Essentie (gemaakt door AI)
Zorgregeling en kinderalimentatie, wijziging met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2022. Minderjarige heeft hoofdverblijf bij man. Zorgregeling wordt vastgesteld waarin de vrouw om de week van vrijdag uit school tot zondagavond zorg heeft, met belmomenten op maandag en woensdag. Verzoek man tot uitbreiding zorg en dwangsom wordt afgewezen. Kinderalimentatie van de vrouw wordt per 1 juli 2022 op nihil gesteld wegens grove miskenning van de wettelijke maatstaven art. 1:401 lid 5 BW. Geen terugbetalingsverplichting voor man.| Datum publicatie | 26-05-2026 |
| Zaaknummer | C/13/760254 / FA RK 24-8180 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Onjuiste gegevens en wijziging alimentatie; Grove miskenning wettelijke maatstaven |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Zorgregeling en Alimentatie, wijziging met terugwerkende kracht over perioden vanaf 2022 tot heden (2026)Volledige uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/760254 / FA RK 24-8180
Beschikking van 24 april 2026 betreffende wijziging van alimentatie
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W. Matadien te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
1De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoek van de vrouw, ingekomen op 27 november 2024;
-
het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 20 mei 2025;
-
het gewijzigde verzoek van de man, ingekomen op 12 maart 2026;
-
het gewijzigde verzoek van de vrouw, ingekomen op 18 maart 2026;
-
de aanvullende producties van de vrouw, ingekomen op 26 maart 2026.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026.
Verschenen zijn: de vrouw, met haar advocaat, de man, met zijn advocaat en tolk mevrouw T. Coric .
Van de zijde van de man zijn pleitnotities voorgedragen.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daarvan afgezien.
2De feiten
Partijen zijn gehuwd op 23 oktober 2014 te [plaats 1] , Servië. Hun huwelijk is op 6 februari 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk is geboren:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016;
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. De minderjarige verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de man en heeft aldaar zijn hoofdverblijfplaats.
Bij beschikking van 14 december 2022 van deze rechtbank is bepaald dat de vrouw met ingang van 1 juli 2022 een bedrag van € 225,- per maand zal betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Aan de beschikking is een ouderschapsplan gehecht die deel uitmaakt van de beschikking en waarin een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] is opgenomen.
De man heeft de Servische nationaliteit en de vrouw heeft de Ugandese nationaliteit.
3Het verzoek en het verweer
Het verzoek
De vrouw verzoekt de kinderalimentatie per 1 juli 2022 te bepalen op nihil, zijnde de ingangsdatum van de alimentatieverplichting die partijen hebben opgenomen in het ouderschapsplan, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Zij verzoekt daarbij om terugbetaling van de teveel betaalde kinderbijdrage en te bepalen dat de man gehouden is aan een correcte financiële afwikkeling.
De vrouw verzoekt daarnaast om een zorgregeling waarbij [minderjarige] een weekend in de twee weken van vrijdag na school tot zondag bij de vrouw verblijft, waarbij de vrouw hem naar het [plaats 2] brengt en de man hem weer bij de vrouw ophaalt, waarbij iedere maandag en woensdag na school een belmoment wordt vastgesteld en waarbij partijen in nader overleg een vakantieregeling overeenkomen, waarbij partijen de vakantie ruim van te voren met elkaar afstemmen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Het verweer en de zelfstandige verzoeken
De man voert verweer en verzoekt:
te bepalen dat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling wordt gewijzigd in dier voege dat de vrouw met onmiddellijke ingang, om de week (in de oneven week) de zorg voor [minderjarige] dient te dragen van woensdagmiddag uit school tot en met maandag naar school, waarbij de vrouw [minderjarige] zelf uit school moet halen en zij [minderjarige] naar school moet brengen. Indien er geen school is dient de overdracht plaats te vinden bij school op het moment waarop de school normaliter uitgaat;
te bepalen dat [minderjarige] in de even jaren de eerste helft (zijde drie aaneengesloten weken in de zomervakantie en de eerste week van de tweeweekse vakanties) van zijn schoolvakanties bij de vrouw doorbrengt en de tweede helft bij de man en dat [minderjarige] in de oneven jaren de eerste helft van zijn schoolvakanties bij de man doorbrengt en de tweede helft bij de vrouw. De overige vakanties van een week zullen bij helfte worden verdeeld, waarbij wordt aangesloten bij de zorgregeling. Wanneer de vakantie van een week start aansluitend op het weekend dat de vrouw [minderjarige] bij zich heeft zal [minderjarige] tot en met woensdag 12:00 uur bij de vrouw verblijven en anders vanaf woensdag 12 uur aansluitend op haar weekend;
een dwangsom te bepalen van € 250,- per dag waarop de vrouw de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 250.000 althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
Zorgregeling
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de vrouw om de week van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur de zorg voor [minderjarige] heeft. Als de vrouw dit niet kan nakomen in verband met haar werk dan dient zij dit de dinsdag vóór het weekend uiterlijk aan de man te laten weten en dan wordt de regeling aangepast, zoals in het ouderschapsplan omschreven. Feitelijk gaven partijen uitvoering aan een regeling waarbij [minderjarige] van donderdag uit school tot zondagavond bij zijn moeder verbleef. De man stelt dat de vrouw deze regeling niet altijd correct nakwam waardoor alsnog veel zorg op zijn schouders terecht kwam.
Beide partijen zouden graag een duidelijker zorgregeling willen. De man verzoekt daarbij om de regeling uit te breiden van woensdag uit school tot maandag naar school. Ter zitting heeft de man gemotiveerd dat hij denkt dat het goed zou zijn voor [minderjarige] om meer zorgtijd bij zijn moeder te hebben nu hij merkt dat [minderjarige] dat nodig heeft. De vrouw stelt dat zij bij [zorgorganisatie] woont en dat minderjarige kinderen daar maximaal twee nachten per week mogen overnachten. De man heeft dit niet betwist. De vrouw verzoekt daarom een regeling vast te leggen waarbij [minderjarige] van vrijdag uit school tot zondag bij haar verblijft, zodat de vrouw de regeling ook daadwerkelijk kan nakomen.
Tussen partijen staat vast dat de vrouw op dit moment bij [zorgorganisatie] woont en dat daar maximaal twee nachten per week een minderjarige mag blijven overnachten. Verder staat vast dat beide partijen een structurele duidelijke regeling willen die wordt nagekomen. Zij verschillen echter van mening over hoe die regeling er precies uit moet zien. De rechtbank overweegt dat de vrouw de afgelopen jaren op verschillende tijdelijke opvangadressen heeft gewoond., De vrouw heeft nog altijd geen eigen woning en bij [zorgorganisatie] gelden bepaalde regels. De rechtbank acht het eessentieel dat de vrouw haar woonplek behoudt zodat zij een regeling zal bepalen waarbij rekening wordt gehouden met de regels van [zorgorganisatie] . De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw toewijzen nu dit de zorgregeling is die ook daadwerkelijk kan worden nagekomen door de vrouw. Dat geldt ook voor de vakantieregeling. De rechtbank acht deze zorgregeling in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal ook een haal en breng regeling bepalen nu dit in het verleden voor conflicten tussen partijen heeft gezorgd. Vast staat dat de vrouw [minderjarige] uit school haalt op vrijdag zodat het normaal gesproken gebruikelijk is dat de man [minderjarige] weer bij de vrouw komt ophalen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur bij de vrouw thuis komt ophalen en weer thuisbrengt. Het is evident dat de vrouw haar adres met de man moet delen zodat de man ook op de hoogte is waar [minderjarige] tijdens de zorgweekenden van de vrouw verblijft.
De vrouw heeft tevens verzocht om belmomenten. De man heeft geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek, dat in het belang van [minderjarige] is, zal toewijzen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat de vrouw deze belregeling consequent nakomt zodat telleurstellingen bij [minderjarige] worden voorkomen.
De man heeft verzocht om dwangsommen te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling. De vrouw voert verweer.
De regeling die in deze beschikking zal worden vastgelegd is, anders dan de thans geldende regeling, een regeling die ook daadwerkelijk uitvoerbaar lijkt te zijn voor de vrouw en is bovendien de regeling zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank zal op dit moment dan ook nog geen dwangsommen verbinden aan de nakoming van de regeling nu de vrouw eerst de kans moet krijgen om de zorgregeling na te komen. Het spreekt echter voor zich dat het van groot belang voor [minderjarige] is dat de vrouw de regeling consequent nakomt.
Kinderalimentatie
Nu de minderjarige in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van deze minderjarige. Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid
Artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij een latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de beschikking van aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat er is uitgegaan van onvolledige gegevens. . Artikel 1:401 lid 4 BW, waarin staat dat een wijziging van een rechterlijke uitspraak mogelijk is indien bij die uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, ziet echter enkel op rechterlijke uitspraken waarbij de rechtbank zelf de alimentatie heeft berekend. In onderhavig geval heeft de rechtbank slechts op gezamenlijk verzoek de afspraken uit het aangehechte ouderschapsplan in de beschikking opgenomen, zodat art. 1:401 lid 4 BW niet van toepassing is.
Het verzoek van de vrouw moet daarom worden gezien als een beroep op artikel 1:401 lid 5 BW: een overeenkomst (convenant) kan worden gewijzigd indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het moet dan gaan om een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die partijen zijn overeengekomen. Het betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
De rechtbank is van oordeel dat hier sprake van is. Uit onderstaande berekeningen zal blijken dat er een duidelijke wanverhouding bestond tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die partijen in hun convenant zijn overeengekomen. Uit het convenant blijkt bovendien dat partijen destijds nooit een berekening hebben gemaakt van de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook onvoldoende gesteld of gebleken dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De vrouw heeft over de jaren 2021 tot en met 2024 nooit meer dan € 25.807,- per jaar verdiend. De in het convenant overeengekomen kinderalimentatie is dan ook buiten proportioneel en hiermee aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zoals hieronder ook zal blijken.
De vrouw doet hiernaast ook een beroep op bedrog, dwaling en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank zal deze stellingen verder onbesproken laten omdat ze, zoals ook hierna zal blijken, voor de te nemen beslissing niet van belang zijn.
De ingangsdatum
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Drie data liggen als
ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 juli 2022, omdat er vanaf dat moment sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Per 1 juli 2022 moet dan ook een juiste kinderalimentatie worden vastgesteld.
De behoefte van [minderjarige]
Uit het ouderschapsplan volgt dat de behoefte van [minderjarige] € 815,- per maand bedraagt in 2022.
De draagkracht van de ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
Nu de rechtbank de draagkracht van de vrouw met ingang van 1 juli 2022 gaat her beoordelen is de rechtbank genoodzaakt de berekening op te splitsen in diverse periodes. Namelijk van 1 juli 2022 tot 1 januari 2023, van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024, van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 en van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 en van 1 januari 2026 tot heden.
Periode 1: vanaf 1 juli 2022
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw in 2022 berekent de rechtbank op € 115,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2022 waarop een belastbaar loon van € 19.801,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting nu [minderjarige] op dat moment nog op haar adres stond ingeschreven en zij de minstverdienende echtgenoot was. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de belastingtarieven die bij de tweede helft van het jaar 2022 horen. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 1.650,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2022 heeft de man een draagkracht van € 115,- per maand.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man in 2022 berekent de rechtbank op € 1.198,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2022 waarop een belastbaar loon van € 71.184,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.901,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2022 heeft de man een draagkracht van € 1.198,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 815,- per maand in 2022.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 744,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 71,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De rechtbank houdt in deze periode rekening met een zorgkorting van 35%, nu beide partijen nog gehuwd waren en samenwoonden in deze periode. De zorgkorting bedraagt € 285, zodat de vrouw in deze periode feitelijk te kort kwam om in de kosten van [minderjarige] te voorzien.
Periode 2: vanaf 1 januari 2023
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw in 2023 berekent de rechtbank op € 151,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2023 waarop een belastbaar loon van € 25.807,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 1.987,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2023 heeft de vrouw een draagkracht van € 151,- per maand.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man in 2023 berekent de rechtbank op € 1.271,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2023 waarop een belastbaar loon van € 67.339,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 4.273-,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2023 heeft de man een draagkracht van € 1271,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De behoefte in 2023 bedraagt geïndexeerd € 843,-. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 753,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 90,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De zorgkorting bedraagt 25% van de behoefte nu [minderjarige] gemiddeld 2 dagen per week bij zijn moeder verblijft. De zorgkorting bedraagt € 211,-. Dit betekent dat de vrouw feitelijk te kort komt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien.
Periode 3: vanaf 1 januari 2024
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw in 2024 berekent de rechtbank op € 116,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2024 waarop een belastbaar loon van € 25.193,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 2.032,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2024 heeft de vrouw een draagkracht van € 116,- per maand.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man in 2024 berekent de rechtbank op € 1.758,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2024 waarop een belastbaar loon van € 98.154,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 5.402,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2024 heeft de man een draagkracht van € 1.758,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De behoefte in 2024 bedraagt geïndexeerd € 895,-. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 840,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 55,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De zorgkorting bedraagt 25% van de behoefte, dat wil zeggen € 224,-. Dit betekent dat de vrouw feitelijk te kort komt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien.
Periode 4: vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2026
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw in 2025 berekent de rechtbank op € 98,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 waarop een belastbaar loon van € 25.342,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 2.022,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 98,- per maand.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man in 2025 berekent de rechtbank op € 1.873,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 waarop een belastbaar loon van € 106.125,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 5.694,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 1.873,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De behoefte in 2025 bedraagt geïndexeerd € 953,-. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 906,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 47,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De zorgkorting bedraagt 25% van de behoefte, dat wil zeggen € 238,-. Dit betekent dat de vrouw feitelijk te kort komt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien.
Periode 5: heden
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw in 2026 berekent de rechtbank op € 77,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 waarop een belastbaar loon van € 25.342,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 2.045,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 77,- per maand.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man in 2026 berekent de rechtbank op € 1.861,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisstrook januari 2026 waarop een belastbaar cumulatief loon van € 106.125,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 5.747,- per maand.
Volgens de draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 1.861,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De behoefte in 2025 bedraagt geïndexeerd € 997,-. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 957,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 40,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De zorgkorting bedraagt 25% van de behoefte, dat wil zeggen € 249,-. Dit betekent dat de vrouw feitelijk te kort komt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien.
Conclusie over alle perioden
Bovenstaande laat zien dat de vrouw over alle perioden feitelijk te kort komt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat de in het convenant overeengekomen kinderalimentatie buiten proportioneel is en hiermee is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dit houdt ook in dat de rechtbank de kinderalimentatie per 1 juli 2022 op nihil zal bepalen.
Alimentatie terugbetalen
De rechtbank komt nu op een lager bedrag aan kinderalimentatie uit dan eerder was afgesproken.
De rechtbank vindt dat van de man niet kan worden gevraagd dat hij de te veel ontvangen kinderalimentatie terugbetaalt, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat die kinderalimentatie al is uitgegeven aan [minderjarige] . De rechtbank beslist daarom dat de man de te veel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen, een en ander zoals bij de beslissing zal worden verwoord. Het andersluidende verzoek van de vrouw wordt dus afgewezen. Dat geldt ook voor het verzoek te bepalen dat de man mee moet werken aan een correcte financiële afwikkeling, omdat met de nemen beslissing tot nihilstelling een correcte afwikkeling al voldoende is gewaarborgd.
5De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 14 december 2022 in zoverre:
bepaalt in het kader van een zorgregeling dat de vrouw [minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016 om de week van vrijdag uit school tot zondag 18:30 uur bij zich zal hebben, waarbij zij [minderjarige] uit school ophaalt en de man [minderjarige] zondag weer bij de vrouw ophaalt en waarbij partijen in nader overleg een vakantieregeling overeenkomen, waarbij partijen de vakantie ruim van te voren met elkaar afstemmen;
bepaalt dat voornoemde minderjarige iedere maandag en woensdag na school met de vrouw zal bellen;
stelt de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 juli 2022 op nihil, met dien verstande dat voor zover door de vrouw tot heden meer is betaald dan wel op haar is verhaald, de bijdrage in zoverre wordt bepaald op dat meerdere;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.S. Pries, griffier, op 24 april 2026
1
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
