Essentie (gemaakt door AI)
Kinderalimentatie. art. 1:441 lid 1 BW. Vaststaat dat de goederen van moeder onder bewind staan; de bewindvoerder vertegenwoordigt haar en treedt op als formele procespartij, zodat moeder ontvankelijk is. In hoger beroep zijn alleen ingangsdatum en zorgkorting in geschil. Geen bindende overeenstemming over alimentatie. Geen eerdere ingangsdatum dan de datum van de bestreden beschikking wegens door vader gedragen kosten. Zorgkorting blijft 25% met het oog op contactstimulering. Bekrachtiging.| Datum publicatie | 20-05-2026 |
| Zaaknummer | 200.362.076 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Percentage zorgkorting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kinderalimentatie. 1:441 lid 1 BW. De bewindvoerder vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende met betrekking tot handelingen die de onder bewind staande goederen betreffen In hoger beroep zijn alleen de ingangsdatum en zorgkorting nog in geschil.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.076
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 593014)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
Hooge Veste B.V.,
kantoor houdende te Uden,
verder te noemen: de bewindvoerder,
verzoeker in hoger beroep,
namens [verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. L.C. de Jong,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 december 2025;
-
het verweerschrift;
-
een journaalbericht namens de man van 25 februari 2026 met producties.
De minderjarige [de minderjarige] heeft bij ongedateerde brief aan het hof, ingekomen bij het hof op 25 maart 2026, zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Na de mondelinge behandeling is met instemming van het hof ingekomen een journaalbericht namens de vrouw van 31 maart 2026 met drie producties.
3De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2009. Tot de bestreden beschikking waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
Bij ouderschapsplan, door partijen ondertekend op 15 december 2017, zijn de ouders ten aanzien van de door partijen te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) het volgende overeengekomen:
“7. Kinderalimentatie
Kosten van [de minderjarige] zijn voor vader.
De bankrekeningen zijn in het beheer van vader.
Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van [de minderjarige] wanneer zij bij hen zijn.”
De goederen die aan de vrouw (zullen) toebehoren zijn onder bewind gesteld.
Tot 20 december 2024 woonde [de minderjarige] bij de man. Sinds 20 december 2024 woont [de minderjarige] bij de vrouw.
De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht om te bepalen dat:
-
het streven van de ouders is dat tussen [de minderjarige] en de man een zorgregeling geldt, waarbij [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man verblijft, alsmede een deel van de vakanties dan wel een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt;
-
de man met ingang van 1 maart 2025 dan wel met ingang van een datum als de rechtbank juist oordeelt € 345,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen dan wel een bijdrage als de rechtbank juist oordeelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en
-
de man over de periode van 1 december 2024 tot 1 maart 2025 dan wel met ingang van een datum als de rechtbank juist oordeelt een bedrag aan de vrouw dient te betalen dat gelijk is aan de door de man over die periode voor [de minderjarige] ontvangen kinderbijslag dan wel een bijdrage vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt.
De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. De man heeft de rechtbank gevraagd om de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Daarnaast heeft de man verzocht de vrouw alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] .
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de vrouw het verzoek met betrekking tot de zorgregeling ingetrokken.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
-
het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en beslist dat voortaan alleen de vrouw is belast met het gezag over [de minderjarige] ;
-
de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 15 december 2017, in die zin gewijzigd dat deze met ingang van 22 oktober 2025 wordt vastgesteld op € 288,- per maand; en
-
het meer of anders verzochte afgewezen.
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
-
primair, uitgaande van de tussen partijen bereikte overeenstemming, te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2025 kinderalimentatie dient te betalen van € 296,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met een eenmalige bijdrage van € 804,-; of
-
subsidiair, op basis van het (geschatte) inkomen van de man in 2025:
o de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2025 dan wel met ingang van een datum als het hof juist oordeelt, vast te stellen op € 345,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
o de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 december 2024 tot 1 maart 2025 dan wel met ingang van een datum als het hof juist oordeelt, vast te stellen op een bedrag dat gelijk is aan de door de man over die periode voor [de minderjarige] ontvangen kinderbijslag,
- kosten rechtens.
De man voert verweer. De man vraagt het hof om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.
5De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid
Het hof stelt dat vast tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat ten tijde van het indienen het beroepschrift op 2 december 2025 een bewind was ingesteld over alle goederen die aan de vrouw (zullen) toebehoren.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:441, eerste lid, Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende - in dit geval de vrouw - in en buiten rechte met betrekking tot handelingen die de onder bewind staande goederen betreffen. De bewindvoerder treedt in een geding over een onder bewind gesteld goed op als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Dat is ook het geval als tegen een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt ingesteld.
Dit betekent dat niet de vrouw zelf maar haar bewindvoerder namens haar in hoger beroep had dienen te gaan. Bij het journaalbericht van 31 maart 2026 heeft de vrouw een e-mailbericht van de bewindvoerder van 31 maart 2026 overgelegd waarin de bewindvoerder bericht in te stemmen met de procedure in hoger beroep. Het hof leest hierin dat de bewindvoerder optreedt als formele procespartij namens de vrouw.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek in hoger beroep.
Opmerking vooraf
Het hof stelt vast dat het geschil in hoger beroep zich beperkt tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie en de zorgkorting. De advocaat van de vrouw heeft dit tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd.
De behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen zijn dus niet in geschil. Voor zover de man heeft willen betogen dat de vrouw een grief heeft gericht tegen de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen doordat zij verzoekt om inzage in recente inkomensgegevens volgt het hof de man hierin niet.
Hebben partijen overeenstemming bereikt?
De vrouw voert allereerst aan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. De man heeft namelijk op 25 juni 2025 een voorstel gedaan en de vrouw heeft dat voorstel, na overleg met haar advocaat, op 5 augustus 2025 geaccepteerd. De vrouw meent dat het hof deze overeenstemming moet vastleggen.
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van overeenstemming tussen partijen. Dit blijkt alleen al uit de omstandigheid dat de vrouw de procedure in eerste aanleg is gestart. De man heeft in dit kader onweersproken gesteld dat hij een voorstel heeft willen doen in een periode waarin geen advocaat betrokken was om te voorkomen dat een procedure zou worden gestart om zo te voorkomen dat de man met kosten zou worden geconfronteerd. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat de vrouw tijdig heeft ingestemd met het voorstel van de man, waardoor overeenstemming tussen partijen zou zijn overeengekomen.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft als ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie de datum van de bestreden beschikking gehanteerd, dus 22 oktober 2025.
De vrouw verzoekt de gewijzigde kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de door de rechtbank vastgestelde datum. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [de minderjarige] al sinds december 2024 bij haar woont en dat de man behoorde te weten dat hij met terugwerkende kracht kinderalimentatie verschuldigd was. Bovendien kon de man na de brief van de advocaat van de vrouw van 24 februari 2025 rekening houden met de omstandigheid dat de vrouw aanspraak maakt op door de man te betalen kinderalimentatie. Bovendien was volgens de vrouw sprake van een bijzondere situatie doordat [de minderjarige] bij de vrouw woonde, maar de man wel kinderbijslag voor hem ontving. Daarom moet de kinderalimentatie in ieder geval worden vastgesteld op een bedrag ter hoogte van de kinderbijslag.
Het hof overweegt dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij, ook toen [de minderjarige] bij de vrouw woonde, veel kosten voor hem heeft gemaakt. De man heeft kleding, boetes, vakanties en diverse verzekeringen voor [de minderjarige] betaald, maar ook de reiskosten van [de minderjarige] betaald. Het hof ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie vast te stellen op een eerdere datum van de bestreden beschikking. Dat de man in de periode dat [de minderjarige] bij de vrouw woonde de kinderbijslag voor [de minderjarige] ontving, doet hieraan niet af.
Zorgkorting
De vrouw verzoekt tot slot de zorgkorting op een lager percentage vast te stellen dan de door de rechtbank bepaalde 25%. [de minderjarige] verblijft volgens de vrouw maximaal één weekend per maand bij de man en het is niet te verwachten dat [de minderjarige] de helft van de vakanties bij de man zal doorbrengen. De vrouw verzoekt daarom de zorgkorting vast te stellen op 15%.
Net als de rechtbank zal het hof de zorgkorting bepalen op 25%. Het hof overweegt dat [de minderjarige] langdurig bij de man heeft gewoond en dat het belangrijk is dat zij op regelmatige basis contact hebben en houden. Het hof ziet daarom aanleiding de zorgkorting in stand te laten, zodat de vrouw hiermee een prikkel heeft om [de minderjarige] te stimuleren om naar zijn vader te gaan. Daarbij komt dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij verwacht dat [de minderjarige] vaker naar hem zal toe komen als deze procedure is beëindigd en de daarmee gepaard gaande spanningen zullen afnemen. Deze verklaring komt het hof niet vreemd voor.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten zal betalen.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 oktober 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
