Rechtbank Den Haag 14-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11777

Essentie (gemaakt door AI)

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie. Contactherstel volgens begeleidingsplan Sterk in Regie; toewerken naar regeling waarin minderjarige om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij vader is. Grondslag: verslechterde communicatie en spanningen; wissels via school ter beperking belasting kind. Alimentatie: wijziging wegens gewijzigde omstandigheden (inkomenssituatie vader). Samenloopverplichting m.b.t. tweede kind; toepassing verhoudingenmethode. Bijdrage vader vastgesteld op € 270,50 per maand vanaf datum beschikking; overige verzoeken af.

Nieuwsitem

'Verhoudingenmethode’ toegepast: "leidt tot rechtvaardigere uitkomst" bij samengestelde gezinnen
Ouders zijn onderhoudsplichtig voor hun kind; vader is daarnaast onderhoudsplichtig voor stiefkind. Rb past nieuwe methode toe. Andere draagkrachtverdeling zou betekenen dat moeder groter deel van behoefte kind zou moeten dragen.

Datum publicatie28-05-2026
ZaaknummerC/09/677373 / FA RK 24-8996
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie; Samengestelde gezinnen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging zorgregeling en wijziging alimentatie. Samenloop: verhoudingenmethode.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 24-8996 (bodem)

Zaaknummer: C/09/677373 (bodem)

Datum beschikking: 14 april 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

Beschikking op het op 27 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel,

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het verweerschrift;

  • het F9-formulier van de moeder van 21 januari 2026, met als bijlage het zelfstandig verzoek van de moeder, tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rechtsvordering (Rv) ;

  • het F9-formulier van de moeder van 5 maart 2026, met bijlagen;

  • het F9-formulier van de vader van 6 maart 2026, met bijlagen;

  • het F9-formulier van de moeder van 12 maart 2026, met bijlagen.

De rechtbank heeft in het kader van de bodemprocedure ook kennisgenomen van de stukken die zijn overgelegd in de voorlopige voorzieningen-procedure, voor zover die zien op de zorgregeling, te weten de F9-formulieren van de vader, met bijlagen, van 6 maart 2026 en 12 maart 2026. Zoals ter zitting is besproken, zijn de stukken die zien op de kinderalimentatie en die na de 10-dagentermijn overgelegd, geweigerd, zodat de rechtbank daarvan geen kennis heeft genomen.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening gegeven over het verzoek.

Op 17 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank gevoegd behandeld met het verzoek van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaak- en rekestnummer C/09/694388 / FA RK 25-8487). Hierbij zijn verschenen:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Ter zitting heeft de moeder haar verzoek in de voorlopige voorzieningenprocedure ingetrokken. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt– met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 – met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift,

de kinderalimentatie op nihil te bepalen, althans met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast heeft de moeder, na wijziging, zelfstandig verzocht nadat alle fases van het begeleidingsplan succesvol zijn afgerond de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige 1] om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] .

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uit.

- [de minderjarige 1] staat ingeschreven bij de moeder.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 is – voor zover hier van belang – een door de vader te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 296,- per maand.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2024 € 350,- per maand en sinds 1 januari 2026 € 390,- per maand.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2021 is – voor zover hier van belang – de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige 1] bij de vader is:

- in de even weken: van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;

- in de oneven weken: van donderdagmiddag uit school tot zaterdagochtend 10.00 uur.

- De vader is op 24 februari 2024 gehuwd met zijn nieuwe partner. Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .

- Op 23 december 2024 heeft Sterk in Regie een begeleidingsplan opgesteld, inhoudende een traject Parallel Solo Ouderschap voor de ouders.

- De burgermeester van de gemeente [plaats] heeft een huisverbod aan de vader opgelegd van 15 november 2025 tot 25 november 2025, waarna dit is verlengd tot 13 december 2025.

- De rechter-commissaris heeft de voorlopige hechtenis van de vader bevolen, en deze onder voorwaarden, waaronder een contactverbod met zijn echtgenote, [de minderjarige 1] , en [de minderjarige 2] , geschorst op 28 november 2025.

- Op 24 januari 2026 heeft Sterk in Regie een concept-begeleidingsplan opgesteld, gericht op herstel van contact en omgang tussen de vader en [de minderjarige 1] .

- Op 29 januari 2026 heeft Veilig Thuis veiligheidsafspraken neergelegd in een afsluitbrief.

- Bij mondeling vonnis van 16 februari 2026 is de vader veroordeeld voor poging zware mishandeling van zijn echtgenote, gepleegd op 14 november 2025, onder oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen en onder bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende reclasseringstoezicht, behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener en dat de vader meewerkt aan alcoholcontroles.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan. Deze wijziging kan ook, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a derde lid BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben omvatten.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het er over eens dat het contact tussen [de minderjarige 1] en de vader moet worden hersteld op de wijze zoals geschetst in het begeleidingsplan van Sterk in Regie. Op dit moment is sprake van fase 3: Opbouwen van begeleid contact. In fase 4 wordt onbegeleid contact opgebouwd. In het begeleidingsplan is daarover het volgende vermeld:

Vanuit het gevoel van ‘Team [de minderjarige 1] ’ gaat de omgangsbegeleider met [de minderjarige 1] uitzoeken wat haar wensen en grenzen zijn in de onbegeleide omgang met haar vader. Het is van belang dat de omgangsbegeleider daar op aansluit en vader hiervan ook informeert, zodat hij daar ook op kan aansluiten. In deze fase stopt de omgangsbegeleider met het begeleiden van de bezoeken. Maar zij houdt wel contact met [de minderjarige 1] om haar te helpen voorbereiden op het onbegeleide omgangsmoment. Zij zal ook weer bij [de minderjarige 1] inchecken na een onbegeleid omgangsmoment om van haar te horen wat eventueel nog anders moet en wat juist heel goed ging. Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] ook hier nog een ‘lijntje’ voelt met haar omgangsbegeleider. Als [de minderjarige 1] blijft aangeven dat het goed gaat dan kan de omgangsbegeleider met haar de omgangsbegeleiding afronden. Volgens het schema zal dat op 1 mei 2026 zijn, maar hierin is maatwerk (lees: het tempo van [de minderjarige 1] ) belangrijk. Wat belangrijk is om te noemen is dat het normaal is als de spanning bij [de minderjarige 1] in deze fase (licht) toeneemt en dat dit dan niet meteen betekent dat het ‘mislukt’. Eventueel kan na deze fase nog ‘nazorg’ geleverd worden door de omgangsbegeleider in de vorm van jeugdbegeleiding. Op deze manier blijft zij een eigen hulpverlener houden waarbij zij haar ‘ei’ kwijt kan.

Partijen zijn het erover eens dat Sterk in Regie in fase 4 de wijze van de opbouw van de contactregeling zal bepalen. Partijen zijn het er niet over eens naar welke contactregeling moet worden toegewerkt. De vader wil dat uiteindelijk wordt toegewerkt naar de regeling zoals die in 2021 in de beschikking is vastgelegd en waarbij [de minderjarige 1] vrijwel evenveel tijd bij de vader is als bij de moeder. De moeder wil naar een beperktere regeling van een lang weekend per twee weken (vrijdag uit school-maandag naar school).

De rechtbank is van oordeel dat toewerken naar de door de moeder voorgestelde regeling uiteindelijk het meest in het belang van [de minderjarige 1] is en zal de in de beschikking van 16 april 2021 vastgelegde zorgregeling daarom wijzigen. De belangrijkste reden daarvoor is dat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te overleggen en [de minderjarige 1] daar onder lijdt. Dat was destijds al zo, maar de zorgregeling is toen gewezen ervan uitgaande dat [de minderjarige 1] kon worden geholpen met speltherapie en dat de ouders samen hulp zouden zoeken om met elkaar om de tafel te gaan en afspraken te maken.

Uit het begeleidingsplan van Sterk in Regie uit december 2024, waarbij aan ouders het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) is aangeboden, blijkt dat sprake is van een bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige 1] door de spanningen en slechte communicatie tussen de ouders. Het traject heeft tot nu toe geen verbetering gebracht en de spanningen tussen de ouders zijn door de gebeurtenissen op en na 14 november 2025 alleen nog maar toegenomen. Ook op zitting was de spanning en boosheid tussen de ouders voelbaar. In die situatie is het schadelijk als [de minderjarige 1] ook nog de spanningen tussen haar ouders meekrijgt wanneer zij van de ene ouder naar de andere ouder gaat. Bij de door de moeder voorgestelde regeling kunnen de wisselingen volledig plaatsvinden via school.

De rechtbank doet een herhaald beroep op de ouders om het traject parallel solo ouderschap te hervatten. [de minderjarige 1] houdt van beide ouders en dat betekent dat ouders een manier zullen moeten vinden om zich tot elkaar te verhouden. Zij zullen zich gedurende de rest van [de minderjarige 1] ’s leven tegen blijven komen, of zij dat leuk vinden of niet. Zij hebben allebei geen invloed op de ander. Zij moeten leren zien wat zij zelf kunnen doen om de situatie positief te veranderen. Daarom moeten zij de hulp die PSO hen kan bieden, met beide handen aangrijpen.

Alimentatie

Wijziging van omstandigheden

Een rechterlijke beslissing of overeenkomst inzake alimentatie kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijke bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW) .

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader werkte als zelfstandig lasser. Door een traumatische ervaring en PTSS kan hij niet meer als lasser werken. Zonder specifieke opleiding op ander gebied, kan de vader niet worden geacht te zorgen voor een vergelijkbaar inkomen als hij had als lasser. De rechtbank is het niet eens met het standpunt van de moeder dat het voor rekening en risico van de vader had moeten komen dat hij geen arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten voor deze problematiek. Een dergelijke verzekering is duur en de dekking zeer beperkt. De vader mocht deze afweging maken.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud al is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering (zie onder meer Hoge Raad 12 mei 2017 ECLI:NL:HR:2017:871).

Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum de beschikking. De moeder heeft erop gewezen dat de vader tot nu toe de alimentatie is blijven betalen en dat zij deze heeft gebruikt om de kosten van [de minderjarige 1] te betalen. Het kan niet van haar worden gevraagd om deze terug te betalen.

Samenloop

Er is sprake van samenloop van onderhoudsverplichtingen. De ouders zijn beiden onderhoudsplichtig voor hun kind [de minderjarige 1] . De vader is daarnaast met zijn huidige echtgenote (met wie hij niet meer samen is, hierna: de stiefmoeder) onderhoudsplichtig voor de in 2024 geboren [de minderjarige 2] . De onderhoudsplicht voor [de minderjarige 1] is van gelijke rang als die voor [de minderjarige 2] . Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de nieuwe methode bij samengestelde gezinnen toepassen, zoals ook door de vader in zijn berekening is gedaan. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de vader per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de twee kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de vader een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de vader, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de moeder plaatsvindt, zou betekenen dat de moeder naar verhouding een groter deel van de behoefte van [de minderjarige 1] voor haar rekening moet nemen.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] in 2018 € 806,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.082,- per maand.

De vader is ook onderhoudsplichtig jegens [de minderjarige 2] . Bij gebrek aan exacte informatie over het inkomen en de draagkracht van de moeder van [de minderjarige 2] , met wie de vader op dit moment niet samenleeft, stelt de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 2] in redelijkheid gelijk aan die van [de minderjarige 1] .

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht moeder

Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.427,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, zoals volgt uit de salarisspecificatie van januari 2025.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de pensioenpremie van € 269,- per maand;

  • de pensioenpremie van € 3,- per maand;

  • de WIA-premie van € 2,- per maand;

  • de arbeidsongeschiktheidspremie van € 5,- per maand;

  • de netto werknemerspremie van € 15,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.527,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [€ 3.527,- – (€ 1.058,- + € 1.365,-)] = € 773,- per maand.

Draagkracht vader

Het inkomen van de vader is in geschil. De vader heeft een arbeidsovereenkomst overgelegd waarin is bepaald dat hij een bruto salaris ontvangt van € 4.245,- per maand exclusief 8% vakantiegeld. Volgens de moeder moet dit worden vermeerderd met 3% omdat volgens de CAO Metaal en Techniek de lonen per 1 maart 2026 met dat percentage stijgen. De vader weerspreekt dat.

De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens het op 27 januari 2026 bereikte onderhandelingsakkoord over de nieuwe CAO die per 1 februari 2026 geldt, stijgen de lonen met 3% op 1 maart 2026. De door de vader overgelegde arbeidsovereenkomst is opgesteld op 18 februari 2026 en gaat in per 23 februari 2026. In de overeenkomst is nadrukkelijk opgenomen dat het overeengekomen salaris “exclusief eventuele toekomstige CAO verhoging” is. Hoewel op het moment waarop de arbeidsovereenkomst is aangegaan de aanstaande CAO-verhoging al bekend was, moet er vanuit worden gegaan dat in het overeengekomen salaris nog niet deze verhoging is verwerkt. Het dienstverband gaat immers in per 23 februari 2026 en volgens de CAO worden de salarissen pas daarna verhoogd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man een inkomen heeft van € 4.372,- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

De moeder heeft aangegeven dat onduidelijk is of de vader recht heeft op een dertiende maand. Volgens de vader is dat niet zo en op grond van de CAO Technisch Installatiebedrijf heeft een werknemer niet standaard recht op een dertiende maand. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vader geen recht heeft op een dertiende maand. Bij gebrek aan concrete informatie, houdt de rechtbank rekening met dezelfde premies als aan de zijde van de moeder (totaal € 294,- per maand).

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.384,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [€ 3.384,- – (€ 1.015,- + € 1.365)] = € 703,- per maand.

Draagkracht stiefmoeder

Het had op de weg van de vader gelegen om informatie over te leggen over het inkomen van de stiefmoeder. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank stelt daarom het inkomen van de stiefmoeder in redelijkheid vast op hetzelfde inkomen als de moeder. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met een aan de stiefmoeder toekomend kindgebonden budget dat is gebaseerd op uitsluitend haar inkomen, nu zij en de vader niet meer samenleven en bezig zijn met een echtscheiding.

De draagkracht van de stiefmoeder bedraagt dan dus ook € 773,- per maand.

De rechtbank zal, zoals hiervoor omschreven, de draagkrachtvergelijking zo vormgeven dat de twee gezinnen van de vader losstaand van elkaar berekend worden.

Draagkrachtvergelijking tussen de vader en de moeder

De vader en de moeder hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.476,- per maand (€ 773,- + € 703,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] van € 1.082,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte van [de minderjarige 1] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 773 / 1.476 x 1.082 = € 567,- per maand.

Het eigen aandeel van de vader bedraagt 703 / 1.476 x 1.082 = € 515,- per maand.

Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] komt een gedeelte van € 515,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 567,- per maand komt voor rekening van de moeder.

Draagkrachtvergelijking tussen de vader en de stiefmoeder

De vader en de stiefmoeder hebben ook een gezamenlijke draagkracht van € 1.476,- per maand (€ 773,- + € 703,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 2] van € 1.082,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte van [de minderjarige 2] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de stiefmoeder bedraagt: 773 / 1.476 x 1.082 = € 567,- per maand.

Het eigen aandeel van de vader bedraagt 703 / 1.476 x 1.082 = € 515,- per maand.

Van de totale behoefte van [de minderjarige 2] komt dus eveneens een gedeelte van € 515,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 567,- per maand komt voor rekening van de stiefmoeder.

Draagkrachtvergelijking conform de verhoudingenmethode

De totale eigen aandelen van de vader bedragen € 1.030,- per maand (€ 515,- + € 515,-). Ten opzichte van de draagkracht van de vader heeft de vader daarmee een tekort van € 327,- per maand (€ 1.030,- – € 703,-). De draagkracht van de vader moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dat leidt tot de volgende verdeling.

De vader draagt bij:

voor [de minderjarige 1] : € 515,- / € 1.030,- x € 703 = € 351,50.

voor [de minderjarige 2] : € 515,- / € 1.030,- x € 703 = € 351,50.

Gelet op het voorgaande moet de vader voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] € 351,50,- per maand bijdragen.

Zorgkorting

In het begeleidingsplan wordt ervan uitgegaan dat er weer regulier onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige 1] zal zijn vanaf mei a.s. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vanaf mei 2026 de hiervoor vastgestelde zorgregeling geldt. Daarbij past een zorgkorting van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 162,- per maand (15% van € 1.082,-).

De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de korte periode vanaf de datum van deze beschikking tot aan mei, te rekenen met een lagere zorgkorting.

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De rechtbank ziet echter aanleiding om redelijkheidshalve slechts rekening te houden met de helft van de zorgkorting (zoals ook gebeurt wanneer ouders samen te weinig draagkracht hebben om in de volledige behoefte te voorzien) omdat de vader minder bijdraagt dan hij zou moeten, namelijk € 351,50 in plaats van € 515,-. De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage bedraagt dan € 270,50,- per maand (€ 351,50,- -/- € 81,-).

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 14 april 2026, een kinderalimentatie moet voldoen van € 270,50 per maand en het verzoek van de vader voor het overige afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van deze rechtbank van 16 mei 2019 en 16 april 2021– :

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn nadat fase 4 van het begeleidingsplan van Sterk in Regie is afgerond:

- om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school;

bepaalt de door de vader met ingang van 14 april 2026 te betalen alimentatie voor [de minderjarige 1] op € 270,50 per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733