Essentie (gemaakt door AI)
Voldoende hechte band tussen kleinkind en grootouders is aannemelijk zodat ontvankelijkheid op grond van artikel 8 EVRM wordt aangenomen. Desondanks wordt het verzoek tot omgang afgewezen omdat dit thans in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind in de zin van art. 1:377a lid 3 onder d BW. Lopend conflict tussen ouders en begeleid contact met vader maken waarborgen van veiligheid onmogelijk. Verzoek tot informatieregeling wordt afgewezen wegens ontbreken wettelijke grondslag art. 1:377b BW.Nieuwsitem
| Datum publicatie | 27-05-2026 |
| Zaaknummer | 766843 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Omgang met grootouders/andere niet-ouders |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Voldoende hechte band kleinkind en grootouders is aangetoon. De rechtbank is echter van oordeel dat de door de grootouders verzochte omgangsregeling met de kleindochter in strijd is met haar zwaarwegende belangen in de zin van artikel 1:377a lid 3 onder d BW, dat het verzoek om die reden dient te worden afgewezen en dat artikel 8 EVRM zich hiertegen niet verzet.Volledige uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/766843 / FA RK 25/2303
Beschikking van 4 september 2025 over een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en een informatieregeling voor grootouders en een kleinkind
in de zaak van:
[grootouder 1] en [grootouder 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de grootouders,
mr. J.M. Wigman, kantoorhoudende te Den Haag,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de moeder,
mr. J.G.M. ter Avest, kantoorhoudende te Utrecht.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.
1Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het op 14 februari 2025 op de griffie binnengekomen verzoekschrift van de grootouders;
- nadere stukken van de grootouders, ingekomen 14 maart 2025 en 24 maart 2025;
- een verwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 25 maart 2025;
- het verweerschrift van de moeder, ingekomen op de griffie op 27 juni 2025;
- nadere stukken van de moeder, ingekomen op 28 juni 2025 en 30 juni 2025;
- nadere stukken van de grootouders, ingekomen op 30 juni 2025.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 3 juli 2025. Gehoord zijn partijen en hun advocaten. Namens de Raad was aanwezig mevrouw [persoon] .
2De feiten
Verzoekers zijn de grootouders van [minderjarige] en de ouders van [de vader] , de vader van [minderjarige] . [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] . De vader van [minderjarige] is getrouwd geweest met de moeder van [minderjarige] . De ouders zijn in juli 2023 uit elkaar gegaan. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 23 oktober 2024 en op 19 november 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Tussen de ouders van [minderjarige] loopt een procedure met betrekking tot - onder meer - een zorgregeling en een informatieregeling voor [minderjarige] . De rechtbank wacht in deze procedure op de uitkomst van een raadsonderzoek.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3Het verzoek van de grootouders
De grootouders hebben verzocht te bepalen:
-
dat [minderjarige] elke twee weken van woensdag 9.00 uur tot 18.00 uur bij haar grootouders zal zijn, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de grootouders [minderjarige] terugbrengen;
-
dat de vrouw de grootouders informeert over [minderjarige] , in die zin dat zij maandelijks per e-mail op de eerste van de maand informatie verstrekt over relevante, gewichtige en belangrijke ontwikkelingen van [minderjarige] , zoals sociale en cognitieve ontwikkelingen, medische kwesties, althans een regeling die de rechtbank redelijk acht.
De grootouders leggen aan hun verzoek ten grondslag dat het contact tussen [minderjarige] en de vader momenteel op grond van een tussenbeschikking van deze rechtbank (in afwachting van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming) is beperkt tot begeleid contact, waarvan de grootouders zijn uitgesloten. Hoewel de grootouders achter hun zoon staan en zich niet herkennen in de verwijten die door de moeder worden gemaakt, staan zij buiten de strijd tussen de ouders. Terwijl [minderjarige] wel met de familie van de zijde van moeder contact heeft en houdt, is dat niet het geval bij de familie van de zijde van vader. De grootouders hebben recht op ‘family life’ met [minderjarige] op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) , en [minderjarige] heeft recht op ‘family life’ met haar volledige familie, in het bijzonder met opa en oma van beide kanten. De grootouders hebben direct vanaf de geboorte van [minderjarige] een belangrijke rol in haar leven gespeeld en gehad. Zij hebben met regelmaat als oppas gefungeerd, er is veelvuldig contact geweest met allerlei bezoekjes, uitjes en activiteiten en (daarmee) is een hechte band ontstaan tussen de grootouders en [minderjarige] . De grootouders willen niets liever dan weer contact te hebben met [minderjarige] , en zij zullen de beslissingen van de rechtbank over de omgang tussen [minderjarige] en de vader daarbij respecteren. Er bestaan geen contra-indicaties voor de verzochte omgangsregeling.
Naast het recht op omgang bestaat er ook een recht op informatie, aldus de grootouders. Nu daarover geen afspraken kunnen worden gemaakt, verzoeken zij een regeling vast te stellen. Bovendien heeft dat ook een praktische kant in relatie tot de omgang, waarbij te denken valt aan slaapjes, eetgewoontes en overige vaste gebruiken.
4Het verweer van de moeder
De moeder heeft verzocht het verzoek van de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren. Er is geen sprake geweest van ‘family life’ in de zin van 8 EVRM tussen de grootouders en [minderjarige] . De grootouders hebben van juli 2022 tot na de relatiebreuk tussen de moeder en de vader in juli 2023 in [plaats] gewoond. Ze kwamen af en toe naar Nederland, maar niet gesteld kan worden dat zij zich in die periode intensief met de zwangerschap en, na de bevalling, met [minderjarige] bezig hebben gehouden. [minderjarige] en de grootouders hebben geen speciale band, ze woonden niet samen of in hetzelfde land en de grootouders hebben niet veelvuldig en structureel opgepast. De grootouders hebben niet meer dan gebruikelijk contact gehad met [minderjarige] .
Indien de rechtbank gronden aanwezig ziet om het verzoek wel inhoudelijk te beoordelen, dan heeft de moeder verzocht het verzoek af te wijzen. Er is sprake van intieme terreur, gepleegd door de vader, die daarbij actief gesteund wordt door de grootouders. De moeder heeft na de relatiebreuk diverse keren aan de vader en de grootouders voorgesteld de ontstane situatie te bespreken om tot afspraken en oplossingen te komen. Hier zijn de vader en de grootouders niet op in gegaan. Ze hebben ervoor gekozen om naar de rechter te stappen. Voor de verzochte informatieregeling bestaat geen wettelijke grondslag zodat tot niet-ontvankelijkheid dient te worden geconcludeerd.
5De beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Lid 3 van dit artikel bepaalt– voor zover hier van belang – dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. (…), of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Met een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW is blijkens wetsgeschiedenis, rechtspraak en eenstemmige doctrine bedoeld een betrekking die beantwoordt aan het begrip ’family life’ uit artikel 8 EVRM, dat ook het contact tussen kinderen en hun grootouders omvat (o.a. EHRM 13 juni 1979, [naam 1] v. Belgium, Appl. no. 6833/74). ‘Family life’ komt volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in essentie neer op een normale, voldoende hechte familieband. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen van een andere aard en omvang is dan de relatie tussen ouder en kind, en als zodanig in zijn algemeenheid ook minder bescherming behoeft. Het recht op bescherming van ‘family life’ van grootouders in relatie tussen hun kleinkinderen omvat voornamelijk het recht op het onderhouden van een normale grootouder-kleinkind relatie door contact tussen beiden. Daarbij geldt echter eveneens dat de toegang van een grootouder tot het kleinkind in eerste instantie ter beoordeling van de ouders is, nu het contact tussen grootouders en kleinkinderen normaal gesproken plaatsvindt met instemming van de beslissingsbevoegde ouder(s) (EHRM 25 november 2014, [naam 2] /Kroatië). In overeenstemming met artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is het belang van het kind bij de beoordeling van verzoeken inzake artikel 8 EVRM altijd een primaire overweging.
Inhoudelijke beoordeling
Gelet op het hiervoor genoemde beoordelingskader volgt de rechtbank de moeder niet in haar standpunt dat de grootouders slechts ontvankelijk zijn in hun verzoek indien zij méér dan een gebruikelijk contact hebben (gehad) met hun kleinkind. Hoewel dit inderdaad een criterium is dat in de Nederlandse jurisprudentie hoofdzakelijk wordt gehanteerd, is dit niet in lijn met de uitleg van artikel 8 EVRM in de hiervoor genoemde jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank zal op grond van die jurisprudentie enkel moeten beoordelen of sprake is van een normale, voldoende hechte band tussen [minderjarige] en de grootouders en beantwoordt die vraag bevestigend. Weliswaar woonden de grootouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] tot na het uiteengaan van de ouders van [minderjarige] in [plaats] (Spanje), maar dat op zichzelf betekent nog niet dat er geen sprake kan zijn van ‘family life’. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder na de geboorte van [minderjarige] thuis bij de ouders van [minderjarige] een week heeft “gekraamd” en dat zij nadien meermaals naar Nederland is gegaan om het gezin te bezoeken. De aanvankelijk door deze rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] diende bovendien plaats te vinden thuis bij de grootouders en dit is in elk geval deels uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het contact tussen [minderjarige] en de grootouders niet afwijkt van een normale grootouder-kleinkind relatie op grond waarvan hen de bescherming van artikel 8 EVRM zou moeten worden ontzegd door hen niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de grootouders. In dat verband staat voorop dat het, zoals hiervoor onder het juridisch kader overwogen, in eerste instantie aan de gezaghebbende ouders is om te beslissen of en hoe vaak er contact is tussen hun kind en zijn of haar grootouders. Ten aanzien van [minderjarige] geldt dat in elk geval één van haar ouders, te weten haar moeder, tevens haar huidige hoofdverzorger, zich hiertegen met klem verzet omdat dit contact volgens de moeder niet in haar belang is. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat in de verhouding tussen de ouders sprake is van een nog lopende procedure over – onder meer – de omgang tussen de vader en [minderjarige] waarbij door de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht om advies uit te brengen. Vooralsnog heeft dit ertoe geleid dat de vader op grond van een tussenuitspraak van deze rechtbank slechts eenmaal per week professioneel begeleid contact met [minderjarige] heeft. Ook stelt de rechtbank vast dat de grootouders binnen deze complexe situatie niet de neutrale positie innemen die zij stellen. Uit de stukken blijkt duidelijk van hun praktische en emotionele betrokkenheid bij de vader in alles wat samenhangt met de omgang tussen hem en [minderjarige] en zijn verhouding met de moeder.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de grootouders verzochte omgangsregeling met [minderjarige] in strijd is met haar zwaarwegende belangen in de zin van artikel 1:377a lid 3 onder d BW, dat het verzoek om die reden dient te worden afgewezen en dat artikel 8 EVRM zich hiertegen niet verzet. [minderjarige] is nog erg jong, zij is voor het in veiligheid aangaan van contact met anderen nog volledig afhankelijk van de steun van de verantwoordelijke volwassenen om haar heen, in de eerste plaats haar ouders. De huidige situatie is dermate complex dat het niet mogelijk is om de veiligheid in het aangaan van het contact met de grootouders voor haar te waarborgen. Voordat daarvan weer sprake kan zijn, is noodzakelijk dat eerst rust en normalisering van het contact tussen [minderjarige] en haar vader plaatsvindt. De rechtbank verwacht dat de moeder in die situatie ook in staat zal zijn het contact tussen [minderjarige] en haar grootouders weer te ondersteunen.
Ten aanzien van de verzochte informatieregeling overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 1:377b BW slechts een wettelijk recht op informatie toekomt aan de niet met het gezag belaste ouder. Voor toewijzing van het verzoek van grootouders bestaat geen wettelijke grondslag. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de door grootouders verzochte informatieregeling in deze fase van de tussen de ouders lopende procedure, die ook een door de man verzochte informatieregeling betreft, ook niet in het belang van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de grootouders afwijzen.
6De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K. Duker en F.P. Lauwaars, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S. Lanting, griffier, op 4 september 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
