse verplichtingen na te komen of vanwege immoreel gedrag, kan eveneens kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten en kan leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die inbreuk tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan evenmin in algemene zin worden beantwoord, nu ook in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.

3.7

Op grond van het vorenstaande moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, moet worden beoordeeld of bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.’

4.5

In zijn NJ-noot onder deze uitspraak schrijft Th.M. de Boer het volgende:

‘4. Wat mij stoort aan bovenstaande beslissing, is de veronderstelling dat het Iraanse recht niet deugt omdat het de vrouw een aanspraak op het vermogen van haar man ontzegt als zij, en niet de man, degene is die de echtscheiding verzoekt. Grote woorden als ‘beperking van toegang tot de rechter’ of ‘achterstelling van de positie van de vrouw’ suggereren een vorm van discriminatie die in onze ogen onacceptabel is. Maar wie zich verdiept in het Iraanse recht, kan weten dat het hier gaat om een regeling die beoogt de vrouw in financieel opzicht te beschermen tegen een eenzijdig besluit van de man om haar in de steek te laten. Anders dan de ‘mahr’ (bruidsgave), de ‘ojrat-ol-mesl’ (vergoeding voor huishoudelijk werk) en de ‘nehleh’ (door de rechter te bepalen ‘schenking’ aan de vrouw), eveneens bedoeld om de financiële positie van de vrouw na echtscheiding te versterken, berust de hier bedoelde regeling op wilsovereenstemming. Wel heeft de Iraanse overheid de clausule in een voorgedrukt huwelijkscontract opgenomen om ondertekening daarvan door aanstaande echtgenoten te stimuleren. Dat wil niet zeggen dat zij daartoe verplicht zijn: als de man niet meewerkt heeft de clausule geen gevolg.

(…) Art. 1119 Iraans BW staat aanstaande echtgenoten toe ‘any condition which is not incompatible with the nature of the contract of marriage’ in hun contract op te nemen, ook als zo’n beding derogeert aan een wettelijke regel van Iraans huwelijksrecht. (…)


In casu hadden partijen dus ook kunnen afwijken van het modelcontract, bijvoorbeeld door de in Nederlandse ogen odieuze voorwaarden te schrappen, of door de man een aanspraak te geven op het vermogen van de vrouw, of zelfs door een algehele of beperkte gemeenschap van goederen overeen te komen. (…)

Dit werpt mijns inziens een ander licht op de suggestie dat de beperkende voorwaarden in de standaardclausule discriminerend zijn voor de vrouw en dat zij in haar toegang tot de (echtscheidings)rechter zou worden beperkt. Eerder, zou ik zeggen, is er sprake van het omgekeerde: de clausule is discriminerend voor de man omdat hij bij scheiding geen recht kan doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw en omdat de gedachte dat hij bij scheiding een deel van zijn vermogen kwijt raakt hem wel eens zou kunnen weerhouden van een gang naar de rechter. Door de clausule te ondertekenen accepteren beide partijen dat degene die een echtscheiding in gang zet een financieel verlies lijdt: de man verliest de helft van zijn vermogen, de vrouw verliest haar aanspraak daarop. Aan de voordeelkant bevordert de clausule voor beide partijen de in het Islamitisch recht wenselijk geachte instandhouding van het huwelijk (…). Zo bezien, zijn de beperkende voorwaarden in de clausule voor geen van beide echtgenoten nadelig en is er voor een beroep op de openbare orde geen gegronde reden.

5. Tegen het inzetten van de openbare orde pleit voorts het argument dat toepassing van een huwelijksvoorwaarde als door partijen overeengekomen, dus mét de litigieuze beperkende voorwaarden, niet strijdig is met het binnengrenscriterium. Daarbij moet bezien worden of die toepassing leidt tot ‘een gevolg dat naar Nederlandse opvatting niet kan worden geduld’. In casu leidt toepassing van de huwelijksvoorwaarde tot de conclusie dat niet voldaan is aan de eis dat het de man moet zijn die het initiatief tot de echtscheiding neemt en niet, zoals hier, de vrouw. Derhalve kan de vrouw zich niet op de huwelijksvoorwaarde beroepen en behoudt de man de helft van zijn vermogen. Als partijen de clausule in het huwelijksformulier niet hadden ondertekend zou het resultaat hetzelfde zijn: algehele scheiding van goederen. Ik denk niet dat iemand in Nederland daarvan wakker zou liggen. Waarom zou dat anders zijn nu partijen de clausule wél hebben ondertekend maar een van de daarin opgenomen voorwaarden niet is vervuld? Of moeten we het begrip ‘gevolg’ of ‘toepassingsresultaat’ anders lezen en moet niet het effect van de beperkende voorwaarden maar hun inhoud worden getoetst? Zo ja, wat is dan nog het verschil met het buitengrenscriterium?’

4.6

Ik kan deze redenering van Th.M. de Boer goed volgen. In afwijking van het Iraanse wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen, zijn partijen ten gunste van de vrouw huwelijkse voorwaarden overeengekomen waarin zij onder voorwaarden recht heeft op de helft van het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd. Zonder deze huwelijkse voorwaarden zou de vrouw op grond van het wettelijke stelsel geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kunnen maken op het vermogen van de man. De huwelijkse voorwaarden maken weliswaar een onderscheid tussen de echtgenoten, maar dit onderscheid moet worden gezien tegen de achtergrond van het Iraanse echtscheidingsrecht, waarin de man in tegenstelling tot de vrouw over vrijwel een onbeperkt recht beschikt om de echtscheiding te initiëren. 47 De huwelijkse voorwaarden zijn bedoeld om de vrouw in financieel opzicht te beschermen tegen een al te lichtvaardige huwelijksontbinding door de man. Aldus bezien versterken de huwelijkse voorwaarden de positie van de vrouw. Verder lijkt het mij moeilijk vol te houden dat deze huwelijkse voorwaarden in Nederland zullen leiden tot een, met het oog op de openbare orde niet te dulden, beperking van het recht van de vrouw op toegang tot de rechter. Natuurlijk wordt de vrouw door deze huwelijkse voorwaarden ontmoedigd om echtscheiding te vragen, omdat zij in dat geval haar huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak verliest (onderdeel A, onder (i) van de huwelijkse voorwaarden). Dat kan voor de vrouw een financiële belemmering zijn om echtscheiding te verzoeken. Maar is dit niet een aspect dat in vrijwel alle (ook Nederlandse) echtscheidingszaken een rol speelt? Een echtscheiding heeft nu eenmaal financiële consequenties voor beide echtgenoten, ongeacht wie om echtscheiding verzoekt. Bovendien wordt ook de man volgens de Iraanse huwelijkse voorwaarden ontmoedigd om het initiatief te nemen tot echtscheiding, omdat de vrouw in dat geval aanspraak maakt op de helft van het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd. Door deze huwelijkse voorwaarden af te spreken accepteren beide partijen een financieel verlies door degene die de echtscheiding in gang heeft gezet. Aldus bezien wordt de vrouw niet meer dan de man beperkt om de echtscheiding te verzoeken. Ten slotte meen ik dat de uitvoering van deze huwelijkse voorwaarden, die door partijen ter gelegenheid van een in Iran voltrokken huwelijk zijn afgesproken, het meest recht doet aan de partijverwachtingen: geen van partijen zal er rekening mee hebben gehouden dat de vrouw in geval van een door haar ingeleide echtscheidingsprocedure aanspraak zal kunnen maken op de helft van het vermogen van de man. Dit wordt niet anders omdat de zaak (inmiddels) nauw is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer en de toetsing aan de openbare orde dient plaats te vinden naar het moment waarop de rechter wordt verzocht om een beslissing over het huwelijksvermogensregime te geven.

4.7

Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het hof in de bestreden beschikking heeft kunnen oordelen dat niet is gebleken dat in onderdeel A, onder (i) van de huwelijkse voorwaarden van partijen sprake zou zijn van een onacceptabele vorm van discriminatie van de vrouw. De voorwaarde onder (i) in onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw haar huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak op de helft van het vermogen van de man verliest als zij degene is die om echtscheiding heeft verzocht, levert naar mijn mening geen kennelijke onverenigbaarheid met de Nederlandse openbare orde op zoals bedoeld in art. 14 HHV 1978. 48

4.8

Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat het hof niet uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval, als relevante omstandigheid in het kader van het binnengrenscriterium van de openbare orde exceptie. 49 Dit kan echter niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof dat toepassing van onderdeel A, onder (i) van de Iraanse huwelijkse voorwaarden niet leidt tot een resultaat dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde, houdt namelijk ook stand wanneer wordt aangenomen dat de casus (op grond van de in het middel genoemde omstandigheden) 50 nauw is verbonden met de rechtssfeer van Nederland.

4.9

Onderdeel 2 is gericht tegen overwegingen ten overvloede in rov. 5.10 e.v. Voor zover van belang heeft het hof als volgt overwogen.

Zelfs indien aangenomen zou worden dat de in hoger beroep voorliggende voorwaarde onder (i) in onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden kennelijk wel onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 14 HHV 1978, kan dit de vrouw niet baten. Uit HR 19 november 2021 volgt dat in dat geval aan de hand van het Iraanse huwelijksvermogensrecht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan. Dit vergt een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. (rov. 5.10)

Op grond van art. 1119 Iraans BW mogen echtgenoten in hun huwelijkscontract afwijken van het Iraanse wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen, voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. De achtergrond van de standaardclausule in onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden is dat het Iraanse recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk. Indien de man wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft en zij wel gehuwd wenst te blijven, blijft zij na het huwelijk toch verzorgd achter. (rov. 5.11)

Dit betekent dat als enkel de voorwaarde dat de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd buiten toepassing zou blijven, dit tot gevolg zou hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man. Dit is in strijd met de ratio van deze overeenkomst tussen partijen, ervan uitgaande dat de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden onlosmakelijk zijn verbonden met de beschermingsgedachte en bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt. Het Iraanse stelsel van algehele scheiding van goederen benadert de aard en strekking van de overeenkomst (de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden) naar Iraans recht dichter dan de gereduceerde bepaling. Overigens is in dit geval geen sprake van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. Immers, de vrouw kan naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie en ten behoeve van de minderjarige op kinderalimentatie. Daarnaast heeft zij een (beperkt) inkomen. (rov. 5.12)

4.10

Volgens het middel heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.

Naar het middel betoogt heeft het hof miskend dat in geval van strijdigheid van de Iraanse huwelijkse voorwaarden met de Nederlandse openbare orde, slechts het gewraakte onderdeel van de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing dient te blijven en voor het overige uitvoering dient te worden gegeven aan de huwelijkse voorwaarden met uitzondering van het buiten toepassing gelaten onderdeel.

Verder bevat het middel klachten die betrekking hebben op de uitleg en toepassing van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Zo voert het middel aan dat onduidelijk is of het hof Iraans recht heeft toegepast, waar het in rov. 5.12 overweegt dat als enkel het gewraakte onderdeel van de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing zou blijven dit tot gevolg zou hebben dat de vrouw een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man, hetgeen naar het oordeel van het hof in strijd is met de ratio van deze overeenkomst (‘de beschermingsgedachte en bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven’.) Ook zou het hof niet hebben gemotiveerd waarom het buiten toepassing blijven van alleen het gewraakte onderdeel in strijd komt met de ratio van de overeenkomst.

In het verlengde hiervan betoogt het middel dat het hof het de facto geheel buiten toepassing laten van de huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden, onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat partijen naar Iraans recht deze aanspraak wel zijn overeengekomen en partijen tijdens het huwelijk daar ook naar hebben gehandeld.

Ten slotte is volgens het middel onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat geen sprake is van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw, nu zij naar Nederlands recht aanspraak kan maken op partner- en kinderalimentatie en een (beperkt) inkomen heeft. Dit staat volgens het middel los van de vermogensopbouw tijdens het huwelijk en de wijze waarop partijen aan de financiële verhoudingen tijdens het huwelijk invulling hebben gegeven.

4.11

De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. In rov. 5.10 heeft het hof terecht vooropgesteld dat, wanneer een onderdeel van de Iraanse huwelijkse voorwaarden buiten toepassing wordt gelaten in verband met strijd met de Nederlandse openbare orde, aan de hand van het Iraanse recht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan. 51 Zoals het hof aan het slot van rov. 5.10 ook overweegt, vergt dit een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht.

In rov. 5.11 gaat het hof in op de uitleg van het Iraanse recht, in het bijzonder art. 1119 Iraans BW, waaruit volgt dat de echtgenoten in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraanse wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Ook besteedt het hof aandacht aan de achtergrond van de modelclausule van huwelijkse voorwaarden die de Iraanse overheid heeft vastgesteld.

Met het middel ben ik van mening dat het hof in rov. 5.12 onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom de vrouw naar Iraans recht een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan maken op het vermogen van de man op grond van onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden minus het gewraakte onderdeel (onder (i)) daarvan. Voor dat oordeel moet op z’n minst duidelijk worden of en, zo ja, in hoeverre de vrouw naar Iraans recht een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval het gewraakte onderdeel (onder (i)) wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing wordt gelaten. Hiervoor is nodig om in kaart te brengen op welke wijze naar Iraans recht wordt omgegaan met de omstandigheid dat een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden (bijvoorbeeld wegens partiële nietigheid van die clausule) buiten toepassing blijft. 52 Dit heeft het hof nagelaten.

4.12

Hoewel onderdeel 2 terecht is voorgesteld, zal dit niet tot cassatie kunnen leiden omdat het is gericht tegen een overweging ten overvloede.

5Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging in het principale cassatieberoep en tot verwerping in het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Zie rov. 3.1 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1020.

2

Zie productie 5 bij het inleidende verzoek van de vrouw.

3

Rb. Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2914.

4

Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), PbEU 2008, L 177/6.

5

Hiermee doelt het hof op de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran (Sanctieregeling Iran 2012), Stcrt. 2012, nr. 8001, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 26 februari 2026, nr. BZ2625435, Stcrt. 2026, nr. 8587.

6

Zie ook mijn conclusie in zaak 25/01295, ECLI:NL:PHR:2026:382.

7

De zoekterm ‘bruidsgave’ levert op rechtspraak.nl 62 uitspraken op in de periode 2025 t/m heden, waarvan 39 uitspraken betrekking hebben op de Iraanse bruidsgave. Zie over de bruidsgave S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I) en FJR 2025/22 (deel II); M.J. de Klerk, De bruidsgave, lessen uit een jaar jurisprudentie, EB 2026/3. Zie ook Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/256-258; F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, Boom juridisch 2016, p. 103-110.

8

Zie N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50; N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 97-100; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 160-164.

9

In mijn conclusie heb ik gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van het Iraans BW die te vinden is op https://www.refworld.org/legal/legislation/natlegbod/1928/102142 Zie voor een Duitse vertaling Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, Verlag für Standesamtswesen.

10

Zie art. 1078 Iraans BW: ‘Anything which can be called property and which can be owned and possessed can be designated as a marriage portion.’ Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 132: ‘Typically, Iranian mahr consist of a sum of money or an amount of gold coins.’

11

Zie art. 1080 Iraans BW: ‘Fixing of the amount of marriage portion depends upon the mutual consent of the marrying parties.’

12

Zie art. 1087 Iraans BW: ‘If a marriage portion is not mentioned, or if the absence of marriage portion is stipulated in a permanent marriage, that marriage will be authentic and the parties to it can fix the marriage portion subsequently by mutual consent. If previous to this mutual consent matrimonial intercourse takes place between them, the wife will be entitled to the marriage portion ordinarily due.’

13

Zie art. 1082 Iraans BW: ‘Immediately after the performance of the marriage ceremony the wife becomes the owner of the marriage portion and can dispose of it in any way and manner that she may like.’; en art. 1118: ‘The wife can independently do what she likes with her own property.’

14

N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 133: ‘Statutes and the standard clause in the marriage certificate specify that the mahr is due on the wife’s demand, even though in practice wives rarely ask for the mahr during marital life, particularly when the marriage is a happy one.’

15

Zie art. 1083 Iraans BW: ‘A duration of time or instalments can be fixed for the payment of the marriage portion, as a whole or in parts.’

16

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 57, 74-75; Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law Routledge 2016, p. 133.

17

Ook wel Bahar-e Azadi genoemd. Ik zal de terminologie aanhouden die het hof in de bestreden beschikking heeft gehanteerd (Bahar-Azadi), maar dan zonder koppelteken tussen Bahar en Azadi.

18

S.W.E. Rutten, De Islamitische bruidsgave (deel I), FJR 2025/17, p. 79; N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50.

19

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 53-56; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 135 e.v. Vgl. M. van den Berg, Islamitisch huwelijks- en echtscheidingsrecht, in: S. Rutten e.a. (red.), Recht in een multiculturele samenleving, Intersentia 2018, p. 239-240.

20

Zie art. 1133 Iraans BW: ‘A man can divorce his wife whenever he wishes to do so.’

21

Zie art. 1029 Iraans BW: ‘If a man has been for four years continuously absent with unknown whereabouts , his wife can apply for a divorce. (…).’

22

Zie art. 1129 Iraans BW: ‘If the husband refuses to pay the cost of maintenance of his wife, and if it is impossible to enforce a judgment of the court and to induce him to pay the expenses, the wife can refer to the judge applying for divorce and the judge will compel the husband to divorce her. The same stipulation will be binding in a case where the husband is unable to provide for the maintenance of the wife.’

23

Zie art. 1130 Iraans BW: ‘In the following circumstances, the wife can refer to the Islamic judge and request for a divorce. When it is proved to the Court that the continuation of the marriage causes difficult and undesirable conditions, the judge can for the sake of avoiding harm and difficulty compel the husband to, divorce his wife. If this cannot be done, then the divorce will be made on the permission of the Islamic judge.’

24

Zie art. 1119 Iraans BW: ‘The parties to the marriage can stipulate any condition to the marriage which is not incompatible with the nature of the contract of marriage, either as part of the marriage contract or in another binding contract: for example, it can be stipulated that if the husband marries another wife or absents him self during a certain period, or discontinues the payment of cost of maintenance, or attempts the life of his wife or treats her so harshly that their life together becomes unbearable, the wife has the power, which she can also transfer to a third party by power of attorney to obtain a divorce herself after establishing in the court the fact that one of the foregoing alternatives has occurred and after the issue of a final judgment to that effect.’

25

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 55; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 156.

26

Zie art. 1146 Iraans BW: ‘A Khul’a divorce occurs when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband, against property which she cedes to the husband. The property in question may consist of the original marriage portion, or the monetary equivalent thereof, whether more or less than the marriage portion.’

27

Zie art. 1147 Iraans BW: ‘A Mubarat divorce occurs when the dislike is mutual in which case the compensation must not be more than the marriage portion.’

28

Anders dan het hof suggereert in rov. 3.7 van het bestreden arrest (‘In het geval van een khul echtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden.’), gaat het dus niet zozeer om de toestemming van de man om te kunnen scheiden maar veeleer om het bereiken van consensus over de echtscheiding.

29

S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I), p. 80. Vgl. M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 65.

30

B. Reinhartz, Invloed van islamitische rechtsfiguren in het civiele recht in Nederland, Preadvies NVvR 2012, p. 26; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 206, noot 44; M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 64-65.

31

Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2610 (600 Bahar Azadi gouden munten ter waarde van € 506.610,-); Gerechtshof Den Haag 5 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1315 (1.100 Bahar Azadi gouden munten ter waarde van € 254.595,-); Rb. Limburg 27 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5870 (200 Bahar Azadi munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Oost-Brabant 10 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:47 (2.500 Bahar Azadi gouden munten ter waarde van € 1.266.750,-); Rb. Overijssel 21 februari 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:921 (200 Bahar Azadi gouden munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Amsterdam 6 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1395 (500 Bahar Azadi gouden munten ter waarde van € 242.650,-).

32

Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 185: ‘Statistiken zufolge sind die Durchschnittswerte der Brautgabe im Iran von 150 Goldmünzen bahār āzādī (BA) im Jahre 1985 auf 260–350 im Jahre 2004 und auf 300–450 im Jahre 2009 gestiegen.’ N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law Routledge 2016, p. 134, maakt melding van parlementaire discussies in Iran over wettelijke regulering van de hoogte van bruidsgave afspraken; dit heeft echter niet geleid tot een wetswijziging.

33

Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 14 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3578 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van MAD 10.000, omgerekend € 944,-); Rb. Rotterdam 25 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1187 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van € 2.734,30); Rb. Amsterdam 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6291 (Pakistaanse bruidsgave ter waarde van € 1.071,-); Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:271 (Afghaanse bruidsgave ter waarde van AFN 1.480.000, omgerekend € 19.000,-).

34

F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, 2016, p. 105; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 106. Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 59-61.

35

Zie nader over de kwalificatie van de bruidsgave Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/257-258. Ik wijs erop dat het Bundesgerichtshof in een recente uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:DE:BGH:2026:180226BXIIZB254.25.0, de in die zaak aan de orde zijnde Iraanse bruidsgave heeft gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht in de zin van de EU-Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Nr. 2016/1103, PbEU 2016, L 183/1).

36

Zie verweerschrift in hoger beroep tevens houdende incidenteel hoger beroep, onder 39 t/m 42.

37

Een vergelijkbare vraag onder de toepassing van Egyptisch recht komt aan bod in het kader van het cassatieberoep (zaak 25/02809) tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759, waarin ik binnenkort zal concluderen.

38

Zie mijn conclusie in zaak 25/01295, ECLI:NL:PHR:2026:382, waarin de vraag aan bod komt of de toepassing van art. 1146 Iraans BW met betrekking tot de gevolgen van een khul echtscheiding voor de bruidsgave aanspraak van de vrouw, leidt tot een resultaat dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Dezelfde vraag komt aan bod in zaak 25/02809 (genoemd in de vorige voetnoot) onder de toepassing van Egyptisch recht.

39

Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, ‘s-Gravenhage 14 maart 1978, Trb. 1988, 130.

40

HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.1.

41

Voor zover van belang heeft de rechtbank in de beschikking van 7 maart 2023, p. 4-5, het volgende overwogen. Onderdeel A van de huwelijkse voorwaarden, voor zover bepalende dat de vrouw alleen een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak heeft op het vermogen van de man als zij niet om echtscheiding heeft verzocht, maakt onderscheid tussen de echtgenoten. Onderdeel A geeft alleen de vrouw, onder de genoemde voorwaarde, een aanspraak op het vermogen van de man en de voorwaarde zelf geldt ook alleen voor de vrouw. Voor de vraag of dat onderscheid leidt tot een resultaat dat onverenigbaar is met de openbare orde is van belang dat de huwelijkse voorwaarden van de man en de vrouw worden beheerst door Iraans recht, waarin in beginsel het systeem van koude uitsluiting geldt. De huwelijkse voorwaarden brengen met zich mee dat de vrouw, indien zij niet degene is die de echtscheiding vraagt, meer krijgt dan zij zonder die afspraak zou krijgen. Het gevolg van de omstandigheid dat de vrouw in dit geval de echtscheiding heeft verzocht, is dat zij geen aanspraak kan maken op de helft van het vermogen van de man. Het resultaat is daarmee voor de vrouw hetzelfde als wanneer partijen geen afspraken hadden gemaakt. Het resultaat voor de vrouw is bovendien gelijk aan het resultaat voor de man. De man kan immers evenmin aanspraak maken op (een deel van) het vermogen van de vrouw. Het resultaat van het in de huwelijkse voorwaarden gemaakte onderscheid levert onder deze omstandigheden geen strijd met de openbare orde op. De omstandigheid dat het voor de man niet aantrekkelijk is om zelf de echtscheiding te verzoeken en daarom mogelijk meer druk op de vrouw zal uitoefenen om haar tot het indienen van een echtscheidingsverzoek te bewegen, levert niet een dusdanige disbalans op dat dat resultaat voor de vrouw in strijd is met de openbare orde. Een en ander beperkt de vrouw immers niet meer dan de man in haar mogelijkheden om de echtscheiding te verzoeken. De conclusie is dat de genoemde voorwaarde geen strijd oplevert met de openbare orde, zodat deze bepaling in stand blijft. De vrouw heeft dus geen recht op de helft van het vermogen van de man.

42

De overwegingen ten overvloede in rov. 5.10 e.v. komen aan bod bij de bespreking van onderdeel 2.

43

Het middel verwijst hiervoor naar p. 6-7 van het appelschrift van de vrouw: ‘In de onderhavige zaak is er sprake van uitsluitend een binding, dan wel betrokkenheid met Nederland. De eerste huwelijksdomicilie was Nederland, de man woonde al in Nederland en had al een scheiding in Nederland achter de rug, partijen hebben vanaf aanvang van het huwelijk de Nederlandse schulden van de man afgelost, de man heeft het te verrekenen vermogen in Nederland met een Nederlands bedrijf opgebouwd en partijen huren een Nederlandse woning en de zoon van partijen is in Nederland geboren en het centrum van hun hele leven lag en ligt in Nederland. Gelet hierop is de bepaling in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw alleen aanspraak kan maken op de helft van het vermogen van de man als de man het verzoek tot echtscheiding indient, in strijd met de openbare orde zoals bedoeld in artikel 10:6 BW. (...)’.

44

Het middel verwijst hiervoor naar p. 10 van het appelschrift van de vrouw: ‘Dat het resultaat voor de vrouw hetzelfde is als voor de man omdat de man ook niet deelt in het vermogen van de vrouw, geldt niet als argument om te oordelen dat de betreffende bepaling niet in strijd is met de openbare orde. Dat zal wel het geval kunnen zijn, indien de verhouding tussen de man en de vrouw een gelijkwaardige was geweest en de vrouw in staat was geweest om een vergelijkbaar vermogen op te bouwen. In verband met het feit dat de vrouw alleen voor de zoon heeft gezorgd en dat ook past in het Iraanse discriminatoire gezinspatroon, maakt dat in de onderhavige zaak dat dat niet opgaat.’

45

Dat mag naar Iraans recht, zie art. 1119 Iraans BW: ‘The parties to the marriage can stipulate any condition to the marriage which is not incompatible with the nature of the contract of marriage, either as part of the marriage contract or in another binding contract (…)’.

46

Zie conclusie A-G Vlas, onder 2.4, voor HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer; N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 75.

47

HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer. Deze uitspraak is besproken door A.A.H. van Hoek & A.E. Oderkerk, Het leerstuk van de openbare-orde-exceptie: de Rubik’s cube van het internationaal privaatrecht? Iraanse huwelijkse voorwaarden langs de lat van de Nederlandse openbare orde, AA 2023, p. 455-466; P. Vlas, Iraans huwelijksvermogensrecht en de openbare orde, FJR 2022/56. Hoewel dit voor de behandeling van de zaak verder niet uitmaakt, merk ik op dat het in de prejudiciële beslissing ging om de openbare orde uit het commune internationaal privaatrecht in art. 10:6 BW, terwijl in de onderhavige zaak de openbare orde van art. 14 HHV 1978 van toepassing is.

48

Zie 3.4 van mijn conclusie.

49

In dezelfde zin bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7715 en Rb. Gelderland 16 november 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:7532. Wel strijd met de openbare orde is aangenomen in bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2614 en Rb. Midden-Nederland 2 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7740.

50

Zie HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2. Ik ga ervan uit dat het binnengrenscriterium ook geldt in het kader van de toepassing van de openbare orde op grond van art. 14 HHV 1978.

51

Zie 4.2, vierde alinea van mijn conclusie.

52

Dit volgt uit HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.8 e.v.; zie ook HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 3.2.7.

53

HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 3.2.7.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733