Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2933

Essentie (gemaakt door AI)

Familierecht. Vervangende toestemming voor voltijds deelname van de minderjarige aan een ouderschapsbeoordeling bij gezinskliniek waarin de moeder verblijft wordt bekrachtigd. Noodzakelijk voor een volwaardig onderzoek naar de opvoedvaardigheden van moeder en praktisch minst belastend; deeltijddeelname is minder uitvoerbaar. Het doel van uithuisplaatsing is toewerken naar terugkeer bij een ouder, niet per se naar het oorspronkelijke gezin. Schorsingsverzoek uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

Datum publicatie20-05-2026
Zaaknummer200.367.945/01 en 200.367.945/02
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Familierecht. Vervangende toestemming ouderschapsbeoordeling. Doel uithuisplaatsing is niet noodzakelijkerwijs terugkeer in oorspronkelijke gezin, maar terugkeer bij een ouder.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.367.945/01 en 200.367.945/02

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 245206)

beschikking van 12 mei 2026

in de zaak van

[verzoeker] (de vader),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont in [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI),

gevestigd te Groningen.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 juli 2025 en 24 maart 2026 (de laatstgenoemde beschikking hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 april 2026;

- een journaalbericht namens de vader van 29 april 2026 met bijlage(n);

- het verweerschrift;

- een journaalbericht namens de vader van 30 april 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 1 mei 2026 met bijlage(n);

- de brief van de raad van 1 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;

- een e-mailbericht namens de GI van 4 mei 2026.

2.2.

Op 4 mei 2026 is de hierna nader te noemen [de minderjarige] buiten aanwezigheid van partijen door een van de raadsheren van het hof gehoord met betrekking tot het verzoek.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 6 mei 2026 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn drie vertegenwoordigers verschenen. De GI heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie.

3De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2017.

3.2.

De ouders zijn sinds 26 februari 2025 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

3.3.

[de minderjarige] staat sinds 21 februari 2025 onder toezicht van de GI. Tegelijkertijd is aan de GI een machtiging uithuisplaatsing verleend. [de minderjarige] woont sindsdien op basis van de machtiging uithuisplaatsing bij de vader. In de praktijk woonde [de minderjarige] in verband met het werk van de vader in eerste instantie van dinsdag tot en met donderdag bij de toenmalige vriendin van de vader, waar de vader ook regelmatig was, en de overige dagen bij de vader. Na het beëindigen van de relatie van de vader is [de minderjarige] van maandag tot donderdag bij gastouder [naam] (hierna: [naam] ) en de overige dagen bij de vader. Als zorgregeling met de moeder geldt dat [de minderjarige] haar een uur per week onder begeleiding ziet.

4De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is, voor zover hier van belang, aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] deel te nemen aan een voltijds ouderschapsbeoordeling door de GGZ [plaats] , [de gezinskliniek] ( [de gezinskliniek] ).

4.2.

De vader komt met vier grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven zien op de verleende vervangende toestemming voor de ouderschapsbeoordeling bij [de gezinskliniek] . De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de moeder alsnog af te wijzen. De vader heeft tevens verzocht om de werking van de bestreden beschikking hangende het hoger beroep te schorsen.

4.3.

De moeder voert verweer en zij verzoekt het beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5De motivering van de beslissing

Inhoudelijke beoordeling (zaaknummer 200.367.945/01)

5.1.

De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Dat betekent dat voor een ouderschapsbeoordeling bij [de gezinskliniek] de toestemming van beide ouders nodig is. Geschillen hierover kunnen de ouders op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aan de rechter voorleggen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voortkomt.

5.2.

In deze zaak gaat het om de vraag of aan de moeder vervangende toestemming moet worden verleend voor een (voltijds) deelname van [de minderjarige] aan de ouderschapsbeoordeling bij [de gezinskliniek] . De moeder verblijft sinds 3 mei 2026 met het (half)zusje van [de minderjarige] bij [de gezinskliniek] . Het is de bedoeling dat [de minderjarige] op 18 mei 2026 aansluit bij de gezinsopname. Het hof constateert dat op de achtergrond speelt dat de GI onderzoek doet naar het opgroeiperspectief van [de minderjarige] en dat in dit kader de ouderschapsbeoordeling van de moeder wordt uitgevoerd. Recentelijk is door Elker een onderzoek uitgevoerd naar de opvoedvaardigheden van de vader. Uit het eindverslag van 11 maart 2026 volgt dat de onderzoekers geen zorgen hebben geconstateerd over de opvoedvaardigheden van de vader. Verder is geconstateerd dat de leefomstandigheden bij de vader ruimschoots voldoende zijn en hij een steunend netwerk heeft dat een rol kan spelen in de opvang van [de minderjarige] .

Om uiteindelijk een goede afweging te kunnen maken over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] , acht het hof het noodzakelijk dat er een volwaardig onderzoek moet plaatsvinden naar de opvoedvaardigheden van de moeder. Alleen met een voltijds deelname van [de minderjarige] aan de ouderschapsbeoordeling wordt duidelijk of de moeder de zorg voor haar beide dochters gelijktijdig aankan. Bovendien is een voltijds deelname aan de ouderschapsbeoordeling in praktische zin het minst belastend voor [de minderjarige] . Hoewel een voltijds deelname zal betekenen dat [de minderjarige] naar een andere school moet en doordeweeks niet meer naar gastouder [naam] zal gaan, constateert het hof dat het aantal wisselingen van verblijfplaats gedurende de week wel gelijk blijft. [de minderjarige] zal in het weekend bij de vader zijn en doordeweeks, wanneer zij nu bij [naam] is, bij [de gezinskliniek] . Daar komt bij dat de doordeweekse plaatsing bij [naam] aanvankelijk voor korte tijd bedoeld was en [naam] aangeeft overbelast te zijn, zodat hiervoor op korte termijn toch een andere oplossing moet komen. Als [de minderjarige] slechts in deeltijd zou deelnemen aan de ouderschapsbeoordeling, zou zij in het weekend bij de vader verblijven, van zondagavond tot woensdag bij de moeder in [de gezinskliniek] en van woensdag tot vrijdag bij [naam] . Dit acht het hof minder goed uitvoerbaar, zeker omdat nog niet bekend is wat dit betekent voor de schoolgang van [de minderjarige] of hoe de ouders het halen en brengen zouden willen gaan vormgeven.

5.3.

Na afloop van het traject bij [de gezinskliniek] is het aan de rechtbank om in de daar lopende procedure een beslissing te nemen over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] . Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het doel van een machtiging uithuisplaatsing niet per definitie is gelegen in het toewerken naar terugkeer in het oorspronkelijke gezin, maar dat het doel is toewerken naar terugkeer bij een ouder. Dit betekent dat na een positieve ouderschapsbeoordeling van de moeder niet zonder meer vaststaat dat [de minderjarige] het beste bij haar kan worden teruggeplaatst en dus niet bij de vader. De beslissing over het perspectief van [de minderjarige] vereist een afweging waarin alle belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen, waaronder het feit dat [de minderjarige] inmiddels al ruim een jaar bij de vader woont, zij daar veilig gehecht lijkt en er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vader.

Schorsingsverzoek (zaaknummer 200.367.945/02)

5.4.

Omdat het hof bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft de vader geen belang meer bij het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Het hof zal het schorsingsverzoek daarom afwijzen.

6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
24 maart 2026;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. M.A.F. Veenstra en
mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733