Rechtbank Den Haag 22-10-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27978

Essentie (gemaakt door AI)

Ouders verkopen hun jachthaven aan zoon [gedaagde 2]. Geschil waarin broer en zus stellen dat ouders onrechtmatig handelen of wanprestatie plegen wegens bevoordeling en beroep doen op gelijke behandeling. De rechtbank oordeelt dat geen rechtens afdwingbare toezegging tot mede-eigendom of gelijke behandeling bestaat en wijst de vorderingen in conventie af; daarmee valt ook de vordering tegen [gedaagde 2] weg. In reconventie vordert [gedaagde 2] schade door beslag; onvoldoende onderbouwd, zodat ook die vordering wordt afgewezen.

Datum publicatie22-05-2026
ZaaknummerC/09/672782 / HA ZA 24-812
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Erfrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ouders hebben hun jachthaven aan hun zoon verkocht. Geschil over de vraag of ouders daarmee onrechtmatig jegens hun twee andere kinderen hebben gehandeld dan wel wanprestatie hebben gepleegd. Tussenvonnis.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/672782 / HA ZA 24-812

Vonnis van 22 oktober 2025

in de zaak van

1 [eiser 1] te [woonplaats 1] ,

hierna ook: [eiser 1] ,
2. [eiser 2] te [woonplaats 2] ,

hierna ook: [eiser 2] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat: mr. M.A. Lasschuit,

tegen

1. [gedaagde 1] , in persoon alsmede in hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder PRO SE ET Q.Q. te [woonplaats 3] ,

hierna ook: vader,

gedaagde in conventie,
2. [gedaagde 2] te [woonplaats 3] ,

hierna ook: [gedaagde 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. W. de Vries.

1De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de akte uitlating aan de zijde van vader;

- de antwoordakte aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] , met producties 30 tot en met 32;

- de akte uitlating producties aan de zijde van vader en [gedaagde 2] .

2De verdere beoordeling

In conventie

2.1.

In 4.3 van het tussenvonnis van 28 mei 2025 is overwogen dat de rechtbank niet kan vaststellen dat vader en moeder zich ertoe hebben willen verbinden dat [eiser 1] en [eiser 2] mede-eigenaar van de jachthaven zouden worden.

2.2.

In 4.4 van voornoemd vonnis is verder overwogen dat uit de daar genoemde stukken blijkt dat het uitgangspunt altijd is geweest dat de kinderen ten opzichte van elkaar niet bevoordeeld zouden worden, wat wil zeggen, gelijke behandeling in financiële zin. Aan partijen is gevraagd zich uit te laten over onder meer de vraag of dit uitgangspunt in acht is genomen bij verkoop van de jachthaven aan [gedaagde 2] , gelet op de koopprijs, het meerwaardebeding en de wijze van financiering. Verder heeft de rechtbank partijen in overweging gegeven om te proberen met hulp van een mediator tot een minnelijke regeling te komen, wat niet is gelukt. Partijen hebben vonnis gevraagd.

2.3.

Vader heeft bij akte bevestigd dat gelijke behandeling van de kinderen de intentie was en is, maar dat wanneer sprake blijkt te zijn van bevoordeling van [gedaagde 2] , dan zij dit zo. De in 2.3 van het tussenvonnis van 28 mei 2025 bedoelde brief uit 2004 vormt volgens vader geen rechtens relevante toezegging, nu die brief niet is uitgemond in een formele overeenkomst. De omstandigheden zijn veranderd en de verhoudingen zijn inmiddels sterk verslechterd. Volgens vader zou de levering aan [gedaagde 2] doorgang moeten vinden. Fiscaal zou sprake zijn van een schenking indien [gedaagde 2] wordt bevoordeeld. In geval van overlijden zal die schenking erfrechtelijk moeten worden meegenomen.

2.4.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn bij akte ingegaan op de hiervoor vermelde vragen en hebben gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat de koopprijs van € 1.020.000,- niet marktconform is. Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangevoerd dat, voor zover zij dat nu kunnen overzien, overdracht van het onroerend goed van de jachthaven aan alle kinderen de enige uitvoerbare oplossing is die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van alle kinderen. Het doet hen verdriet dat zij inmiddels zijn onterfd.

2.5.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] geen rechtens afdwingbare vordering op vader hebben. Hoewel het uitgangspunt en de intentie in ieder geval destijds was de kinderen in financieel opzicht gelijk te behandelen, is geen sprake van concreet juridisch afdwingbare rechten van [eiser 1] en [eiser 2] . Dat maakt dat niet kan worden geoordeeld dat vader wanprestatie jegens hen heeft gepleegd of onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de jachthaven voor € 1.020.000,00 aan [gedaagde 2] te verkopen, ook als hij hierdoor mogelijk bevoordeeld is. De vorderingen jegens vader zullen worden afgewezen en daarmee ook de vorderingen jegens [gedaagde 2] (met als grondslag onrechtmatig handelen door te profiteren van de door vader gepleegde wanprestatie).

In reconventie

2.6.

[gedaagde 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank [eiser 1] en [eiser 2] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door hem door het gelegde conservatoire beslag geleden schade van € 11.969,81 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, met rente en kosten.

2.7.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn in conventie in het ongelijk gesteld. Daarmee is komen vast te staan dat het beslag dat ter verzekering van de vermeende vordering is gelegd onrechtmatig is. [gedaagde 2] stelt dat hij als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag schade heeft geleden en voert daartoe het volgende aan. De financiering was rond per 1 april 2024 en dat betekende een kostenpost van € 1.085,50 per maand, tot september 2024 (€ 5.427,50). Ook zullen na de onderhavige procedure opnieuw kosten voor een taxatierapport (€ 3.654,20) en het inschakelen van een intermediair (€ 2.888,11) gemaakt moeten worden, zodat de kosten totaal € 11.969,81 bedragen.

2.8.

Het ligt op de weg van [gedaagde 2] om aan te tonen dat hij schade heeft geleden als gevolg van het beslag. [gedaagde 2] heeft de stelling dat de financiering rond was en het onroerend goed geleverd kon worden per 1 mei 2024, ook na betwisting, niet onderbouwd. Slechts een door hemzelf opgesteld overzicht van kosten is overgelegd. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangevoerd dat een taxatierapport doorgaans een geldigheidsduur heeft van zes maanden en dat de geldigheidsduur van het taxatierapport van 12 juni 2023 al was verstreken bij een leveringsdatum van 1 mei 2024, zodat hoe dan ook een nieuw rapport zou moeten worden aangevraagd. De stelling van [gedaagde 2] dat de bank bereid was een taxatierapport ouder dan zes maanden te accepteren wanneer provisie zou worden betaald, wordt gepasseerd, nu ook die stelling niet is onderbouwd. Dat betekent dat een causaal verband met het beslag ontbreekt. Ook de overige gestelde schade is na gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. De vordering tot schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

In het incident

2.9.

De vordering in het incident zal bij gebrek aan belang worden afgewezen, nu de vorderingen in conventie zijn afgewezen.

Proceskosten

2.10.

Omdat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak – in conventie en in reconventie – en in het incident:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.

1769/3224



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733