Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3454

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Kort geding waarin de vereffenaar ontruiming van de nalatenschapswoning vordert om verkoop mogelijk te maken en schulden (o.a. ING) te voldoen. Gedaagde erfgenaam beroept zich op gebruiksrecht art. 3:169 BW, maar dit wijkt voor de wettelijke taak van de vereffenaar art. 4:211 jo. art. 4:215 BW. Verkoop in bewoonde staat is onrealistisch; voortgezet gebruik belemmert verkoop. Ontruiming en afgifte sleutels worden toegewezen. Gedaagde wordt in de proceskosten veroordeeld. Uitvoerbaar bij voorraad.

Datum publicatie27-05-2026
ZaaknummerC/02/445904 / KG ZA 26-122 (E)
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsMiddelburg
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Vereffening nalatenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Een erfgenaam verblijft zonder recht of titel in de woning die in de nalatenschap valt. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen, zodat de vereffenaar de woning te gelde kan maken.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: C/02/445904 / KG ZA 26-122

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 24 april 2026

in de zaak van

[eisende partij] in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster],

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de vereffenaar,

advocaat: mr. L.L.J. Bakker,

tegen

mevrouw [gedaagde partij],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. M. Dieleman.

Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in [plaats] .

De zaak wordt behandeld door mr. C.T.M. Luijks, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L.T. Kroon als griffier.

Aanwezig zijn:

- de heer [eisende partij] , bijgestaan door mr. Bakker.
- mevrouw [gedaagde partij] , bijgestaan door mr. Dieleman.

Partijen hebben op de zitting al dan niet via TEAMS hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1De beoordeling

1.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vereffenaar een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot ontruiming. Dit volgt uit de omstandigheid dat zonder de ontruiming van de woning aan [adres] de vereffenaar deze woning niet te gelde zal kunnen maken. De opbrengst van deze woning behoeft de vereffenaar om de schulden van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] (‘erflaatster’) te kunnen voldoen hetgeen in overeenstemming is met zijn wettelijke taak: vergelijk artikel 4:211 juncto artikel 4:215 BW. De schulden van de nalatenschap -in het bijzonder de schuld aan de ING Bank- lopen op en de vereffenaar dient een vergroting van de schuld van de nalatenschap te voorkomen.

1.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat:

  • i) mevrouw [gedaagde partij] geen toedeling van de woning wenst,

  • ii) mevrouw [gedaagde partij] niet over de middelen beschikt om de schulden van de nalatenschap te voldoen,

  • iii) haar zuster [persoon] , de enige andere erfgenaam evenmin de toedeling aan haar zelf voorstaat,

  • iv) de gezusters voormeld de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard,

  • v) o.a. de ING Bank een opeisbare vordering heeft op de nalatenschap,

  • vi) de woning vermeld onder sub 1.1. van dit proces-verbaal het enige vermogensbestanddeel van waarde van de nalatenschap is,

  • vii) de vereffenaar verplicht is de schulden van de nalatenschap te voldoen,

  • viii) en hiertoe goederen van de nalatenschap te gelde dient te maken.

1.3.

Mevrouw [gedaagde partij] betoogt dat zij op grond van artikel 3:169 BW een gebruiksrecht van de woning heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat mevrouw [gedaagde partij] dit gebruiksrecht alléén heeft wanneer dit recht te verenigen is met het recht van de andere deelgenoot. In zoverre is dit recht geclausuleerd. Los hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de vereffenaar uit te voeren taak afbreuk kan doen aan dit eventuele recht van mevrouw [gedaagde partij] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat de noodzaak tot verkoop en levering van de woning door de vereffenaar ter voorkoming van een veiling dit gebruiksrecht van mevrouw [gedaagde partij] doorkruist. Het eventuele gebruiksrecht van mevrouw [gedaagde partij] kan geen afbreuk doen aan het recht van de vereffenaar om de woning te gelde te maken ter voldoening van de schulden van de nalatenschap.

1.4.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat hij de overtuiging heeft gekregen dat mevrouw [gedaagde partij] in het verleden geen medewerking aan de vereffenaar heeft verleend om de woning te gelde te maken. De correspondentie die de vereffenaar in het geding heeft gebracht getuigt hiervan. Verder is de stelling van de vereffenaar onvoldoende weersproken dat met mevrouw [gedaagde partij] geen afspraken konden worden gemaakt. Thans stelt mevrouw [gedaagde partij] alle medewerking aan een verkoop te willen verlenen en dat haar voort te zetten gebruik van de woning een levering op termijn niet in de weg staat. De voorzieningenrechter volgt deze zienswijze niet. De vereffenaar is verantwoordelijk voor het beheer van de vermogensbestanddelen van de nalatenschap. Hij dient zich zo snel mogelijk over deze vermogensbestanddelen te ontfermen, zodat risico’s ter zake deze goederen worden voorkomen. Verder moet worden voorkomen dat het voortgezette gebruik van mevrouw [gedaagde partij] de verkoop en levering traineert, bemoeilijkt of voorkomt. Deze risico’s die bij een voortgezet gebruik door mevrouw [gedaagde partij] zouden kunnen manifesteren, -en gelet op haar opstelling in de afgelopen maanden niet geheel onwaarschijnlijk- beoogt de vereffenaar met recht te voorkomen.

1.5.

Nu verkoop van de woning in bewoonde staat verder een onzinnige exercitie zal zijn -want geen kandidaten die de woning zullen willen kopen voor een aanvaardbare/reële koopsom- dient de vordering onder sub I. te worden toegewezen. Mevrouw [gedaagde partij] dient nadat zij de woning heeft ontruimd en verlaten de sleutels die toegang tot de woning verschaffen aan de vereffenaar af te geven.

1.6.

De veroordeling kan op grond van artikelen 555 Rv, en verder, worden afgedwongen indien mevrouw [gedaagde partij] niet vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen.

1.7.

Een belangenafweging maakt het voorgaande niet anders. Zwaarwegende belangen, anders dan mevrouw [gedaagde partij] over een dak boven haar hoofd wil beschikken, zijn van de zijde van mevrouw [gedaagde partij] niet aangedragen. De voorzieningenrechter onderkent dat het door mevrouw aangedragen belang van mevrouw [gedaagde partij] zwaar weegt, maar mevrouw [gedaagde partij] weet vanaf het overlijden van erflaatster in december 2023, althans vanaf november 2025 na de benoeming van de vereffenaar, dat zij dient om te zien naar alternatieve woonruimte. Ook de vereffenaar heeft haar (schriftelijk) verscheidene malen hierop gewezen. De stelling dat zij niet beschikt over alternatieve woonruimte is toe te rekenen aan de nalatigheid van mevrouw [gedaagde partij] zelf. Niet gebleken is -zij heeft immers van haar inspanningen om alternatieve woonruimte te vinden geen stukken in het geding gebracht - dat zij (tijdig) actie heeft ondernomen om andere woonruimte te zoeken en te vinden. In plaats daarvan heeft zij inspanningen getroost om de verkoop van de woning te bemoeilijken en/of te frustreren. Deze inspanningen van mevrouw [gedaagde partij] zal de voorzieningenrechter niet mogen belonen. Verder voert mevrouw [gedaagde partij] nog aan dat zij schulden van de nalatenschap heeft betaald. De voorzieningenrechter oordeelt hierover dat hij dat niet kan uitsluiten, maar dat deze stelling niet kan meebrengen dat ontruiming achterwege dient te blijven. Sterker nog, een ontruiming kan bewerkstelligen dat de vereffenaar over middelen zal kunnen beschikken om mevrouw [gedaagde partij] te vergoeden voor de door haar gedane uitgaven ten behoeve van de gemeenschap.

1.8.

Mevrouw [gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld die aan de zijde van de vereffenaar kunnen worden begroot op:

explootkosten € 153,02

griffierecht € 341,00

salaris advocaat € 1.177,00

na-kosten € 189,00

totaal € 1.860,02

1.9.

Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Weliswaar heeft mevrouw [gedaagde partij] de noodzaak hiervan weersproken maar een ontruimingsvonnis zonder uitvoerbaar bij voorraadverklaring is zinledig. De voorzieningenrechter zal dit verweer dus passeren.

2De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om de woning aan [adres] uiterlijk binnen 14 dagen na heden te verlaten en te ontruimen en de sleutels van deze woning nadien aan de vereffenaar af te geven;

2.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding die aan de zijde van de vereffenaar worden begroot op € 1.860,02 te vermeerderen met na-kosten van € 98,00 na betekening van dit vonnis onverminderd de kosten van de betekening zelf;

2.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

2.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733