Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin een door de vrouw verzocht contact- en gebiedsverbod en gebiedsverbod tegen de man worden afgewezen. Toetsingskader: ingrijpende maatregel, slechts bij ernstig onrechtmatig handelen en concreet herhalingsgevaar. De aangevoerde incidenten (o.a. e-mails mei 2025, berichten rond feestdagen, aanwezigheid bij werk, conflict met haar ouders) rechtvaardigen het niet; recente stelselmatige en bedreigende inbreuk is niet aannemelijk. Verzoeken om lijfsdwang en sterke arm komen niet aan bod.| Datum publicatie | 22-05-2026 |
| Zaaknummer | C/02/444584 / KG ZA 26-51 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Middelburg |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing ontact- en gebiedsverbod.Volledige uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTTeam Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/444584 / KG ZA 26-51
Vonnis in kort geding van 3 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een voor de man geheim adres,
eiseres,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
tegen
[de man] ,
wonende te Vlissingen, maar op het moment van de zitting feitelijk verblijvende in de PI in [locatie] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.P. Kapteijn te Middelburg.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026 met producties;
- de op 11 maart 2026 ontvangen conclusie van antwoord met producties;
- de van de zijde van de vrouw op 13 maart 2026 ingediende aanvullende akte overlegging producties;
- de door mr. Kapteijn ter zitting overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn
verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen hebben op een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie medio juli
2023 definitief is beëindigd.
Uit de relatie van partijen is het navolgend, nu nog minderjarige, kind geboren:
- [minderjarige] (hierna te noemen [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het
ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Uit een eerdere relatie heeft de vrouw twee dochters van nu 13 en 16 jaar oud. De
dochters van de vrouw verblijven op basis van een co-ouderschap afwisselend bij de vrouw en haar ex-partner.
3Het geschil
De vrouw vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de
man te verbieden om gedurende een periode van één jaar, te rekenen vanaf de dag van betekening van het in deze te wijzen vonnis:
-
de vrouw hinderlijk te volgen, dan wel op enigerlei wijze, waaronder het met behulp van/via derden, contact op te nemen met de vrouw, hetzij persoonlijk, hetzij schriftelijk, hetzij telefonisch of via WhatsApp of via e-mail of sms, hetzij via sociale media e.d.;
-
zich te bevinden of op te houden in of binnen [plaats] althans subsidiair de [wijken] althans een binnen de voorzieningenrechter nader te bepalen gebied binnen de stad [plaats] ;
-
zulks op straffe van primair lijfsdwang aldus dat per keer dat de man het contact- en/of gebiedsverbod overtreedt de tenuitvoerlegging van lijfsdwang wordt toegestaan voor zeven dagen, althans subsidiair met machtiging aan de vrouw om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van het in deze te wijzen vonnis te bewerkstelligen aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;
-
althans een of meerdere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorzieningen met een vergelijkbare strekking/uitkomst als door de vrouw is gevorderd.
De vrouw legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.
Sinds mei 2023 hebben zich meerdere escalaties tussen partijen voorgedaan, waarbij een aantal keren politie betrokken is geweest. Daarnaast is sprake van een omvangrijke hoeveelheid WhatsAppberichten, e-mails, ingesproken voicemailberichten, ingesproken berichten op de video deurbel etc. van de man aan het adres van de vrouw. De inhoud van de berichten zijn veelal kwetsend, bedreigend, verwijtend, vloekend en tierend van aard. Voorts staat de man regelmatig voor de deur van de vrouw en/of klimt hij over haar schutting met als doel haar woning binnen te dringen. De man heeft in verband met de overtreding van eerder aan hem opgelegde contact- en straatverboden meerdere keren vast gezeten in de jaren 2023 en 2024. Op 5 mei 2025 heeft zich een escalatie tussen partijen voorgedaan, waarna de vrouw de (begeleide) omgang tussen de man en [minderjarige] heeft stopgezet. Partijen verschillen van mening over de toedracht van dit incident. Bij kort gedingvonnis van 6 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de (begeleide) omgang tussen de man en [minderjarige] hervat moet worden, maar dat de man zich goed dient te beseffen dat het noodzakelijk is dat hij zich aan strikt aan de (veiligheids-)afspraken gaat houden. Desondanks blijft de man contact zoeken met de vrouw, waaronder op 25 december 2025 en in de nacht van 1 januari 2026 via e-mail. Ook stond de man op 20 januari 2026 bij het werk van de vrouw. Verder heeft de man op 25 januari 2026 de moeder en stiefvader van de vrouw belaagd. Er is sprake van een zeer complex(e) voorgeschiedenis en patroon, waarbij de veiligheid van de vrouw en meerdere betrokkenen continu in gevaar is althans ernstig onder druk staat. Er is sprake van een terugkerend beeld/patroon van escalatie(s) en grensoverschrijdend gedrag van de man zowel naar de vrouw als derden. De vrouw voelt zich al jarenlang niet veilig. Zij voelt zich bedreigd door de man en zij is bang voor wat de man haar, [minderjarige] en haar dochters zou kunnen aandoen. Het gedrag van de man is voor de vrouw onvoorspelbaar en verontrustend, mede vanwege zijn persoonlijke problematiek en middelengebruik. Er is sprake van een dusdanige stelselmatige en ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw, althans van zodanig patroon dat het opleggen van een civiel contact- en gebiedsverbod gerechtvaardigd is.
De man voert verweer strekkende tot het niet ontvankelijk verklaren van de vrouw
in haar vorderingen, althans deze vorderingen als ongegrond af te wijzen. Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Gedurende de jaren 2023 en 2024 is er veel ongeoorloofd contact geweest door de man richting de vrouw. Dit heeft geleid tot een aan de man opgelegd strafrechtelijk straat- en contactverbod. In 2024 heeft de man een aantal keren vast gezeten vanwege de overtreding van dit verbod. Niettemin is er sinds 2025 sprake van een heel andere situatie. De man zoekt geen contact meer en laat de vrouw met rust. Er zijn de sporadische berichtjes met Kerst en Oud en Nieuw. Rond het incident van 5 mei 2025 en de confrontatie van de man met dit kort geding is dan qua inhoud een bericht met even een uitschieter. Het blijft beide keren echter beperkt tot één of twee berichten. De aanleiding van dit kort geding is kennelijk het voorval tussen de man en de moeder en stiefvader van de vrouw op 25 januari 2026. De vrouw was daar zelf niet bij aanwezig. De lezingen over hetgeen er op die dag is voorgevallen lopen ook nogal uiteen. De keer daarvoor dat er een incident is geweest was op 5 mei 2025, dus bijna een jaar geleden. Daarbij was de vrouw wél aanwezig maar ook hier heeft ieder van partijen een andere visie op hetgeen er is voorgevallen. Daarbij heeft de vrouw in de aangifte aangegeven dat zij geschrokken is van haar eigen reactie en zich ook schuldig voelt over wat er 5 mei 2025 is gebeurd. Betwist wordt dat de door de vrouw overgelegde (ongedateerde) telefoonberichten van dit jaar zijn. De man woont een paar straten verwijderd van het werk van de vrouw. Dan is het niet vreemd dat je elkaar daar een keer tegenkomt. Er is al bijna 1,5 jaar geen sprake meer van onrechtmatig gedrag van de man en er is geen sprake van stalking, bedreiging of fysiek geweld. De veiligheid of privacy van de vrouw is niet in het geding. Los daarvan weegt de inbreuk op de privacy van de vrouw niet zo zwaar als de vrijheid van de man. Er ligt geen contactverbod, omdat het gedrag van de man daartoe geen aanleiding geeft. De man zoekt absoluut niet meer de confrontatie.
Op de overige standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor
de beoordeling van de vorderingen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is
de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De voorzieningenrechter is gelet op de aard van de vorderingen en de door de vrouw gestelde onveiligheid van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zowel een contact- als een gebiedsverbod,
zoals de vrouw vordert, een ingrijpende maatregel is die een ernstige inbreuk vormt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen, te gedragen en te communiceren. Een contact- en gebiedsverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de vrouw om haar belang bij het gevorderde contact- en gebiedsverbod aannemelijk te maken.
Vast staat dat partijen een forse en complexe voorgeschiedenis hebben en dat (in
ieder geval) de jaren 2023 en 2024 turbulent zijn geweest. Er is, zo erkent de man, veel ongeoorloofd contact geweest door de man richting de vrouw, hetgeen eind 2023 heeft geleid tot een strafrechtelijk straat- en contactverbod. Ook staat vast dat de man eind 2023 en in 2024 meerdere keren heeft vast gezeten vanwege de overtreding van dit verbod. In geschil is tussen partijen of er nog steeds sprake is van onrechtmatig handelen van de zijde van de man en van een schending van haar rechten. De vrouw stelt dat er sprake is van een terugkerend beeld/patroon van escalatie(s) en grensoverschrijdend gedrag van de man naar haar (en derden) waardoor zij zich niet veilig voelt en bang is voor de man. De man betwist dit en stelt dat er vanaf 2025 sprake is van een andere situatie, omdat hij geen contact meer met de vrouw zoekt en haar met rust laat.
Voor de vaststelling dat de man zich richting de vrouw dermate ernstig heeft
misdragen dat een contact- en gebiedsverbod als gevorderd gerechtvaardigd zou zijn, heeft de voorzieningenrechter in dit kort geding onvoldoende aanknopingspunten. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vorderingen gewezen op een aantal voorvallen, te weten dat er op 5 mei 2025 een escalatie tussen partijen heeft plaatsgevonden, dat de man de vrouw naar aanleiding van deze escalatie op 6 en 10 mei 2025 een e-mail heeft gestuurd, dat de man de vrouw op 25 december 2025 en in de nacht van 1 januari 2026 een WhatsAppbericht heeft gestuurd, dat de man op 20 januari 2026 bij het werk van de vrouw stond en dat de man op 25 januari 2026 de moeder en stiefvader van de vrouw heeft belaagd.
Ten aanzien van laatstgenoemd voorval op 25 januari 2026, waarbij de
man volgens de vrouw haar moeder en stiefvader heeft belaagd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit incident niet als grondslag kan dienen voor het door de vrouw gevraagde contact- en gebiedsverbod, nu dit incident niet tussen partijen maar tussen de man en de moeder en stiefvader van de vrouw heeft plaatsgevonden. De vrouw was daarbij niet aanwezig. Nog los daarvan heeft te gelden dat partijen van mening verschillen over wat er zich op die dag tussen de man en de moeder en stiefvader van de vrouw heeft afgespeeld. Voor wat betreft het door de vrouw aangehaalde incident op 5 mei 2025 heeft te
gelden dat ook hier de lezingen van partijen over het gebeuren lijnrecht tegenover elkaar staan. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de inhoud van de over en weer door partijen gedane aangiften bij de politie. Vast staat wel dat de man de vrouw naar aanleiding van dit incident een tweetal e-mailberichten heeft gestuurd, welke berichten qua inhoud belastend en bedreigend van aard waren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan hierin echter onvoldoende rechtvaardiging worden gevonden voor de gevorderde ordemaatregelen die de man in vergaande mate beperkingen opleggen. De berichten zijn gestuurd op 6 en 10 mei 2025, bijna een jaar geleden. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij sindsdien nog berichten van de man met een dermate belastende en bedreigende inhoud heeft ontvangen. De man erkent overigens dat hij niet naar [minderjarige] toe had moeten gaan, omdat de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] door de rechtbank strikt is vastgesteld. In de omstandigheid dat de man op 20 januari 2026 bij het werk van de vrouw stond kan evenmin voldoende rechtvaardiging worden gevonden voor het gevorderde contact- en gebiedsverbod. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de man daar aanwezig was om haar lastig te vallen. De man woont immers in de nabije omgeving van het werk van de vrouw. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de man zich op dat moment onrechtmatig heeft gedragen en/of uitgelaten jegens de vrouw. Ten aanzien van de door de man met Kerst en in de nacht van 1 januari 2026 naar de vrouw gestuurde berichten heeft te gelden dat de inhoud van die berichten, zoals door de vrouw tijdens de zitting erkend, niet belastend of bedreigend van aard waren. Dit neemt niet weg dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gezien de complexe voorgeschiedenis van partijen en de weerslag die dit heeft (gehad) op de vrouw, wellicht verstandiger zou zijn als de man ook dergelijke berichten niet meer naar de vrouw stuurt.
Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het door de vrouw ter
onderbouwing van haar vorderingen aangevoerde onvoldoende om te kunnen dienen als rechtvaardiging voor een aan de man op te leggen contact- en gebiedsverbod. Dat de man ook recent stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw door bij voortduring en op voor de vrouw belastende en bedreigende wijze contact met haar te zoeken, is niet aannemelijk geworden.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting met de vrouw besproken dat de aanleiding voor het aanhangig maken van deze procedure er wellicht mede in is gelegen dat de vrouw gevoelens van angst en stress ervaart als de man contact met haar opneemt, en dat met het door haar gevorderde contact- en gebiedsverbod de man geen contact met haar kán opnemen, en dat zij daardoor de door haar gewenste rust ervaart. De voorzieningenrechter kan zich alleszins indenken dat de vrouw, gelet op de complexe voorgeschiedenis van partijen en het gedrag van de man in het verleden, angstgevoelens heeft en stress ervaart op het moment dat de man, positief of niet positief, contact met haar zoekt. Door de man lijkt ook erkend te worden dat zijn gedrag jegens de vrouw in het verleden gevolgen teweeg heeft gebracht en zijn weerslag heeft gehad op de vrouw. Vastgesteld wordt echter dat een eerder aan de man opgelegd contact- en straatverbod er niet toe heeft geleid dat de man is gestopt met het zoeken van contact met de vrouw. De man heeft eerder aan hem opgelegde verboden immers veelvuldig overtreden. De voorzieningenrechter ziet dus niet in hoeverre het opleggen van een contact- en gebiedsverbod dit doel zal dienen. Los daarvan rechtvaardigt deze wens van de vrouw niet het door haar gevorderde contact- en gebiedsverbod.
De slotsom is dat het door de vrouw gevorderde contact- en gebiedsverbod zullen worden afgewezen.
Nu het gevorderde contact- en gebiedsverbod worden afgewezen komt de rechtbank niet meer toe aan de primaire vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot lijfsdwang en de subsidiaire vordering van de vrouw om haar te machtigen om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen.
Proceskosten
Omdat het geschil voortkomt uit de omstandigheid dat partijen een affectieve
relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van de vrouw af;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere
partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Voorn, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
