Essentie (gemaakt door AI)
Benoeming (half)broers tot voogd. Verzoek van broers om gezamenlijk tot voogd over hun minderjarige halfzus te worden benoemd, waarin een gezagsvacuüm bestaat doordat moeder in Ghana het gezag feitelijk niet uitoefent en vader is overleden. Verweer tot aanhouding door Raad/JBRA wordt verworpen wegens behoefte aan duidelijkheid en omdat onderzoek reeds mogelijk was. Op basis van wens van de minderjarige, positieve opvang door broers en ontbreken veiligheidsrisico’s, wordt het verzoek toegewezen.| Datum publicatie | 26-05-2026 |
| Zaaknummer | C/13/774165 / FA RK 25-6189 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Voogdij; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Benoeming (half)broers tot voogd.Volledige uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/774165 / FA RK 25-6189 (HvM/WvL)
Beschikking van 27 oktober 2025 inzake voogdij
in de zaak van:
1 [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2] ,
hierna te noemen gezamenlijk te noemen de broers,
beiden wonende te [woonplaats ] ,
verzoekers,
advocaat voor beiden mr. S.N. Texel te Amsterdam,
betreffende:
[de minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats 1] , Ghana op [geboortedag 1] 2013,
wonende te [woonplaats ] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende te Ghana,
hierna te noemen de moeder,
[de stiefmoeder] , de stiefmoeder,
advocaat mr. J. van Koesveld te Utrecht,
de Raad voor de Kinderbescherming gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de Raad,
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA,
de bijzondere curator mr. C.M.D. de Waele te Amsterdam.
[de vader] , is de vader van [de minderjarige] . Hij is overleden te Ghana op 1 oktober 2024.
1De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de broers van 14 augustus 2025,
- de brief van JBRA van 9 september 2025.
De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 16 oktober 2025.
Verschenen zijn:
- de broers bijgestaan door hun advocaat,
- mevrouw [naam 1] namens de Raad,
- mevrouw [naam 2] en mr. [naam 3] namens JBRA,
- de advocaat van stiefmoeder,
- de bijzondere curator.
De moeder heeft de behandeling digitaal bijgewoond, bijgestaan door een tolk in de Twi taal. Nadat de verbinding met de tolk was weggevallen, heeft [verzoeker 2] met instemming van de aanwezigen getolkt.
[de minderjarige] is apart gehoord op 13 oktober 2025.
Gelijktijdig is behandeld het verzoek van de Raad om JBRA met de voogdij over [de minderjarige] te belasten (zaaknummer C/13/773785 / FA RK 25-5980). Bij beschikking van heden is dat verzoek afgewezen.
2De feiten
Bij beschikking van 4 juni 2025 (hersteld bij beschikking van 26 juni 2025) is de spoedbeschikking van 23 mei 2025 gehandhaafd waarbij JBRA is belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] en is JBRA belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 23 augustus 2025. Voorts is tot bijzondere curator over [de minderjarige] benoemd mr. C.M.D. de Waele.
[de minderjarige] en haar (half)broers hebben verschillende moeders. Sinds haar zesde jaar woont [de minderjarige] in Nederland. De moeder is in Ghana achtergebleven. Tot aan het overlijden van de vader woonde [de minderjarige] bij de vader en de broers. Sinds een paar jaar had de vader een relatie met de stiefmoeder die bij het gezin was ingetrokken. Sinds het overlijden van de vader op 1 oktober 2024 hebben de broers voor [de minderjarige] gezorgd. Feitelijk woont [de minderjarige] afwisselend bij [verzoeker 2] , zijn vriendin en hun baby, en [verzoeker 1] .
3Het verzoek en het verweer
Het verzoek strekt primair tot benoeming van de broers gezamenlijk tot voogd over [de minderjarige] en subsidiair tot benoeming van alleen [verzoeker 1] .
4De standpunten
De broers
De broers stellen dat sinds het overlijden van hun vader een gezagsvacuüm is ontstaan met betrekking tot de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] . De broers zijn door geen van de betrokken instanties gewezen op de mogelijkheid de voogdij aan te vragen. De broers baseren hun verzoek op artikel 1:299 jo. Artikel 1:299a lid 2 jo. 1:282 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW. De broers zijn meerderjarig, staan niet onder curatele en lijden niet aan een geestelijke ziekte (artikel 1: 246 jo. 1:245 lid 3 BW) . De broers beroepen zich voorts op artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 24 van het HGEU en 12 en 17 van het UVRM.
Namens de broers is bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij zich verzetten tegen aanhouding van de behandeling van het verzoek, zoals JBRA heeft bepleit. De moeder kan haar gezag over [de minderjarige] nu niet uitoefenen, althans doet dat niet. Voor deze situatie en de daaruit voortkomende praktische problemen moet een oplossing gevonden worden. Ook moet er duidelijkheid en rust komen. Na het overlijden van de vader vond de moeder het prima dat de broers voor [de minderjarige] zorgden en tot voor kort was er ook goed contact tussen de broers en de moeder. Nu treden de moeder en de stiefmoeder ineens op de voorgrond. Dat is puur uit eigen belang. De moeder ziet een kans om op deze wijze naar Nederland te kunnen komen. De Raad heeft geen onderzoek gedaan binnen het netwerk en evenmin of [de minderjarige] bij de broers kan blijven wonen en in hoeverre zij bij de zorg voor [de minderjarige] hulp nodig hebben. De Raad heeft daarmee miskend dat het binnen de Ghanese cultuur gebruikelijk is dat familieleden onderling voor elkaar zorgen en heeft ook miskend wat de broers al voor [de minderjarige] hebben betekend. Er heeft ook geen overleg tussen de Raad en de bijzondere curator plaatsgevonden. Het verzoek en onderzoek van de Raad is te kort door de bocht geweest. Het is ook mogelijk om één van de broers naast de moeder tot voogd te benoemen. Er kan daarnaast alsnog binnen het netwerk worden gezocht, maar de broers hebben al uitvoering aan het gezag gegeven. Hun benoeming ligt dus voor de hand.
JBRA
JBRA is teruggekomen op het standpunt dat aanvankelijk was ingenomen bij het overleg met de Raad van 5 augustus 2025 om de voogdij bij JBRA te beleggen. De reden daarvoor is de ontvangst van het rapport van de Raad van 14 augustus 2025. Dit heeft geleid tot een andere visie bij JBRA. De Raad heeft op bladzijde 15 van het rapport het standpunt ingenomen: “In het belang van [de minderjarige] moet Jeugdbescherming de voogdij over [de minderjarige] behouden omdat er nog zaken moeten worden uitgezocht en [verzoeker 2] en [verzoeker 1] de tijd moeten krijgen om na te denken over de vraag of zij de voogdij op zich willen nemen en zij de hulp krijgen die hierbij nodig is.” JBRA is het ermee eens dat er nog zaken moeten worden uitgezocht. Er moet meer duidelijkheid komen over de rol en de positie van de moeder. Indien de moeder ouderlijk gezag heeft en dit kan uitoefenen doorkruist dat de voogdijmaatregel. Het is van belang dat dit grondig wordt uitgezocht. Er moet ook meer duidelijkheid komen over de positie van de broers en hun eventuele voogdij. Op korte termijn wordt de erfenis van de vader afgehandeld. Dat kan hun mogelijkheden om de voogdij over te nemen ondersteunen.
Het onderzoek is nu nog onvoldoende of onvolledig uitgevoerd. Beide verzoeken moeten aangehouden worden teneinde nader onderzoek te doen naar de gezagspositie van de moeder en de positie van de broers. Een nader onderzoek is ook respectvol jegens de broers en de familie. Het is het meest gewenst als de voogdij door een natuurlijk persoon wordt uitgeoefend. Iedereen moet goed samenwerken in het belang van [de minderjarige] . De broers hebben [de minderjarige] goed opgevangen, maar zij hebben wel ondersteuning nodig. Het gesprek daarover hebben zij afgehouden, omdat het rapport van de Raad niet goed is gevallen bij de broers.
De Raad
De Raad heeft een verzoek ingediend om JBRA te belasten met de voogdij. Dat verzoek is, zoals hiervoor vermeld, geregistreerd onder nummer C/13/773785 / FA RK 25-5980.
Ter zitting heeft de Raad zijn standpunt gewijzigd en aanhouding van beide verzoeken bepleit overeenkomstig het voorstel van JBRA. De Raad gaat er voorshands van uit dat de moeder met het gezag is belast, maar het is niet evident dat de moeder geen gezagsbeslissingen kan nemen. Daar moet nader onderzoek naar gedaan worden.
De moeder
De moeder verklaart dat [de minderjarige] haar enig kind is. De moeder wil zelf voor [de minderjarige] zorgen, in Nederland, en als dat niet mogelijk is moet [de minderjarige] teruggaan naar Ghana. De moeder wil niet dat er een voogd over [de minderjarige] wordt benoemd, al heeft zij op dit moment geen problemen met de uitvoering van de voorlopige voogdij door JBRA.
De bijzondere curator
[de minderjarige] wil beslist niet naar Ghana terug. [de minderjarige] voelt zich geworteld in Nederland. Het gaat nu om de opvoedveiligheid van [de minderjarige] . Die is het best gewaarborgd bij de broers. Nader onderzoek is niet nodig. [de minderjarige] heeft genoeg van de bemoeienis van allerlei mensen. Zij heeft nu duidelijkheid nodig om zich weer te concentreren op de zaken die voor haar belangrijk zijn, zoals haar school.
De notaris die het testament heeft opgesteld heeft nagelaten met de vader de voogdij te bespreken. Uit de geest van het testament valt af te leiden dat de vader wilde dat in een geval van overlijden de broers voor [de minderjarige] zouden zorgen en dat zij allen in de woning kunnen wonen. Die woning is nog wel ernstig vervuild en moet opgeknapt worden. Uit het rapport blijk niet dat [de minderjarige] bij de broers niet veilig zou zijn.
Bij de begrafenis vond de moeder het nog prima dat de broers voor [de minderjarige] zouden zorgen. Behalve de afwikkeling van de nalatenschap, rekent de bijzondere curator het ook tot haar taak op te komen voor de belangen van [de minderjarige] . Vanuit het belang van [de minderjarige] bepleit zij om de verzoeken niet aan te houden, maar duidelijkheid te creëren door beide broers, of eventueel één van beide, te benoemen tot voogd.
De stiefmoeder
Namens de stiefmoeder, zijnde de partner van vader, is aangevoerd dat zij thans vrede kan hebben met de situatie waarbij alles voor [de minderjarige] goed is geregeld en [de minderjarige] het prettig heeft bij de broers. Zij maakte zich wel degelijk zorgen over de situatie. Van streven naar eigen gewin is geen sprake geweest. De stiefmoeder hoopt dat er ruimte voor herstel komt van het contact dat zij had met [de minderjarige] . Er is nu sprake van een gezagsvacuüm, omdat de met het gezag belaste moeder in Ghana woont en het gezag niet uitoefent. Daarom heeft mr. Van Koesveld daarvan destijds melding gemaakt bij Veilig Thuis. [de minderjarige] is een kind dat heel normaal reageert op een niet normale situatie. Er hoeft geen heel belastend en diepgaand onderzoek te worden gedaan, omdat de broers goed voor [de minderjarige] zorgen en dat ook willen voortzetten. Binnen de Ghanese cultuur is dat een gangbare en goede oplossing.
5De beoordeling
Voor de beoordeling is allereerst van belang of de moeder van [de minderjarige] gezag over haar heeft. Nu [de minderjarige] is Ghana is geboren en de eerste jaren van haar leven daar heeft gewoond, gaat de rechtbank er – met onder meer de Raad en de advocaat van de stiefmoeder – vanuit dat de moeder gezag heeft.
Ingevolge artikel 1:253r lid1 BW, in samenhang met het bepaalde in artikel 1:253q, tweede en derde lid BW kan de rechtbank indien de ouder die het gezag uitoefent, al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, een voogd benoemen.
De rechtbank stelt vast dat de moeder haar gezag feitelijk niet uitoefent en daartoe in de onmogelijkheid verkeert, zodat sprake is van een gezagsvacuüm. Weliswaar is er regelmatig telefonisch contact met de moeder, maar zij is al lange tijd niet betrokken bij de opvoeding van [de minderjarige] . De moeder woont in Ghana en spreekt de Nederlandse taal niet. [de minderjarige] woont ruim vijf jaar in Nederland en wordt sindsdien in Nederland door anderen verzorgd en opgevoed. Tot zijn overlijden op 1 oktober 2024 was de vader, die in Nederland woonde en ook gezag had over [de minderjarige] , de hoofdopvoeder. Sinds zijn overlijden woont [de minderjarige] bij de broers en dragen zij de zorg en verantwoordelijkheid over haar. Gelet daarop, zijn zij ontvankelijk in hun verzoek.
JBRA heeft (ter zitting ondersteund door de Raad) voorgesteld om de beide verzoeken aan te houden, ten einde onder meer te onderzoeken wat de rol en positie van de moeder in het leven van [de minderjarige] kan zijn. De rechtbank acht een dergelijke aanhouding niet in het belang van [de minderjarige] . Zij ervaart door de discussie over het gezag veel onrust en heeft – begrijpelijkerwijs – behoefte aan duidelijkheid. Bovendien is reeds in de beschikkingen van 23 mei 2025 en 4 juni 2025 overwogen dat de moeder haar gezag niet uitoefent. JBRA is vanaf 23 mei 2025 met de voorlopige voogdij belast en de Raad en JBRA hadden het door hen gewenste onderzoek dus ook al kunnen uitvoeren en afronden. Voorts heeft JBRA ter zitting toegelicht dat zij pogingen hebben gedaan om met de moeder in gesprek te gaan over de mogelijkheden om uitvoering te geven aan haar gezag. Die gesprekken waren echter weinig constructief, omdat de moeder vooral bezig was met haar eigen wens om naar Nederland te komen en daarbij blijk gaf geen zicht te hebben op de (woon)situatie van [de minderjarige] en de wensen en behoeften van [de minderjarige] zelf.
Gelet op de stukken, het verhandelde ter terechtzitting en de verklaring van [de minderjarige] – ondersteund door de bijzonder curator – dat zij graag wil dat de broers haar voogd worden, ziet de rechtbank aanleiding de broers met de voogdij over [de minderjarige] te belasten. Al meer dan een jaar functioneren de broers als opvoeder en zijn zij belast met de dagelijkse zorg over [de minderjarige] . Volgens JBRA hebben zij [de minderjarige] goed opgevangen. Voorts heeft de bijzondere curator terecht opgemerkt dat uit het rapport niet blijkt dat [de minderjarige] bij de broers niet veilig zou zijn. Wellicht hebben de broers nog wat ondersteuning nodig, maar die hulp kan ook in het vrijwillig kader worden verleend. Benoeming van de broers tot voogd is in lijn met het standpunt van JBRA dat uitvoering van de voogdij door een natuurlijk persoon het meest gewenst is. De rechtbank ziet geen aanleiding om slechts één van beide broers tot voogd te benoemen. Indien de moeder op enig moment alsnog in staat is om gezag uit te oefenen, kan desgewenst een wijziging worden gevraagd.
Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
6De beslissing
De rechtbank:
- benoemt over de minderjarige:
[de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] , Ghana op [geboortedag 1] 2013;
tot voogd:
[verzoeker 1] ,
geboren te [geboorteplaats 2] , Ghana op [geboortedag 2] 1994,
en
[verzoeker 2] ,
geboren te [geboorteplaats 3] , Ghana op [geboortedag 3] 1996;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.H. van Meegen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 27 oktober 2025.
1
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
