Essentie (gemaakt door AI)
Eiseres verkrijgt in 2014 een appartement en draagt in 2018 49/100 aan partner over, waardoor een gemeenschap ontstaat. In 2024 wordt verdeeld en het appartement wordt aan eiseres toegedeeld, waarover zij OVB voldoet. In geschil is toepassing van de samenwonersvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel g Wbr. De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijkheidsvereiste niet is vervuld en dat geen strijd bestaat met evenredigheid of gelijkheid. Heffing leidt wel tot schending van het eigendomsrecht (art. 1 EP EVRM), maar rechtsherstel blijft aan de wetgever. Beroep| Datum publicatie | 21-05-2026 |
| Zaaknummer | 25/1684 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Groningen |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Overdrachtsbelasting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Eiseres heeft in 2014 een appartement gekocht. Over deze verkrijging is overdrachtsbelasting geheven. In 2018 heeft eiseres 49/100 onverdeeld aandeel in het appartement overgedragen aan haar partner. Hierdoor is tussen eiseres en haar partner een gemeenschap ontstaan. In 2024 is de gemeenschap tussen eiseres en haar - inmiddels - ex-partner verdeeld. Hierbij is het appartement aan eiseres toegedeeld. Hierover is overdrachtsbelasting geheven. In geschil is of terecht overdrachtsbelasting van eiseres is geheven ter zake van de toedeling. De rechtbank is van oordeel dat de samenwonersvrijstelling in het geval van eiseres niet van toepassing is. De rechtbank is verder van oordeel dat die uitkomst niet in strijd is met het evenredigheids- of het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de van eiseres geheven overdrachtsbelasting wel leidt tot een schending van haar eigendomsrecht, maar dat de rechtbank die heffing desondanks niet ongedaan kan makenVolledige uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1684
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.C.K. van Loo),
en
de inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Hoorn, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 april 2025.
Eiseres heeft € 18.735 overdrachtsbelasting (OVB) op aangifte voldaan.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen deze voldoening afgewezen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De (enkelvoudige kamer van de) rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur: [naam 2] en mr. [naam 3] . Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Van het verhandelde op de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
De rechtbank heeft nadien het onderzoek heropend en de zaak op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht om op een nadere zitting van de meervoudige kamer te worden gehoord. Aan hen is daarbij gevraagd of zij van dat recht gebruik willen maken, dan wel of zij, in plaats daarvan, aanvullende schriftelijke stukken willen indienen.
Beide partijen hebben verklaard dat zij geen gebruik willen maken van het recht op een nadere zitting. De inspecteur heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid nadere stukken in te dienen. Eiseres heeft in reactie daarop ook een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens met (overeenkomstige) toepassing van artikel 8:57 Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Feiten
2.
Eiseres heeft op 24 december 2014 het appartementsrecht van een woning, plaatselijk bekend als [adres] (het appartement) verkregen. Ter zake van deze verkrijging is van eiseres OVB geheven.
Eiseres heeft op 14 mei 2018 het 49/100 onverdeeld aandeel in het appartement overgedragen aan haar toenmalige partner (de ex-partner). Hierdoor is tussen eiseres en de ex-partner een gemeenschap ontstaan (de gemeenschap).
Eiseres en de ex-partner hebben de gemeenschap op 23 december 2024 verdeeld. Daarbij is het appartement toegedeeld aan eiseres (de toedeling).
Eiseres heeft ter zake van de toedeling OVB op aangifte voldaan.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of terecht OVB van eiseres is geheven ter zake van de toedeling. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Die beroepsgronden houden primair in dat de vrijstelling voor samenwoners (de samenwonersvrijstelling) van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) van toepassing is. Subsidiair voert eiseres aan dat de heffing van OVB in haar geval achterwege moet blijven omdat sprake is van:
-
strijd met het evenredigheidsbeginsel;
-
strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ; en
-
strijd met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM.
4. De rechtbank is van oordeel dat de samenwonersvrijstelling in het geval van eiseres niet van toepassing is. De rechtbank is verder van oordeel dat die uitkomst niet in strijd is met het evenredigheids- of het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de van eiseres geheven OVB wel leidt tot een schending van haar eigendomsrecht, maar dat de rechtbank die heffing desondanks niet ongedaan kan maken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft.
Juridisch kader samenwonersvrijstelling
5. Voorafgaand aan de beoordeling van de beroepsgronden zal de rechtbank ingaan op de achtergrond en de systematiek van de samenwonersvrijstelling. Bij de invoering van (de voorganger van) deze vrijstelling heeft de wetgever verwezen naar de daarvóór geldende regeling in de Registratiewet 1917 (Rw).
1 De rechtbank vindt ook deze regeling in de Rw van belang voor de beoordeling van de beroepsgronden en zal dan ook beginnen met de werking van deze regeling.
Het recht van overdracht bij scheiding in de Rw
Onder de Rw werd een recht geheven op de overdracht van onroerende zaken. Dit recht van overdracht was als hoofdregel niet verschuldigd op akten van scheiding van onroerende zaken. Op deze hoofdregel werd een uitzondering gemaakt in artikel 34 Rw, dat voor zover van belang als volgt luidde:
“Indien en voor zoover bij eene akte van scheiding onroerende zaken worden toegedeeld aan hen, die uitsluitend door overdracht onder de levenden tot een aandeel daarin zijn gerechtigd, (…) wordt de akte belast met het recht van overdracht over de verkoopwaarde.”
Uit de toelichting die de Registratiewetgever op artikel 34 Rw heeft gegeven, volgt dat dat artikel is gericht tegen ontwijking van het recht van overdracht. Omdat als hoofdregel bij scheiding van onroerende zaken geen recht van overdracht was verschuldigd, voorzag de Registratiewetgever mogelijk misbruik door overdracht van een gering aandeel in een onroerende zaak, gevolgd door (belastingvrije) toescheiding van het geheel.
2
Op artikel 34 Rw werd in artikel 35 Rw weer een uitzondering gemaakt. Daarmee werd onder omstandigheden dus weer teruggekeerd naar de hoofdregel dat bij scheiding van onroerende zaken geen recht van overdracht was verschuldigd. Artikel 35 Rw luidde voor zover van belang als volgt:
“Het vorig artikel is niet van toepassing, indien zij, aan wie de toedeeling geschiedt (…) in de onroerende zaken gerechtigd zijn door eene overdracht door den eenigen eigenaar of al de rechthebbenden te zamen van het geheel dier zaken aan gezamenlijke verkrijgers en wegens deze verkrijging het recht van overdracht (…) terecht is geheven of is verschuldigd geworden.”
Artikel 35 Rw zag op situaties waarin volgens de Registratiewetgever van misbruik geen sprake kon zijn, omdat in de gevallen waarop die bepaling zag door de gezamenlijke deelgenoten al over de volle waarde van de onroerende zaken recht van overdracht was voldaan.
3
7.
De heffing van OVB bij verdelingen volgens de Wbr
Anders dan onder de Rw bij scheiding van onroerende zaken het geval was, levert de verdeling van een gemeenschappelijke onroerende zaak voor de OVB als hoofdregel wel een belastbaar feit op. Dat volgt uit artikel 7 Wbr. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wbr zoals dat gold bij de invoering van de Wbr, werd op deze hoofdregel onder voorwaarden een uitzondering gemaakt. Op grond van die bepaling was namelijk van OVB vrijgesteld, voor zover hier van belang, een verkrijging krachtens verdeling, voor zover de onverdeeldheid is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en toedeling geschiedt aan een of meer van de gezamenlijke verkrijgers.
Voor in gemeenschap van goederen gehuwden en geregistreerd partners (hierna kortweg: gehuwden) geldt een uitzondering op de hoofdregel dat verdeling een belastbaar feit oplevert. Op grond van artikel 3, aanhef en onderdeel b, Wbr wordt verdeling van een huwelijksgemeenschap voor de heffing van OVB namelijk niet aangemerkt als verkrijging.
De fiscale gevolgen van de verdeling van een gemeenschap onder de Wbr, zijn bij de invoering van die wet als volgt toegelicht:
“Ten aanzien van de heffing van overdrachtsbelasting bij scheiding handhaaft het ontwerp de thans geldende regeling [rechtbank: van de Rw]. In het algemeen zullen verkrijgingen van onroerende zaken krachtens scheiding derhalve niet aan overdrachtsbelasting zijn onderworpen. Indien de onverdeeldheid evenwel is ontstaan door overdracht (…) kan de scheiding tot een heffing van overdrachtsbelasting leiden. (…)
Artikel 7. Deze bepaling komt overeen met het uitgangspunt van artikel 34, eerste lid, van de Registratiewet 1917. (…) Tevens zijn hier van belang (…) artikel 15, eerste lid, letters f en g. Deze bepalingen bewerken in onderlinge samenhang, dat de fiscale behandeling van scheidingen materieel niet afwijkt van die in de bestaande wetgeving. (…) Deze bepalingen zijn ontleend aan artikel 35, eerste en tweede lid, van de Registratiewet 1917.”
4
De stelling dat de Wbr een handhaving was van de Rw wat betreft scheiding van onroerende zaken, werd bij de parlementaire behandeling van de Wbr ter discussie gesteld:
“Vele andere leden noemden de zinsnede in de memorie van toelichting op blz. 17, rechterkolom, „Ten aanzien van de heffing van overdrachtsbelasting bij scheiding handhaaft het ontwerp de thans geldende regeling" niet geheel in overeenstemming met de werkelijkheid. Dr. J. K. Moltmaker geeft in het W.P.N.R. (…) enige voorbeelden hiervan. Deze leden achtten de door dr. Moltmaker terecht geconstateerde verschillen met de huidige regeling overigens even zovele verbeteringen (…). Kunnen de bewindslieden deze opmerkingen onderschrijven?”
5
In de hiervoor bedoelde bijdrage van Moltmaker beschrijft hij onder meer een geval dat de rechtbank hierna ook zal aanduiden als jojo-toedeling. Die bijdrage luidt voor zover van belang als volgt:
“Onder de bestaande wet [rechtbank: de Rw] wordt slechts een bepaalde categorie van scheidingen belast, t.w. die waarbij de toedeling geschiedt aan hen die uitsluitend door overdracht onder de levenden tot een aandeel in de toegedeelde zaak waren gerechtigd (…). In grote lijnen geldt (…) dat het Ontwerp de thans geldende regeling handhaaft. Niettemin zijn er door de gewijzigde opzet van het Ontwerp naar het mij voorkomt op een aantal punten verschillen ontstaan met de bestaande wet. (…)
Tot dusver werd voor de toepassing van art. 34 der Registratiewet 1917 aangenomen dat ingeval A van zijn onroerend goed een onverdeeld aandeel overdroeg aan B, waar na bij scheiding de zaak weer geheel wordt toegedeeld aan A, ter zake van die toedeling geen recht verschuldigd was, omdat niet kon worden gezegd, dat A’s gerechtigdheid in de onverdeeldheid was ontstaan door overdracht onder de levenden. Waar in het Ontwerp de laatstbedoelde eis is vervallen, zal voortaan bij toedeling aan A overdrachtsbelasting verschuldigd worden.”
6
De regering heeft op de vragen over de bijdrage van Moltmaker als volgt gereageerd:
“Met de door vele andere leden geciteerde zinsnede in de memorie van toelichting is bedoeld te zeggen, dat het ontwerp op het gebied van de scheidingen het bestaande regime in zijn algemeenheid bestendigt. Intussen moet worden toegegeven, dat in de door dr. J. K. Moltmaker (…) gegeven voorbeelden verschillen optreden. Het verheugt de ondergetekenden, dat deze leden die verschillen even zovele verbeteringen achtten.”
7
De vrijstelling voor verkrijgingen krachtens verdeling van een gemeenschap zoals hiervoor beschreven, gold tot 29 december 1995 voor iedereen. De wetgever wilde deze vrijstelling aanvankelijk per 29 december 1995 geheel schrappen.
8 Uiteindelijk is deze vrijstelling toch gehandhaafd, maar alleen voor samenwoners. De samenwonersvrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wbr luidt sindsdien:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…)
krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten minste 40 percent en de andere voor ten hoogste 60 percent, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers of iemand die als rechtverkrijgende onder algemene titel van een verkrijger in het toegedeelde goed was gerechtigd;”
De wetgever heeft de samenwonersvrijstelling als volgt toegelicht:
“Een redelijk systeem van belastingheffing houdt naar mijn mening in dat een verkrijger die bij de gezamenlijke verkrijging over bij voorbeeld 75% van de onroerende zaak overdrachtsbelasting verschuldigd was, ter zake van de toedeling van de gehele onroerende zaak nog over 25% overdrachtsbelasting verschuldigd is. (…) Dit brengt de oorspronkelijk «gezamenlijke verkrijger» in dezelfde positie als iemand die de onroerende zaak in één keer verkrijgt. (…) Naar mijn mening wordt de gezamenlijke verkrijger in het huidige systeem met een vrijstelling bevoordeeld ten opzichte van andere verkrijgers, zonder dat daarvoor een duidelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Ik zie daarom geen reden om de vrijstelling in haar huidige vorm onverkort te handhaven. (…)
Voor handhaving van de vrijstelling bestaat naar mijn mening wel aanleiding in situaties waarin, bij beëindiging van een samenwoning, een door de samenwoners gezamenlijk en voor gelijke delen verkregen onroerend goed wordt toegedeeld aan een van de samenwonenden, een situatie die vergelijkbaar is met die waarin in algehele gemeenschap gehuwden zijn komen te verkeren bij echtscheiding. Ik heb daarom (…) toegezegd dat de vrijstelling voor die situatie zal worden gehandhaafd. (…) Een aansluiting bij de systematiek zoals die voor gehuwden geldt (…) is nog niet volledig mogelijk. Artikel 3 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer ziet immers op huwelijksgemeenschappen en vloeit voort uit de vermogensrechtelijke gevolgen die het burgerlijk recht verbindt aan het huwelijk. Op dit moment worden nog geen vermogensrechtelijke gevolgen verbonden aan het gaan samen leven zonder gehuwd te zijn.”
9
Is de samenwonersvrijstelling in het geval van eiseres van toepassing?
8.
Partijen zijn het erover eens dat aan alle vereisten voor toepassing van de samenwonersvrijstelling is voldaan, behalve aan het vereiste dat de gemeenschap die wordt verdeeld moet zijn ontstaan door een gezamenlijke verkrijging (het gezamenlijkheidsvereiste). Over de vraag of aan dat laatste vereiste is voldaan, zijn partijen het niet eens. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.
Partijen zijn het verder terecht erover eens dat eiseres naar de letter van de wet niet aan het gezamenlijkheidsvereiste voldoet, omdat de gemeenschap met de ex-partner niet is ontstaan door gezamenlijke verkrijging. Eiseres heeft immers eerst het appartement geheel zelf verkregen en pas later een onverdeeld aandeel daarin overgedragen aan de ex-partner.
Partijen verschillen van mening over de vraag of een uitleg van de samenwonersvrijstelling naar de bedoeling van de wetgever tot een andere uitkomst moet leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. In de bijdrage van Moltmaker (zie 7.5.) wordt geconstateerd dat jojo-toedelingen onder de Wbr zullen worden geraakt door de heffing van OVB. De wetgever heeft van deze analyse kennisgenomen, daarmee uitdrukkelijk ingestemd en de uitkomst als een verbetering bestempeld (zie 7.4. en 7.6.). In het geval van eiseres is sprake van zo’n jojo-toedeling. Vrijstelling van OVB in het geval van eiseres zou daarom juist in strijd komen met de bedoeling van de wetgever. Deze beroepsgrond faalt.
Is sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel?
9.
Voor het geval dat toepassing van de Wbr niet tot de door eiseres gewenste uitkomst leidt, heeft zij een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Daarbij heeft zij aangevoerd dat hier sprake is van een ongewenste stapeling van heffing van OVB in de familiesfeer, tot een tarief van (in 2024) wel 10,4%.
Volgens de inspecteur kan het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slagen, onder meer omdat de formele wetgever de omstandigheid van eiseres (waarbij sprake is van een (terug)verkrijging als gevolg van een verdeling) onder ogen heeft gezien.
De rechtbank overweegt als volgt. De heffing van OVB, waaronder het weigeren van de samenwonersvrijstelling, vloeit voort uit wetgeving in formele zin. De rechtbank mag die wetgeving op grond van artikel 120 van de Grondwet niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Wel is de rechtbank bevoegd om die wetgeving wegens strijd met dat beginsel buiten toepassing te laten. Een van de voorwaarden daarvoor is dat sprake is van omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
10 Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan. Uit wat de rechtbank hiervoor in 8.3. heeft overwogen, volgt namelijk dat de wetgever de gevolgen van de Wbr voor jojo-toedelingen heeft bedoeld en voorzien. De wetgever moet daarmee ook de door eiseres bedoelde stapeling van heffing hebben bedoeld en voorzien. Ook deze beroepsgrond faalt.
Is sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van gehuwden?
10.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van gehuwden, omdat bij een verdeling tussen (ex-)gehuwden in geen geval OVB wordt geheven, ongeacht of sprake is van gezamenlijke verkrijging. Dit terwijl ongehuwd samenwonen wel degelijk allerlei juridische gevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het huwelijk.
De inspecteur acht het in de Wbr gemaakte onderscheid tussen gehuwden en samenwoners niet van redelijke grond ontbloot. Daarbij wijst de inspecteur op de afweging die de wetgever in dit verband heeft gemaakt (zie 7.8.). Samenwoners kunnen in een samenlevingscontract zelf bepalen welke afspraken zij maken en die afspraken hoeven niet overeen te komen met de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk.
De rechtbank is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van gehuwden niet wordt geschonden. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat het appartement van eiseres niet zonder meer tot de huwelijksgemeenschap zou hebben behoord als zij in 2018 met de ex-partner zou zijn getrouwd.
11 Ten tweede is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen. De wet verbindt aan het huwelijk bepaalde plichten,
12 die niet zonder meer gelden tussen samenwoners. Die plichten maken het minder waarschijnlijk dat een huwelijk alleen om OVB-technische redenen zal worden aangegaan.
13 Het is daarom niet evident onredelijk om aan een vrijstelling van OVB nadere voorwaarden te stellen voor samenwoners ten opzichte van gehuwden. Ook deze beroepsgrond faalt.
Is sprake van een schending van het eigendomsrecht?
11. f
Is sprake van een schending van het eigendomsrecht op regelniveau?
Eiseres heeft verder aangevoerd dat de heffing van OVB leidt tot een aantasting van haar eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 EP. Eiseres acht het namelijk niet gerechtvaardigd om het gezamenlijkheidsvereiste te stellen in een geval waarin dat op basis van de bedoeling van de wetgever niet noodzakelijk is omdat geen sprake is van misbruik. Omdat het appartement bij de toedeling weer volledig in eigendom van eiseres is verkregen, is eerder sprake van dubbele heffing van OVB, dan van het ontwijken van OVB. Haar geval moet daarom op één lijn worden gesteld met een geval waarin wel gezamenlijk is verkregen, aldus eiseres.
De inspecteur is van mening dat van strijd met artikel 1 EP geen sprake is. De inspecteur acht het stellen van voorwaarden aan de samenwonersvrijstelling, waaronder het gezamenlijkheidsvereiste, niet van redelijke grond ontbloot. Dat die voorwaarden mogelijk ook gevallen raken waarvoor zij niet helemaal zijn bedoeld, is inherent aan (antimisbruik)wetgeving. Zonder dergelijke voorwaarden zou de samenwonersvrijstelling bovendien zodanig ruim uitvallen dat zij de systematiek van de Wbr, waarin een verkrijging krachtens verdeling in beginsel belast is, teniet zou doen. Tot slot heeft eiseres zelf ervoor gekozen om het appartement van de ex-partner terug te kopen, aldus de inspecteur.
12.
De rechtbank overweegt als volgt. Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren.
14 Deze vereisten gelden ook indien een vrijstelling van belasting geldt die afhankelijk is van bepaalde voorwaarden. Ook die voorwaarden moeten dan lawful zijn, een legitimate aim dienen en een fair balance respecteren.
De rechtbank is van oordeel dat het gezamenlijkheidsvereiste ‘lawful’ is en ook een ‘legitimate aim’ dient. Het gaat hier namelijk om een wettelijke voorwaarde ter voorkoming van misbruik.
Bij de beoordeling van de vraag of het gezamenlijkheidsvereiste ook een fair balance respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het doel dat met het gezamenlijkheidsvereiste wordt beoogd. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken, heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Als regel moet het oordeel van de wetgever daarom worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot.
15
De rechtbank is van oordeel dat een fair balance niet wordt gerespecteerd door in het geval van een jojo-toedeling het gezamenlijkheidsvereiste als voorwaarde voor de samenwonersvrijstelling te stellen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Met het gezamenlijkheidsvereiste wordt beoogd om misbruik van de samenwonersvrijstelling te voorkomen dat erin bestaat dat de eigenaar van een onroerende zaak een aandeel in die zaak overdraagt aan een ander, om vervolgens het geheel van die onroerende zaak belastingvrij aan die ander toe te delen. Dergelijk misbruik doet zich niet voor bij jojo-toedelingen. Bij jojo-toedelingen wordt de onroerende zaak immers geheel toegedeeld aan degene die die zaak oorspronkelijk in de gemeenschap heeft ingebracht. Die inbrenger, zoals in dit geval eiseres, zal die onroerende zaak als hoofdregel al eerder hebben verkregen en zal daarover als hoofdregel al eerder OVB verschuldigd zijn geweest. Van die inbrenger kan dus niet worden gezegd dat hij (gedeeltelijk) belastingvrij een onroerende zaak verkrijgt. Het stellen van het gezamenlijkheidsvereiste aan die inbrenger gaat daarom naar het oordeel van de rechtbank verder dan nodig is en levert in zoverre dus overkill op.
Dat een antimisbruikregeling overkill bevat, betekent nog niet automatisch dat die regeling zodanig disproportioneel is dat zij een fair balance niet respecteert. Van strijd met artikel 1 EP is echter wel sprake als voor die overkill evident geen redelijke grond bestaat. In dat kader wijst de rechtbank erop dat jojo-toedelingen onder de Rw niet belast waren; daarvoor werd geen gezamenlijkheidsvereiste gesteld. De door de rechtbank gesignaleerde overkill is dus ontstaan bij de overgang van de Rw naar de Wbr (zie 7.5.). De wetgever heeft dit verschil tussen de Rw en de Wbr ook onderkend en volstaan met de opmerking dat hij dit verschil ziet als een verbetering (zie 7.6.). Door de wetgever is echter niet duidelijk gemaakt voor wie en waarom dit een verbetering is geweest. Ook zelf kan de rechtbank niet inzien waarom het een verbetering is dat gevallen waarin duidelijk geen sprake is van misbruik, worden geconfronteerd met de nadelige gevolgen van een antimisbruikregeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat een rechtvaardiging voor de geconstateerde overkill ontbreekt en dus dat het stellen van het gezamenlijkheidsvereiste bij jojo-toedelingen van redelijke grond is ontbloot.
Het voorgaande betekent dat het eigendomsrecht van eiseres is geschonden doordat het gezamenlijkheidsvereiste aan haar wordt tegengeworpen. Toch kan de rechtbank de heffing van OVB niet ongedaan maken. De rechtbank licht dat hierna toe.
13. F
Kan de rechtbank rechtsherstel bieden?
Het staat de rechtbank niet vrij om voor iedere schending van het eigendomsrecht direct rechtsherstel te bieden. De rechtbank kan dat alleen doen als de manier waarop dat herstel moet worden vormgegeven, zich duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis. Als op grond van deze uitgangspunten niet duidelijk één manier van rechtsherstel naar voren komt, moet de rechter het aan de wetgever laten om de schending van het eigendomsrecht ongedaan te maken.
16 In dat geval is het namelijk afhankelijk van politieke afwegingen op welke manier die schending ongedaan wordt gemaakt. Zulke politieke afwegingen zijn in eerste instantie niet aan de rechter, maar aan de wetgever.
De rechtbank overweegt dat de schending van het eigendomsrecht in dit geval op verschillende manieren ongedaan zou kunnen worden gemaakt. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door het gezamenlijkheidsvereiste (net als onder de Rw) niet langer te stellen bij jojo-toedelingen. Een andere mogelijkheid is het in het geheel niet meer stellen van dat vereiste. Bij de verdeling van huwelijksgemeenschappen wordt immers ook niet gekeken naar de voorafgaande verkrijging. De heffing van OVB in het geval van eiseres zou dan ongedaan moeten worden gemaakt. Schending van het eigendomsrecht kan echter ook ongedaan worden gemaakt door de samenwonersvrijstelling in het geheel af te schaffen. Indien alle samenwoners onderworpen zijn aan de hoofdregel dat toedeling van een onroerende zaak belast is, kan immers niet meer worden gezegd dat een bepaalde groep samenwoners ten onrechte wordt benadeeld doordat aan hen nodeloos het gezamenlijkheidsvereiste wordt tegengeworpen. Dat ook dit een reële optie is, blijkt wel uit het feit dat de wetgever al eerder op het punt heeft gestaan artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wbr geheel te schrappen (zie 7.7.). Zou voor deze optie worden gekozen, dan zou de heffing van OVB in het geval van eiseres niet ongedaan moeten worden gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat een keuze uit de verschillende opties zich niet duidelijk laat afleiden uit de uitgangspunten van de wet. Zo’n keuze vergt het maken van politieke afwegingen, bijvoorbeeld over de fiscale behandeling van samenwoners ten opzichte van gehuwden. De schending van het eigendomsrecht moet dus wel worden opgeheven, maar de rechtbank moet dat vooralsnog aan de wetgever laten.
Het voorgaande betekent voor eiseres concreet het volgende. Hoewel haar eigendomsrecht wordt geschonden, is de rechtbank niet bevoegd de overheid te verplichten om eiseres hiervoor te compenseren. Dat neemt echter niet weg dat het de Minister van Financiën vrij staat om eiseres tegemoet te komen naar aanleiding van deze uitspraak van de rechtbank. Hij heeft die bevoegdheid op grond van de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Eiseres heeft op de zitting ook aangegeven dat zij na de uitspraak van de rechtbank mogelijk alsnog een beroep op de hardheidsclausule zal doen. Hiervoor moet eiseres dus bij de Minister van Financiën zijn.
Is sprake van een individuele en buitensporige last?
14. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de stapeling en het zeer hoge tarief van de OVB een individuele en buitensporige last oplevert. Wat dat betreft overweegt de rechtbank dat dit moet worden beoordeeld tegen het licht van de gehele financiële situatie van eiseres.
17 De rechtbank heeft in die financiële situatie niet voldoende inzicht gekregen om te kunnen beoordelen hoe zwaar eiseres wordt getroffen door de heffing van OVB. Alleen al door dit gebrek aan inzicht faalt deze beroepsgrond. De stelplicht en bewijslast voor het inzichtelijk maken van haar financiële situatie, liggen namelijk bij eiseres.
Conclusie en gevolgen
15. Omdat de heffing van OVB in stand blijft, is het beroep ongegrond. In de geconstateerde schending van het eigendomsrecht (zie 12.6.) ziet de rechtbank wel aanleiding de inspecteur op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden.
16. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij geen aanspraak maakt op vergoeding van proceskosten.
BeslissingDe rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond; en
-
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, voorzitter, en mr. F. Brekelmans en mr. T. van de Bospoort, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Veenstra, griffier.
|
griffier |
voorzitter |
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, p. 17 en 27.
Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 3, p. 18, l.k.
Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 3, p. 18, r.k.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, p. 17, 25 en 27.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 6, p. 8.
J.K. Moltmaker , ‘Belastingen van rechtsverkeer (vervolg)’, WPNR 1970, afl. 5089.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 7, p. 13.
Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 20–21
Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 5, p. 20-21.
Vgl. Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, r.o. 4.1.2.
Zie artikel 1:94 ev. BW
Vgl. Hoge Raad 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0548, r.o. 3.3.1.
Vgl. Hoge Raad 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0181, r.o. 3.3.2 en 3.6.
Zie Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.2.1.
Vgl. Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1389, r.o. 5.2.
Vgl. Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, r.o. 5.4.
Vgl. Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
